- ” Vastgesteld wordt dat vanaf december 2018, dus in de periode dat [gedaagde] niet alleen voorzitter maar tevens interim penningsmeester was, grote bedragen [totaal € 149.526,69] van de INGbetaalrekening van [hengelvereniging] EHSV zijn afgeschreven door middel van internetbankieren. Die bedragen zijn overgeschreven naar onbekende partijen, zonder dat daar enige titel aan ten grondslag lag. [gedaagde] kan althans geen verklaring geven voor deze afschrijvingen.”
- “Verder staat vast dat [de zoon van gedaagde, E] via [gedaagde] de inloggegevens van de ING-rekening van EHSV in handen heeft gekregen. Niet gebleken is dat aan anderen dan [gedaagde] inloggegevens van de ING-rekening zijn verstrekt. Bovendien blijkt uit productie 20 van EHSV dat [E] inderdaad inlogde met gebruikmaking van de inloggegevens van zijn vader. Het had dan op de weg van [gedaagde] gelegen om in zijn functie van penningmeester ad interim voldoende toezicht te houden op de verrichtingen van [E] . Dit heeft hij kennelijk niet gedaan. Op die manier is een situatie ontstaan waarin iemand zonder formele bevoegdheden binnen EHSV grote bedragen aan de bankrekening kon onttrekken, zonder dat dit werd ontdekt. [gedaagde] heeft onvoldoende invulling aan zijn bestuurstaak gegeven en als penningmeester ad interim het risico van onregelmatigheden en onttrekkingen niet afdoende onderkend. Hiervan valt hem persoonlijk een ernstig verwijt te maken. Hij heeft onvoldoende maatregelen getroffen om dit risico te voorkomen en de gevolgen daarvan zoveel mogelijk te beperken. Het verweer van [gedaagde] dat hij zijn zoon volledig vertrouwde en daarom heeft nagelaten hem te controleren, baat hem niet. Hij had immers als bestuurslid en interim penningmeester de belangen van EHSV in acht moeten nemen.”
- De gedaagde is aansprakelijk op grond van art. 2:9 BW (bestuursaansprakelijkheid)
- De rechtbank “veroordeelt [gedaagde] om aan EHSV te betalen een bedrag van € 150.417,07 (éénhonderdvijftig duizendvierhonderdzeventien euro en zeven eurocent)”
- De zoon E is inmiddels failliet verklaard, zo blijkt uit het vonnis.
- Ook bij dit soort bedragen moet gedaagde wel echt betalen (tenzij de rechter in hoger beroep zou matigen of anders zou oordelen, natuurlijk). Ik ben geen specialist op dit punt, maar schat in dat een evt. koopwoning verkocht zal worden. Ik zou er niet op durven vertrouwen dat er een bestuursaansprakelijkheidsverzekering is, en dat die dekking biedt.
Verduistering
Kernpunten
- De penningmeester (een vrouw) heeft € 33.400,80 van [eiseres – de vereniging] verduisterd door dat met valse omschrijvingen naar twee rekeningen, waaronder minimaal één eigen rekening, over te boeken. Dit staat vast.
- ” Op 3 juli 2019 is [gedaagde – de penningmeester] door de politierechter veroordeeld in verband met de verduisteringen bij [eiseres] . In het kader van de strafzaak is strafrechtelijk beslag op de auto van [gedaagde] gelegd.”
- De uitspraak gaat verder over procedurele verwikkelingen zodat de vereniging het geld van de verkoop van de auto krijgt van de politie (van het Openbaar Ministerie).
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2020:7612
Inhoudsindicatie
Terugbetaling van door penningmeester verduisterde geldbedragen aan vereniging. Hoofdsom erkend. Beslagkosten toegewezen. Buitengerechtelijke kosten afgewezen, onvoldoende gesteld dat incassowerkzaamheden zijn verricht.
2De feiten
[gedaagde] is medio 2017 toegetreden tot het bestuur van [eiseres] , in de functie van penningmeester. Vanuit die functie had zij vanaf 4 september 2017 toegang tot de bankrekening van [eiseres] . Tussen 6 september 2017 en medio 2018 heeft [gedaagde] (minimaal) € 33.400,80 van [eiseres] verduisterd door dat met valse omschrijvingen naar twee rekeningen, waaronder minimaal één eigen rekening, over te boeken.
Namens [eiseres] is op 14 september 2018 aangifte gedaan van fraude.
Tussen 1 en 8 oktober 2018 hebben (de gemachtigde van) [eiseres] en [gedaagde] per e-mail contact gehad over een terugbetalingsregeling. Op 5 oktober heeft de gemachtigde van [eiseres] [gedaagde] ge-e-maild: ‘Uw mail met daarin een nieuw voorstel om uw schuld van € 33.400,80 vermeerderd met rente aan [eiseres] Haarlem terug te betalen heb ik in goede orde ontvangen.
Om te beginnen mis ik in uw voorstel hetgeen u mij telefonisch wel had gezegd, namelijk dat u ook uw vakantiegeld en alle andere extraatjes van uw werkgever zou gebruiken om de betreffende schuld af te lossen.
Het gaat immers om een bedrag van ruim € 33.000,- vermeerderd met wettelijke rente en als u € 500,- per maand gaat betalen bent u in ieder geval nog ongeveer zes jaar bezig om uw schuld af te lossen. […] als u één termijn van € 500,- niet betaalt vervalt de regeling en zal ik namens cliënte alsnog de dagvaarding tegen u laten uitreiken.’
Op die e-mail is door [gedaagde] gereageerd: ‘ [eiseres] kan ervan op aan dat ik de schuld netjes en zo snel mogelijk zal terug betalen.
Naast de 500 per maand zal ik daarnaast ook zoals telefonisch met u heb besproken maar niet in de mail heb benoemt, in de maanden juni en december een extra bedrag van 500 euro aflossen aan [eiseres] . […]’
[gedaagde] heeft tussen 4 oktober 2018 en 27 juni 2019 € 5.500,- aan [eiseres] betaald. Na 27 juni 2019 heeft [gedaagde] geen betalingen meer aan [eiseres] gedaan.
Op 3 juli 2019 is [gedaagde] door de politierechter veroordeeld in verband met de verduisteringen bij [eiseres] . In het kader van de strafzaak is strafrechtelijk beslag op de auto van [gedaagde] gelegd.
Bij e-mail van 5 augustus 2019 heeft [gedaagde] op verzoek van de gemachtigde van [eiseres] toestemming gegeven om de opbrengst van de auto direct aan [eiseres] over te maken. Naar aanleiding van die toestemming heeft de gemachtigde van [eiseres] contact gehad met het ‘afpakteam Noord-Holland’ van het Openbaar Ministerie (‘OM’), en heeft de gemachtigde van [eiseres] het OM gevraagd of deze bevestiging van mevrouw [gedaagde] voldoende was om de opbrengst van de verkoop van de auto rechtstreeks aan [eiseres] over te maken. Het OM heeft op die vraag bij e-mail van 6 augustus 2019 gereageerd: ‘Het volgende kan ik u melden, het is niet mogelijk om het voorwerp aan uw cliënt over te dragen. Mw. [gedaagde] heeft afstand gedaan van het voorwerp, hierdoor zou het voorwerp aan de staat vervallen.
Uw cliënt heeft geen titel om het voorwerp overgedragen te krijgen. Een executoriale of conservatoire titel zou de oplossing zijn om het voorwerp te kunnen overdragen aan uw cliënt.’
Op 12 augustus 2019 heeft de gemachtigde van [eiseres] [gedaagde] per e-mail geschreven: ‘Ik heb van de penningmeester van [eiseres] begrepen dat u over de maand juni slechts € 500,- heeft betaald, terwijl u volgens afspraak ook uw vakantiegeld zou gebruiken om af te lossen op uw schuld. Bovendien vertelde de penningmeester mij dat u over de maand juli helemaal niets heeft betaald.
Dat betekent dus dat er een aanzienlijke achterstand is in de terugbetaling van uw schuld.
Namens cliënte verzoek ik u – en voor zover nodig sommeer ik u – die achterstand binnen vijf dagen na heden in te lopen bij gebreke waarvan ik cliënte zal adviseren civielrechtelijke incassomaatregelen tegen u te nemen.
De kosten daarvan komen uiteraard voor uw rekening.’
Bij e-mail van dezelfde dag heeft de gemachtigde van [gedaagde] onder andere gereageerd: ‘Aangaande de betalingsregeling kan ik u melden dat cliënte thans niet meer in staat is om de maandelijks overeengekomen bedragen te voldoen. Dit komt er ergo op neer dat cliënte uw cliënte op dit moment helaas niets te bieden heeft. Als dit anders wordt zal zij uiteraard haar verplichtingen weer voort zetten.
Cliënte erkent de schuld en heeft zelfinzicht getoond. Een nu nog door te lopen buitengerechtelijk incassotraject (middels incasso- of deurwaarderskantoor), waar u cliënte bij e-mail heden over heeft bericht, is gelet op deze uiteenzetting van feiten volstrekt kansloos. U weet net zo goed als ik dat dit de kosten bij cliënte nodeloos hoger doet oplopen. Uw cliënte schiet daar verder ook niets meer op.
Wat mij en cliënte betreft mag u rechtsreeks over gaan tot het dagvaarden van cliënte, zodat u hiermee op korte termijn naar alle waarschijnlijkheid een titel in handen hebt om verder te executeren. Daarna moet de deurwaarder maar kijken of er verder verhaal kan worden genomen op cliënte […]’
De auto is op 16 augustus 2019 verkocht voor een bedrag van € 6.280,-.
Bij verzoekschrift van 19 augustus 2019 heeft [eiseres] de Voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem verzocht haar verlof te verlenen om te laste van [gedaagde] conservatoir beslag tot afgifte van (de opbrengst) van de auto te doen leggen onder het OM. Het verlof om conservatoir beslag te mogen leggen is op 20 augustus verleend.
Op 29 oktober 2019 heeft het Ministerie van Justitie en Veiligheid een bedrag van € 6.294,79 aan [eiseres] betaald, onder vermelding van de omschrijving: ‘[…] Teruggave gelden / [gedaagde] ’
Jezelf als bestuurder een vergoeding geven
Kernpunten
- In feite hebben [de twee bestuursleden] dus geld aan zichzelf betaald ten laste van [de vereniging], terwijl de functie van bestuurslid bij [de vereniging] onbezoldigd is én terwijl hun positie onhoudbaar was geworden. [De subsidiegever] had het vertrouwen in hen immers opgezegd. Tenslotte is van belang dat de leden van deze betalingen of de vaststellingsovereenkomsten niet op de hoogte zijn gesteld. Er is aan de leden geen instemming gevraagd of de mogelijkheid gegeven om iemand aan te wijzen de vereniging te vertegenwoordigen wegens het tegenstrijdige belang van de bestuurders (artikel 2:47 BW).
- Artikel 2:47 BW per 18.11.2020: ” In alle gevallen waarin de vereniging een tegenstrijdig belang heeft met een of meer bestuurders[…] kan de algemene vergadering een of meer personen aanwijzen om de vereniging te vertegenwoordigen.” Dit wetsartikel zal worden gewijzigd.
vonnis
in de zaak van
de vereniging met volledige reechtsbevoegdheid Renkumse Huurders Vereniging
gevestigd te gemeente Renkum
eisende partij
tegen
[gedaagde]
wonende te [woonplaats]
gedaagde partij
procederend in persoon
Partijen worden hierna RHV en [gedaagde] genoemd.
1De procedure
2De feiten
RHV stelt zich blijkens haar statuten onder meer ten doel:
Het behartigen van de belangen van de bewoners en ingeschreven woningzoekenden voor huurwoningen van Vivare te Renkum welke belangenbehartiging betrekking heeft op zowel de woningen als de woonomgeving.
Vanaf 1 januari 2018 tot 17 juli 2018 vormden [gedaagde] en [naam 1] (hierna: [naam 1]) het bestuur van RHV.
Vivare en RHV hebben naar aanleiding van problemen in de samenwerking op 5 juli 2018 aan [gedaagde] en [naam 1] een aangetekende brief gestuurd. In die brief is het vertrouwen in genoemde bestuursleden opgezegd. De samenwerking, alsmede subsidiebetaling, is opgeschort tot het moment waarop een volwaardig nieuw bestuur zal zijn geformeerd.
Het dossier bevat een vaststellingsovereenkomst van 11 juli 2018 tussen RHV, vertegenwoordigd door een derde, zijnde [naam 2], en [gedaagde]. In de vaststellingsovereenkomst staat in de overwegingen onder meer dat verkend is onder welke voorwaarden [gedaagde] zijn bestuursfunctie wenst te beëindigen. In de vaststellingsovereenkomst staat onder meer:
’12. RHV zal aan [gedaagde] binnen 14 dagen na heden een eenmalige vergoeding uitkeren á €4000,00.’
Een gelijkluidende vaststellingsovereenkomst is opgemaakt tussen RHV en [naam 1].
Op 12 juli 2018 is een bedrag van € 4.000,- vanaf de rekening van RHV aan [gedaagde] overgemaakt onder vermelding van ‘Conform vaststellingsovereenkomst’.
Op 13 juli 2018 is een bedrag van € 4.000,- vanaf de rekening van RHV aan [naam 1] overgemaakt onder vermelding van ‘Conform vaststellingsovereenkomst’.
Het huidige bestuur van RHV heeft – nadat zij bekend raakten met de betalingen – in oktober 2019 [gedaagde] en [naam 1] verzocht om genoemde bedragen terug te betalen.
Na vergeefse sommaties heeft RHV in februari 2020 overleg gehad met [gedaagde] over terugbetaling. Daarop volgde een e-mail van [gedaagde] van 22 februari 2020 waarin hij aangaf bereid te zijn om € 2.000,- terug te betalen. Dit voorstel is door RHV per e-mail van 27 februari 2020 verworpen.
3De vordering en het verweer
RHV vordert dat de kantonrechter [gedaagde] veroordeelt om aan haar te betalen:
primair:
€ 4.279,94, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 6 april 2020 en € 775,00 aan buitengerechtelijke kosten;
subsidiair:
€ 4.140,08, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 6 april 2020 en € 525,00 aan buitengerechtelijke kosten;
zowel primair als subsidiair:
de proceskosten en nakosten, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf veertien dagen na dagtekening van het vonnis.
RHV baseert haar vordering, tegen de achtergrond van de vaststaande feiten, op de volgende – zakelijk weergegeven – stellingen. Er ontbreekt een rechtsgrond voor de betalingen. Bestuursleden van RHV verrichten hun taken immers onbezoldigd.
Primair is er sprake van interne bestuurdersaansprakelijkheid ex artikel 2:9 BW. [gedaagde] is daarom volledig aansprakelijk voor het onttrokken bedrag van € 8.000,- voor de betalingen aan [gedaagde] en [naam 1]. [gedaagde] kan als bestuurder van RHV hiervoor een ernstig persoonlijk verwijt worden gemaakt. De erven van [naam 1] hebben een bedrag van € 4.000,- voldaan, zodat [gedaagde] nog aansprakelijk is voor het restant van € 4.279,94, bestaande uit hoofdsom en wettelijke rente.
Subsidiair is er sprake van onrechtmatige daad en meer subsidiair van onverschuldigde betaling. Daarnaast heeft [gedaagde] ondanks sommaties heeft verschuldigde bedrag niet voldaan, zodat hij ook buitengerechtelijke kosten verschuldigd is.
[gedaagde] voert als verweer dat de betaling van het bedrag van € 4.000,- een uitvloeisel is uit de tussen RHV en [gedaagde] gesloten vaststellingsovereenkomst. Deze vaststellingsovereenkomst is namens RHV aangegaan door, de door het bestuur daarvoor gemachtigde, Roguski. Roguski had geen tegenstrijdig belang en heeft de overeenkomst onafhankelijk kunnen opstellen. Daarnaast voert [gedaagde] aan dat hij de eveneens in de vaststellingsovereenkomst genoemde werkzaamheden, gericht op een goede overdracht, heeft uitgevoerd.
4De beoordeling
RHV legt aan haar vordering primair interne bestuurdersaansprakelijkheid ex. artikel 2:9 BW ten grondslag. In genoemd artikel staat dat elke bestuurder tegenover de rechtspersoon is gehouden tot een behoorlijke vervulling van de hem opgedragen taak. Voor aansprakelijkheid is vereist dat de bestuurder ([gedaagde]) zijn bestuurszaak niet behoorlijk heeft uitgeoefend en hem daarvoor een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Of van een ernstig verwijt sprake is, dient te worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval.
In dit geval heeft [gedaagde] (met [naam 1]) een derde gemachtigd om RHV te vertegenwoordigen om vaststellingsovereenkomsten met [gedaagde] (en [naam 1]) te sluiten. In de vaststellingsovereenkomsten is vastgelegd dat [gedaagde] en [naam 1] ieder recht hebben op een bedrag van € 4.000,-. Daarna hebben [gedaagde] en [naam 1] ervoor gezorgd dat deze bedragen daadwerkelijk aan henzelf zijn uitbetaald. In feite hebben zij dus geld aan zichzelf betaald ten laste van RHV, terwijl de functie van bestuurslid bij RHV onbezoldigd is én terwijl hun positie onhoudbaar was geworden. Vivare had het vertrouwen in hen immers opgezegd. Tenslotte is van belang dat de leden van deze betalingen of de vaststellingsovereenkomsten niet op de hoogte zijn gesteld. Er is aan de leden geen instemming gevraagd of de mogelijkheid gegeven om iemand aan te wijzen de vereniging te vertegenwoordigen wegens het tegenstrijdige belang van de bestuurders (artikel 2:47 BW).
Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [gedaagde], gelet op bovengenoemde feiten en omstandigheden, zijn taak als bestuurder niet naar behoren uitgeoefend en kan hem daarvoor een ernstig verwijtbaar worden gemaakt. Er is geen objectivering voor de betaling van € 4.000,- die [gedaagde] zelf heeft bewerkstelligd. Dat [gedaagde] heeft gezorgd voor een goede overgang van bestuurstaken kan niet als grond voor betaling worden gezien. Dit behoorde tot zijn – onbezoldigde – taak als bestuurder. Het ongenoegen en/of frustratie van [gedaagde] over de rol van Vivare is evenmin een rechtvaardiging voor de betaling. [gedaagde] is daarom aansprakelijk voor de door RHV geleden schade. Dat [gedaagde] aanvoert dat hij zich heeft gehouden aan zijn verplichtingen volgend uit de vaststellingsovereenkomst, maakt het voorgaande niet anders.
Gelet op het in artikel 2:9 BW bepaalde, is [gedaagde] daarbij aansprakelijk voor het geheel van de schade (oftewel hij is hoofdelijk aansprakelijk). Hij is daarom geheel aansprakelijk voor de aan hem en [naam 1] overgemaakte bedrag van € 8.000,- vermeerderd met wettelijke rente. Hierop strekt de terugbetaling door de erven van [naam 1] van € 4.000,- in mindering, zodat een bedrag van € 4.279,94, vermeerderd met rente vanaf 6 april 2020, door [gedaagde] moet worden voldaan. Dit deel van de vordering wordt daarom toegewezen.
De kantonrechter acht voldoende aannemelijk gemaakt dat RHV buitengerechtelijke werkzaamheden heeft verricht dan wel heeft laten verrichten en dat hiervoor kosten zijn gemaakt. Dat een derde de buitengerechtelijke kosten heeft voldaan, maakt niet dat de vordering moet worden afgewezen. De hoogte van het gevorderde bedrag (€ 775,-) is in overeenstemming met de tarieven die zijn weergegeven in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten en die geacht worden redelijk te zijn. De vordering is daarom toewijsbaar.
[gedaagde] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten dragen.
De gevorderde nakosten zullen worden begroot op een bedrag van € 120,00 zijnde een half salarispunt van het toe te wijzen salaris van de gemachtigde met een maximum van € 120,00, te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis. De rente over de proceskosten wordt toegewezen vanaf veertien dagen na de datum van het vonnis.
5De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om aan RHV te betalen een bedrag van € 5.054,94 te vermeerderen met de wettelijke rente over € 4.279,94 vanaf 6 april 2020 tot aan de dag van volledige betaling;
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot deze uitspraak aan de kant van RHV begroot op € 108,37 aan dagvaardingskosten, € 499,00 aan griffierecht, € 600,00 aan salaris voor de gemachtigde en € 120,00 aan kosten die na dit vonnis zullen ontstaan, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf veertien dagen na de datum van het vonnis en, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, te vermeerderen met de explootkosten van betekening van het vonnis;
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Frauderende penningmeester kan decharge niet inroepen
Kernpunten
- De oud-penningmeester wordt aansprakelijk gesteld voor fraude door hemzelf (pr. De penningmeester beroept zich op de descharge door de ALV.
- De descharge werkt niet. Een decharge werkt namelijk alleen voor ‘handelingen [door de penningmeester daadwerkelijk aan de algemene vergadering bekend zijn gemaakt, hetzij door middel van verstrekking van de balans van baten en lasten, hetzij door middel van de toelichting daarop, hetzij door middel van de toelichting van de kascommissie [aan de ALV]”, volgens het hof. Het is niet voldoende dat leden van de kascommissie weten de betalingen.
- Het hof geeft aan dat het juist is, “het verweer van [de penningmeester] dat aan hem tot en met het boekjaar 2009 decharge is verleend niet zonder meer doel treft omdat dechargeverlening zich niet uitstrekt tot frauduleuze onttrekkingen die door manipulatie van de boeken niet uit de jaarrekening en verslaglegging kenbaar zijn, juist is.” Kortom, de penningmeester komt met alleen een beroep op de descharge niet aan zijn aansprakelijkheid voor zijn fraude.
- Het hof laat de veroordeling van de rechtbank in stand dat penningmeester ongeveer € 40.000 moet betalen aan de vereniging, vermeerder met ongeveer € 21.000 proceskosten (waaronder ongeveer € 15.000 voor een door de rechtbank benoemde accountant als deskundige), met daar nu bovenop ongeveeer € 8.000 proceskosten in hoger beroep.
- Het is dan weer jammer dat het hof de vereniging aanduidt als ” vereniging met volledige rechtspersoonlijkheid”. Dat moet natuurlijk zijn “vereniging met volledige rechtsbevoegdheid” .
over de reikwijdte van een decharge door de algemene vergadering bestrijdt, geldt het volgende. Een decharge strekt zich slechts uit tot die informatie ten aanzien van het handelen van een bestuurder, die aan de algemene vergadering is verstrekt. In het bijzonder kan niet worden aanvaard dat een decharge zich ook zou uitstrekken tot informatie waarover een individueel lid van de vereniging uit anderen hoofde – buiten het verband van de algemene vergadering – de beschikking heeft gekregen, of tot gegevens die niet uit de jaarrekening blijken of niet anderszins aan de algemene vergadering zijn bekendgemaakt voordat deze de jaarrekening vaststelde (Hoge Raad 10 januari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2243). Met de aard van het ontslag van aansprakelijkheid dat voortvloeit uit decharge is in overeenstemming dat zodanige decharge zich niet uitstrekt tot frauduleuze onttrekkingen of betalingen die door manipulatie van de boeken niet uit de jaarrekening en de verslaglegging aan de algemene vergadering kenbaar zijn (Hoge Raad 25 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2332).
1Het verstekarrest van 16 oktober 2018
2Het geding in verzet
3De beoordeling
Voor zover [gedaagde in verzet] aanspraak meent te maken op een hoger bedrag dan € 12.000,- per jaar (hof: als vergoeding voor zijn werkzaamheden als penningsmeester) dat bij wijze van verweer verrekend moet worden met de eventuele vordering van NBD, verwerpt de rechtbank deze ingenomen stelling nu de gegrondheid van dit verweer niet op eenvoudige wijze is vast te stellen (art. 6:136 BW).”
De door NBD geschetste handelwijze is niet te duiden als druk op de deskundige die ongeoorloofd is. De deskundige heeft de bij de opdrachtverstrekking gegeven termijn waarbinnen zij diende te rapporteren aanmerkelijk overschreden. Het is dan begrijpelijk en niet ongebruikelijk dat een partij zich tot de rechter wendt met het verzoek de deskundige, kort gezegd, aan te sporen. [gedaagde in verzet] betoogt dat de deskundige als gevolg hiervan onzorgvuldig te werk is gegaan, in die zin dat zij de zienswijzen van [gedaagde in verzet] niet heeft beoordeeld alvorens haar definitieve rapport op te stellen. Die stelling is ondeugdelijk. De deskundige heeft op 15 maart 2016 haar gemotiveerde reactie gegeven naar aanleiding van de zienswijzen van [gedaagde in verzet] (bijlage 31 bij het deskundigenbericht). De deskundige heeft als conclusie na de zienswijze van [gedaagde in verzet] vermeld dat zij de conclusies bij de vragen van de rechtbank, zoals weergegeven in de concept rapportage, handhaaft, dat zij enkele tekstuele aanpassingen heeft verricht en dat zij enkele bijlagen heeft toegevoegd. Het beginsel van hoor en wederhoor is daarmee op deugdelijke wijze door de deskundige in acht genomen. De (ongenummerde) grief faalt.
De slotsom is dat de rechtbank haar beslissing niet verder hoefde te motiveren dan zij heeft gedaan. [gedaagde in verzet] heeft de bevindingen en conclusies van de deskundige onvoldoende gemotiveerd betwist. In de gehele toelichting bij deze grief ziet het hof geen aanknopingspunten voor het oordeel dat [gedaagde in verzet] de overwegingen en de beslissing van de rechtbank over de hoogte van de door [gedaagde in verzet] aan NBD te betalen schadevergoeding op enig onderdeel op goede gronden bestrijdt. Grief 4 faalt.
4De uitspraak
De boeken moeten open
Deze zaak is niet echt verenigingsrecht maar procesrecht. De rechter beveelt een huurdersvereniging en de bestuursleden (hoofdelijk) om binnen 7 dagen financiële verantwoording af te leggen aan de woningbouwstichting, op straffe van een dwangsom van € 10.000 – hoofdelijk. Ik hoop voor de bestuursleden dat de administratie compleet is. De rechter oordeelt dat er”door Huurdersvereniging Lochem c.s. niet, althans niet onderbouwd, is weersproken dat door haar voorzitter, , twee zogeheten verantwoordingsdocumenten zijn vervalst en er gebruik werd gemaakt van twee resultatenrekeningen, een voor intern gebruik en de ander voor extern gebruik. Ook is erkend dat er “zaken buiten de boeken” werden gehouden. “. N.b. de zes andere bestuursleden worden ook hoofdelijk veroordeelt, dus grote kans dat bijv. een algemeen bestuurslid € 10.000 moet betalen door deze actie van de voorzitter. Ik merk ook maar op dat zes van de zeven bestuursleden niet waren ‘verschenen’ in de procedure (dus niet hadden gereageerd) dus die hebben /hadden de deurwaarder op de stoep staan met het veroordelend vonnis.
De beoordeling
In het incident ex artikel 843a Rv
De beslissing
-
Administratiekosten
-
Juridische bijstand
-
Inhuur derden
-
Huisvestingskosten
-
Kantoorkosten
-
Automatiseringskosten
-
Representatiekosten
-
Kantinekosten
-
Telefoon- en internetkosten
-
Huur postbus
-
Porti
-
Bezorgkosten
-
Bestuurskosten
-
Opleidingskosten
-
Reis- en verblijfskosten
-
Drukwerkkosten
-
Advertentiekosten
-
Bankkosten
-
Kosten koepel HVG/HVL
-
Abonnementen/Contributies
-
Donaties