Persoonlijke aansprakelijkheid bestuursleden

Rechtbank Midden-Nederland 6 september 2017
ECLI:NL:RBMNE:2017:4373

Deze zaak gaat over bestuursaansprakelijkheid bij een vereniging, maar de omstandigheden zijn atypisch. Het gaat over een bedrijventerrein dat wordt ontwikkeld door drie bedrijven die de ” ontwikkelingscombinatie” vormen, waarbij een (gewone) vereniging wordt opgericht om de gemeenschappelijke voorzieningen in eigendom te krijgen en te beheren. Van drie (van de vier) bedrijven wordt een werknemer bestuurslid van de vereniging. De vereniging koopt de riolering op het bedrijventerrein voor € 1 van de ontwikkelingscombinatie. De riolering is (bij oplevering) al gebrekkig, en de kosten voor herstel zijn € 500.000. Uiteindelijk komen de kopers van de bedrijfsruimtes, als leden, in actie, vormen een nieuw bestuur, en de vereniging stelt de oude bestuursleden persoonlijk aansprakelijk.

De rechter wijst de vorderingen af. De bestuursleden kunnen, volgens de rechter, geen persoonlijk ernstig verwijt gemaakt worden. ” Wat [de vereniging] betreft is de eerst verantwoordelijke daarvoor de ontwikkelingscombinatie. Daarom ligt het voor de hand dat [de vereniging] in eerste instantie de ontwikkelingscombinatie aanspreekt tot vergoeding van haar schade op grond van wanprestatie, en niet (direct) haar voormalige bestuurders. Dit geldt temeer omdat renovatie van de riolering volgens [de vereniging s] mogelijk € 500.000 zal gaan kosten en het verhalen daarvan op [de bestuursleden] zeer ingrijpende gevolgen kan hebben voor hen en hun families. “Ook als [de ontwikkelingscombinatie niet aansprakelijk kan worden gesteld] treft [de bestuursleden] niet een voldoende ernstig verwijt. Daarbij gaat de rechtbank er, ook veronderstellenderwijs, vanuit dat het voor de leden van [eiseres] in 2012 al wel voldoende duidelijk moet zijn geweest dat de ontwikkelingscombinatie haar vermoedelijk een gebrekkig rioleringsstelsel heeft geleverd. [De ALV had toen op twee manieren in actie kunnen komen.] De algemene ledenvergadering van [de vereniging] heeft echter nagelaten om een van deze twee wegen te bewandelen en ook dat kan haar worden verweten.”

Naar mijn mening gaat de rechter hier ver buiten het kader voor het beoordelen van een persoonlijk ernstig verwijt, zoals gesteld in het (overigens wel door de rechter aangehaalde) arrest Staleman / Van de Ven van de Hoge Raad. Of het schadebedrag groot is, en of moeten betalen van schadevergoeding ernstige gevolgen heeft voor de bestuursleden, kan hooguit een grond zijn voor rechtelijke matiging (artikel 6:109 BW), maar staat volkomen los van de vraag of aan de bestuursleden een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt – en dat nog afgezien van de mogelijke aanwezigheid van een bestuursaansprakelijkheidsverzekering. Ook het beroep op eigen schuld van de ALV, staat volkomen los van aansprakelijkheid (artikel 2:9 BW), en kan hooguit relevant zijn voor rechtelijke matiging en omvang van de vergoedingsplicht (artikel 6:101 lid 1 BW). Tot slot blijft het meest opvallende aspect onderbelicht, namelijk dat de bestuursleden kennelijk werknemers waren in de uitoefening van hun functie. Men kan dan denken aan werkgeversaansprakelijkheid, artikel 6:170 BW, inclusief de regeling van draagplicht in artikel 6:170 lid 3.

Vonnis van 6 september 2017

in de zaak van
de vereniging [eiseres] ,

tegen 1 [gedaagde sub 1] ,
2. [gedaagde sub 2],

Partijen zullen hierna [eiseres] , [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] genoemd worden.

2De feiten

2.1.

In 2006 zijn vier vastgoedontwikkelaars een samenwerkingsverband aangegaan (hierna: de ontwikkelingscombinatie). De ontwikkelingscombinatie heeft op 3 juli 2006 industriegrond aangekocht aan de [locatie] in [vestigingsplaats] met het doel een perceel van ongeveer 3 ha te bebouwen met bedrijfspanden (hierna: het bedrijvenpark).
2.2.

De participatie in de ontwikkelingscombinatie was als volgt:
  • [bedrijfsnaam 1] BV (hierna: [bedrijfsnaam 1] ): 40%
  • [bedrijfsnaam 2] BV (hierna: [bedrijfsnaam 2] ): 30%
  • [bedrijfsnaam 3] (hierna: [bedrijfsnaam 3] ): 20%
  • [bedrijfsnaam 4] : 10%.

2.3.

Op 31 januari 2007 is [eiseres] opgericht. Vanaf die datum bestond het bestuur van [eiseres] uit drie personen die tegelijkertijd verbonden waren aan de ontwikkelingscombinatie: [gedaagde sub 1] (werkzaam bij [bedrijfsnaam 3] ) werd voorzitter van [eiseres] , [gedaagde sub 2] (werkzaam bij [bedrijfsnaam 1] ) werd penningmeester en de heer [A] (werkzaam bij [bedrijfsnaam 2] ; hierna: [A] ) werd secretaris.
2.4.

De statuten van [eiseres] (hierna: de statuten) luiden, voor zover in deze procedure relevant, als volgt:
‘[…] Artikel 3
  1. Het doel van de vereniging is het in eigendom verkrijgen, beheren en onderhouden van één of meer ontsluitingswegen en de tot gemeenschappelijk gebruik bestemde voorzieningen gelegen op het “Bedrijvenpark [eiseres] ”.
  2. Zij tracht dit doel onder meer te bereiken door:
a. het in eigendom verwerven, beheren, onderhouden en zo nodig vernieuwen van de ontsluitingswegen en de voor gemeenschappelijk gebruik bestemde zaken, leidingen, rioleringen en andere voorzieningen op, in, aan en boven het park “Bedrijvenpark [eiseres] ”;
b. […].’

2.5.

In het kader van de werkzaamheden van de ontwikkelingscombinatie heeft [gedaagde sub 1] zich bezig gehouden met de verkoop van ongeveer 60 objecten in het bedrijvenpark (hierna: de bedrijfsunits) en heeft hij meegewerkt aan de ontwikkeling ervan. Ook [gedaagde sub 2] heeft meegewerkt aan de ontwikkeling van het bedrijvenpark. Directievoerder namens de ontwikkelingscombinatie was de heer [B] (hierna: [B] ), werkzaam bij [bedrijfsnaam 2] .


2.6.

In opdracht van [bedrijfsnaam 2] heeft [bedrijfsnaam 5] B.V. een bestek/werkomschrijving gemaakt voor het woonrijp maken van het terrein van het bedrijvenpark (hierna: de werkomschrijving). In de werkomschrijving, gedateerd 23 oktober 2007, staat, voor zover in deze procedure relevant, het volgende:
‘[…] 3 EISEN / TECHNISCHE BEPALINGEN
[…]
1.5

Rapportage riolering
01. De beoordeling van de toestandsaspecten ten behoeve van de rapportage als bedoeld in artikel 25.12.06 van de Standaard 2005, vindt plaats conform de normen van de NEN 339.
[…]
06. Wanneer uit het rioolonderzoek in onderstaande categorieën één van de volgende schadeclassificaties geconstateerd wordt dient de aannemer de schade onverwijld te herstellen op aanwijzing van de directie.
[…]
07. Direct na reparatie van geconstateerde gebreken dient er een nieuwe inspectie plaats te vinden op kosten van de aannemer. […]’
2.7.

Het bedrijvenpark en de daarbij horende infrastructuur, waaronder het rioleringsnetwerk, is in opdracht van de ontwikkelingscombinatie aangelegd door Aannemersbedrijf [naam aannemersbedrijf] uit [vestigingsplaats] (hierna: de aannemer). Vanaf begin mei 2008 heeft de ontwikkelingscombinatie bedrijfsunits voor gebruik ter beschikking gesteld aan de respectievelijke kopers. Ook de bij het bedrijvenpark horende infrastructuur is, voor zover die gereed was, vanaf begin mei 2008 in gebruik gekomen. Iedere koper van een bedrijfsunit is (verplicht) lid geworden van [eiseres] .
2.8.

Op 10 december 2010 heeft de aannemer het bedrijvenpark opgeleverd aan de ontwikkelingscombinatie. Bij de oplevering, waar namens de ontwikkelingscombinatie aanwezig waren [gedaagde sub 1] , [B] en de heer [C] (werkzaam bij [bedrijfsnaam 1] ), is met de aannemer een onderhoudstermijn overeengekomen die afliep op 10 maart 2011. In een zogenoemd proces-verbaal van oplevering dat is ondertekend namens de aannemer en de ontwikkelingscombinatie (hierna: het proces-verbaal van oplevering) is aangetekend dat de rioolinspectie nog niet gereed was.
2.9.

Hierna zijn de bedrijfsunits juridisch geleverd aan de kopers. Daarnaast is een aantal percelen op het bedrijvenpark, zoals parkeerterreinen, door de kopers van de bedrijfsunits in gemeenschappelijke eigendom verkregen. Die percelen zijn bij notariële akte bestemd tot gemeenschappelijk nut, waardoor mandeligheid is ontstaan (zie artikel 5:60 BW).
2.10.

In de periode van mei 2008 tot 30 augustus 2011 zijn bij eigenaren van de bedrijfsunits op het bedrijvenpark waterschades ontstaan. Klachten hierover zijn behandeld door [gedaagde sub 1] .
2.11.

De ontwikkelingscombinatie heeft een deel van de infrastructuur van het bedrijvenpark voor € 1 exclusief btw verkocht aan [eiseres] . De ontwikkelingscombinatie heeft dat deel van de infrastructuur op 30 augustus 2011 geleverd aan [eiseres] . In de akte van levering staat het volgende:
‘[…] LEVERING, REGISTERGOED, GEBRUIK
Verkoper heeft blijkens een met koper mondeling aangegane koopovereenkomst aan koper verkocht en levert op grond daarvan aan koper, die blijkens voormelde overeenkomst van verkoper heeft GEKOCHT en bij deze AANVAARDT:
het trottoir rondom het transformatorhuisje alsmede de wegen op het bedrijvenpark [eiseres] , uitmakend zodanig gedeelte van het perceel kadastraal bekend gemeente [naam gemeente] sectie [sectie-aanduiding] nummer [nummeraanduiding] , als respectievelijk diagonaal gearceerd is aangegeven op een aan deze akte gehechte en door partijen voor “gezien” getekende situatietekening 1 (bijlage 1) en dubbeldiagonaal en met “kavel wegen I” en “kavel wegen II” is aangegeven op een aan deze akte gehechte en door partijen voor “gezien” getekende situatie twee (bijlage 2).
hierna ook te noemen het verkochte, door koper te gebruiken als eigen weg. […]
[…]’

2.12.

De ontwikkelingscombinatie heeft de kosten voor de gehele infrastructuur, die de aannemer bij haar in rekening heeft gebracht, doorberekend in de prijzen van de door haar verkochte bedrijfsunits.
2.13.

In 2011, na de hiervoor genoemde levering op 30 augustus 2011, is [A] in verband met emigratie naar het buitenland afgetreden als bestuurslid van [eiseres] .
2.14.

Na 30 augustus 2011 hebben eigenaren van bedrijfsunits op het bedrijvenpark bij [gedaagde sub 1] geklaagd over wateroverlast en verzakkingen.
2.15.

Begin 2012 hadden de bestuursleden van [eiseres] de wens uitgesproken dat er een nieuw bestuur werd benoemd, te vormen uit eigenaren van de bedrijfsunits. Mede in verband daarmee heeft op 20 februari 2012 een ledenvergadering plaatsgevonden. Geen van de eigenaren van de bedrijfsunits op het bedrijvenpark/leden van [eiseres] wilde zitting nemen in het bestuur van [eiseres] . Hierdoor is binnen [eiseres] een patstelling ontstaan en is een aantal jaren niets gedaan aan onderhoud of herstel van de infrastructuur, met uitzondering van enkele incidenten waarvoor acuut herstel noodzakelijk was.
2.16.

Kort na de ledenvergadering van 20 februari 2012 is [gedaagde sub 2] afgetreden als bestuurslid van [eiseres] . Vanaf dat moment was [gedaagde sub 1] het enige bestuurslid.
2.17.

In 2015 hebben enkele eigenaren van de bedrijfsunits (hierna: de groep van eigenaren) besloten dat er iets gedaan moest worden aan de infrastructuur en de inmiddels slapende vereniging [eiseres] . In verband daarmee hebben zij bij de ontwikkelingscombinatie stukken over de aanleg van de infrastructuur opgevraagd. Vervolgens is aan de groep van eigenaren een inspectierapport verstrekt over het riool op het bedrijvenpark, gedateerd 3 juli 2009, met de daarbij horende videobeelden. Dit inspectierapport en de videobeelden worden hierna gezamenlijk aangeduid als het rioolinspectieverslag. Het rioolinspectieverslag is opgemaakt door [bedrijfsnaam 6] B.V. in opdracht van de aannemer.
2.18.

De groep van eigenaren heeft vervolgens het bureau [bedrijfsnaam 7] B.V. opdracht gegeven om op basis van het rioolinspectieverslag te beoordelen of het aangelegde riool voldoet aan de geldende eisen en normen en of het riool voldoende kan functioneren. Van zijn onderzoek heeft de heer [D] (hierna: [D] ) van [bedrijfsnaam 7] B.V. een rapport opgesteld, gedateerd 29 september 2015 (hierna: het rapport van [D] ).
2.19.

De conclusies in het rapport van [D] luiden als volgt:

‘[…] 5. ResuméDe opleveringsinspectie bevat diverse toestandsaspecten (infiltratie van grondwater, scheurvorming, bezonken afzetting), waar ingrijpen/vervolgactie het advies is. De ligging van 5 van de 52 strengen in het geïnspecteerde rioolstelsel voldoen aan de gestelde RAW eisen. (op basis van de beschikbare hellinghoekgrafieken). De ligging van 29 van de 52 rioolstrengen heeft een grotere effectieve afwijking dan het criterium van 10% van de diameter van de buis ten opzichte van de ideale lijn.De totale indruk van het aangelegde stelsel is dat het stelsel een onvoldoende kwaliteit bezit die van een nieuw aangelegd stelsel verwacht mocht worden (op basis van de inspectiegegevens van 2009). Met name de ligging van de rioolstrengen is verre van acceptabel, zeker in het DWA-stelsel gaat de afwijkende ligging (met een maximum van 156%) leiden tot vuilophoping met totale verstopping tot gevolg.Acties benodigd om een voldoende functionerend stelsel te verkrijgen

De infiltraties van grondwater repareren.

De obstakels in de standpijp en putten verwijderen

De scheurvorming repareren

De strengen die niet aan de eisen met betrekking tot ligging voldoen dienen opnieuw met de juiste ligging aangelegd (herlegd) te worden of aanvullend gereinigd te worden op basis van de reguliere reinigingsfrequentie opgenomen in het onderhoudsplan. […]’


2.20.

Naar aanleiding van het rapport van [D] heeft de groep van eigenaren het initiatief genomen voor het houden van een algemene ledenvergadering van [eiseres] , die heeft plaatsgevonden op 1 maart 2016. Tijdens deze algemene ledenvergadering is [gedaagde sub 1] afgetreden als het enige nog zittende bestuurslid, zonder dat aan hem decharge is verleend. Ook is toen een nieuw bestuur geïnstalleerd en heeft de algemene ledenvergadering besloten de oud-bestuursleden aansprakelijk te stellen voor de schade die het gevolg is van het door hen gevoerde beleid.
2.21.

Door middel van brieven van 23 maart 2016 heeft [eiseres] [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] aansprakelijk gesteld voor haar schade die het gevolg is van de omstandigheid dat zij namens [eiseres] de riolering hebben geaccepteerd.

3Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert samengevat – dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
  1. Voor recht verklaart dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] in hun hoedanigheid van bestuurders van [eiseres] onrechtmatig hebben gehandeld door verwijtbaar tekort te schieten in de behoorlijke vervulling van hun bestuurstaak en uit dien hoofde hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die [eiseres] als gevolg daarvan lijdt, nader op te maken bij staat.
  2. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk veroordeelt tot vergoeding aan [eiseres] van de door [eiseres] gemaakte redelijke kosten ter vaststelling van de schade, bestaande uit de kosten voor het rapport van [D] van € 1.698,54.
  3. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de achtste dag na het eindvonnis.
3.2.

Aan haar vorderingen legt [eiseres] onbehoorlijke taakvervulling (artikel 2:9 BW) ten grondslag. [eiseres] maakt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] twee verwijten. Het eerste verwijt houdt in dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] , als leden van het toenmalige bestuur van [eiseres] , de infrastructuur van het bedrijvenpark in 2011 niet zonder voorbehoud hadden mogen accepteren, omdat zij pas veel later dan 30 augustus 2011 (de datum van oplevering aan [eiseres] ) het rioolinspectieverslag hebben ontvangen. Ook als komt vast te staan dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] het rioolinspectieverslag voor laatstgenoemde datum hebben ontvangen, hadden zij de infrastructuur niet zonder voorbehoud namens [eiseres] mogen accepteren, gelet op de gebreken die blijken uit het rioolinspectieverslag en het rapport van [D] . Door dat wel te doen hebben [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ernstig verwijtbaar gehandeld. Het tweede verwijt luidt dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] na ontvangst van diverse klachten over wateroverlast en verzakkingen nooit namens [eiseres] bij de ontwikkelingscombinatie hebben geklaagd en de ontwikkelingscombinatie niet aansprakelijk hebben gesteld. Ook van het nalaten hiervan kan hen een ernstig verwijt worden gemaakt.
Reparatie van de infrastructuur, inclusief de mandelige terreinen bedraagt ongeveer
€ 500.000. Exclusief de mandelige terreinen is dit ongeveer € 350.000.

3.3.

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] voeren verweer en concluderen tot (samengevat) afwijzing van de vorderingen. [gedaagde sub 1] verzoekt de rechtbank [eiseres] te veroordelen in de proceskosten. [gedaagde sub 2] verzoekt de rechtbank [eiseres] te veroordelen, uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten en tot vergoeding van zijn nakosten, beide te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de 15e dag na het vonnis.
3.4.

Volgens [gedaagde sub 1] heeft [eiseres] haar klachtplicht (artikel 6:89 BW) geschonden, althans is sprake van rechtsverwerking. Voor het geval deze verweren niet slagen stelt [gedaagde sub 1] zich op het standpunt dat hem geen persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. Ter onderbouwing daarvan betoogt [gedaagde sub 1] over het eerste verwijt van [eiseres] het volgende. Op [gedaagde sub 1] rustte geen verdergaande verplichting dan de plicht om te controleren of het werk deugdelijk was opgeleverd. Dat heeft hij gedaan. Bij de oplevering aan de ontwikkelingscombinatie op 10 december 2010 heeft hij met de aannemer afgesproken dat het rioolinspectieverslag binnen drie maanden zou worden nageleverd. Directievoerder [B] heeft het rioolinspectieverslag in het voorjaar van 2011 ontvangen en het was zijn taak om dat verslag te beoordelen. In het voorjaar van 2011 heeft [gedaagde sub 1] uitvoerig telefonisch met [B] gesproken over zijn beoordeling van het rioolinspectieverslag en [B] heeft hem toen verteld dat hij tevreden was over het rioolinspectieverslag. Op het moment van overdracht van de infrastructuur aan [eiseres] waren er ook geen klachten die aanleiding gaven tot een technisch onderzoek, het maken van een voorbehoud of tot het weigeren van medewerking aan de overdracht. Verder blijkt uit niets dat het riool bij oplevering non-conform was. Het rapport van [D] is gebaseerd op onjuiste uitgangspunten en [eiseres] heeft aan dat rapport onjuiste conclusies verbonden. In het rapport van [D] is miskend dat de norm NEN 3399 nog niet bestond. De ontwikkelingscombinatie en de aannemer zijn niet overeengekomen dat de riolering moest worden aangelegd in overeenstemming met de bepalingen uit de Standaard RAW 2005. Over het tweede verwijt van [eiseres] voert [gedaagde sub 1] het volgende aan. De klachten van eigenaren van de bedrijfsunits gingen over het algemeen over percelen die in eigendom toebehoorden aan de leden van [eiseres] of door middel van een mandeligheid gemeenschappelijk eigendom waren. [eiseres] stond daar buiten. Daarom was er geen aanleiding voor [eiseres] om te klagen bij de ontwikkelingscombinatie of om haar aansprakelijk te stellen. Over beide verwijten van [eiseres] betoogt [gedaagde sub 1] dat [eiseres] de ontwikkelingscombinatie had moeten aanspreken. Nu zij dat heeft nagelaten is sprake van eigen schuld. Daarnaast heeft [gedaagde sub 1] de stellingen die namens [gedaagde sub 2] zijn ingenomen tot de zijne gemaakt.
3.5.

[gedaagde sub 2] neemt het standpunt in dat het bestuur waarvan hij deel uitmaakte geen (ernstig) verwijt kan worden gemaakt. [eiseres] had de ontwikkelingscombinatie moeten aanspraken en niet, na jarenlang te hebben stilgezeten, twee ex-bestuurders van [eiseres] . Over het eerste verwijt van [eiseres] betoogt [gedaagde sub 2] verder het volgende. Op het moment van de levering van de infrastructuur aan [eiseres] waren bij het bestuur geen gebreken aan de infrastructuur bekend. Het bestuur kon ook niet bekend zijn met dergelijke gebreken omdat het rioolinspectieverslag nooit aan [eiseres] ter beschikking is gesteld. Bovendien zegt het rioolinspectieverslag (van 3 juli 2009) niets over de staat van de op 30 augustus 2011 aan [eiseres] geleverde infrastructuur, omdat deze levering ruim twee jaar later heeft plaatsgevonden. Het rapport van [D] is niet objectief. Bovendien blijkt uit dit rapport dat de in 2009 uitgevoerde rioolinspectie van onvoldoende kwaliteit was. Daarom kan noch op grond van het rioolinspectieverslag noch op grond van het rapport van [D] iets zinnigs worden afgeleid over de feitelijke staat van de infrastructuur in juni 2009, laat staan over de feitelijke staat van de infrastructuur die op 30 augustus 2011 aan [eiseres] is geleverd. Op het moment van levering was die infrastructuur niet gebrekkig. Voor zover er sprake is van gebreken zijn die veroorzaakt door het niet, althans onvoldoende onderhouden van de infrastructuur door [eiseres] . Dit is een gevolg van het stilzitten van de leden omdat [eiseres] , zonder besluiten van de algemene vergadering, een slapende vereniging was. Als de infrastructuur van [eiseres] werkelijk zo gebrekkig was geweest als [eiseres] stelt, hadden de leden van [eiseres] met het oog op de op hen rustende schadebeperkingsplicht al veel eerder een algemene vergadering moet bijeenroepen en moeten besluiten dat er herstelwerkzaamheden en/of onderhoudswerkzaamheden moesten worden uitgevoerd. Het bestuur van [eiseres] had dat besluit vervolgens moeten uitvoeren, maar de rekening daarvan zou uiteindelijk door de leden moeten worden voldaan (zie artikel 5 lid 1 van de statuten). Ook over het tweede verwijt van [eiseres] stelt [gedaagde sub 2] zich op het standpunt dat hem geen verwijt kan worden gemaakt. Ofwel de vordering van [eiseres] op de ontwikkelingscombinatie bestaat nog, en in dat geval kan alsnog een rechtsvordering worden ingesteld en lijdt [eiseres] geen schade, ofwel die rechtsvordering is verjaard. Als sprake is van verjaring, is het huidige bestuur van [eiseres] daarvoor verantwoordelijk
3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4De beoordeling

4.1.

In opdracht van de ontwikkelingscombinatie heeft de aannemer in het bedrijvenpark een rioleringsstelsel aangelegd. Een van de statutaire doelen van [eiseres] is het verwerven en onderhouden van die riolering (artikel 3 van de statuten, zie 2.4). Uit de tekst van de dagvaarding leidt de rechtbank af dat [eiseres] er vanuit gaat dat zij sinds 30 augustus 2011 eigenaar is van het complete rioleringsstelsel van het bedrijvenpark. Gelet op het statutaire doel van [eiseres] ligt dat ook voor de hand, maar uit de (door [gedaagde sub 1] overgelegde) akte van levering (zie 2.11) blijkt dit niet. Die akte heeft geen betrekking op de levering van de riolering maar op die van twee wegen op het bedrijvenpark en een klein stukje stoep. [gedaagde sub 1] betoogt dat een deel van de klachten van eigenaren over wateroverlast en verzakkingen [eiseres] niet aangaan omdat zij betrekking hadden op percelen die in eigendom toebehoorden aan de leden van [eiseres] of door middel van een mandeligheid gemeenschappelijk eigendom waren. Hiermee suggereert hij dat [eiseres] slechts gedeeltelijk eigenaar is van de riolering van het bedrijvenpark. Dat lijkt echter in strijd te zijn met artikel 5:20 lid 2 BW, dat in werking is getreden op 1 februari 2007. Volgens die bepaling is de aanlegger van een net, waaronder een rioleringsnetwerk, of diens rechtsopvolger, eigenaar van dat net. Daaruit volgt dat de eigenaren van de grond waarin dat netwerk ligt niet door verticale natrekking (mede-)eigenaar van het net worden. [eiseres] is opgericht op 31 januari 2007. Volgens [gedaagde sub 1] is de aannemer in augustus 2007 gestart met de bouw van de bedrijfsunits en de infrastructuur van het bedrijvenpark. De werkomschrijving dateert van 23 oktober 2007. Of de aannemer inderdaad al in augustus 2007 begonnen is met zijn werkzaamheden kan dus worden betwijfeld. Vast staat in ieder geval wel dat de riolering van het bedrijvenpark na 1 februari 2007 is aangelegd (het moment waarop artikel 5:20 lid 2 BW in werking is getreden). De rechtbank gaat er hierna veronderstellenderwijs vanuit dat eerst de vier leden van de ontwikkelingscombinatie (of een van hen) gezamenlijk eigenaar van het complete rioleringsnetwerk zijn geworden dat zich in de grond van het bedrijvenpark bevindt, en dat de ontwikkelingscombinatie op of omstreeks 30 augustus 2011 de eigendom daarvan heeft overgedragen aan [eiseres] .

4.2.

Met inachtneming van het voorgaande rustte op het bestuur van [eiseres] de collectieve taak om te controleren of de door haar te verwerven riolering deugdelijk was, dat wil zeggen dat het complete rioleringsstelsel van het bedrijvenpark voldeed aan de eisen die daaraan mochten worden gesteld. Gelet op de vorderingen van [eiseres] moet worden beoordeeld of [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] in de uitvoering van die taak tekort zijn geschoten en of hen daarvan een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Of dat het geval is hangt af van alle omstandigheden van het geval, waaronder a) de door de rechtspersoon uitgeoefende activiteiten, b) de in het algemeen daaruit voortvloeiende risico’s, c) de taakverdeling binnen het bestuur, d) de eventueel voor het bestuur geldende richtlijnen, e) de gegevens waarover de bestuurder beschikte of behoorde te beschikken ten tijde van de aan hem verweten beslissingen of gedragingen en f) het inzicht en de zorgvuldigheid die mogen worden verwacht van een bestuurder die voor zijn taak berekend is en deze nauwgezet vervult (Hoge Raad 10 januari 1997, NJ 1997, 360, Staleman/ vd Ven ECLI:NL:HR:1997:ZC2243).
4.3.

Bij de beoordeling van de vraag of [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] tekort zijn geschoten in de hiervoor genoemde taak is van belang dat zij twee petten op hadden, namelijk die van ontwikkelaar van het bedrijvenpark en die van bestuurder van [eiseres] . Doordat zij als projectontwikkelaars, verbonden aan de ontwikkelingscombinatie, bepaalde kennis en ervaring hadden, hadden zij die kennis en ervaring ook in hun hoedanigheid van bestuurslid van [eiseres] .
4.4.

In de werkomschrijving zijn eisen gesteld aan de riolering van het bedrijvenpark (zie 2.6). Uit die eisen blijkt dat er een inspectie moest plaatsvinden van het riool en dat, als in een of meer van de daar genoemde categorieën een met een cijfer aangeduide schadeclassificatie werd geconstateerd, de aannemer die schade onmiddellijk moest herstellen op aanwijzing van de directievoerder van de ontwikkelingscombinatie ( [B] ). [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben allebei meegewerkt aan de ontwikkeling van het bedrijvenpark. In verband daarmee moeten zij worden geacht op de hoogte te zijn geweest van de inhoud van de werkomschrijving en dus ook van de daarin opgenomen voorwaarde dat een rioolinspectie moest worden uitgevoerd. Ook moeten zij hebben geweten dat als een of meer van de in de werkomschrijving genoemde schadeclassificaties zou worden geconstateerd, de aannemer dat onmiddellijk zou moeten herstellen en dat er na reparatie een nieuwe rioolinspectie moest plaatsvinden.
4.5.

Bij de oplevering van het bedrijvenpark aan de ontwikkelingscombinatie op 10 december 2010 was [gedaagde sub 1] aanwezig, samen met directievoerder [B] en nog een derde persoon. [gedaagde sub 1] was een van de ondertekenaars van het proces-verbaal van oplevering. In dat proces-verbaal van oplevering is aangetekend dat de rioolinspectie nog niet gereed was. Volgens [gedaagde sub 1] heeft hij toen met de aannemer afgesproken dat het rioolinspectieverslag binnen drie maanden aan de ontwikkelingscombinatie zou worden verstrekt. [gedaagde sub 1] voert ook aan dat het tot de taak van [B] als directievoerder van de ontwikkelingscombinatie behoorde om het rioolinspectieverslag te beoordelen. [eiseres] heeft dit laatste niet weersproken en het is ook aannemelijk dat een directievoerder zoals [B] belast is met de beoordeling van een rioolinspectieverslag. Niet gesteld of gebleken is dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zelf rioolinspectieverslagen beoordelen en ook niet dat zij daartoe in staat zijn of zouden moeten zijn. Het voorgaande brengt mee dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] in het kader van hun controle op de deugdelijkheid van de door [eiseres] te verwerven riolering mochten vertrouwen op het oordeel van [B] over het rioolinspectieverslag van het bedrijvenpark.

4.6.

Gelet op de taakverdeling binnen de ontwikkelingscombinatie moet er ook van worden uitgegaan dat het tot de taak van [gedaagde sub 1] behoorde om over de rioolinspectie tijdig (voldoende) kritische vragen te stellen aan [B] . Dit geldt zowel voor zijn hoedanigheid van betrokkene bij de ontwikkelingscombinatie als voor zijn hoedanigheid van bestuurder van [eiseres] , die de riolering zou verwerven. 
[gedaagde sub 2] was binnen de ontwikkelingscombinatie niet betrokken bij de oplevering van het bedrijvenpark. Hij kon in zijn hoedanigheid van bestuurder van [eiseres] met het oog op zijn controle op de deugdelijkheid van de door [eiseres] te verwerven riolering volstaan met het tijdig stellen van (voldoende) kritische vragen aan [gedaagde sub 1] . Aangenomen moet echter worden dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] dit niet hebben gedaan, in ieder geval niet voordat de riolering van het bedrijvenpark aan [eiseres] werd geleverd (op of omstreeks 30 augustus 2011). [gedaagde sub 2] heeft namelijk niet gesteld dat hij [gedaagde sub 1] (of [B] ) enige vraag heeft gesteld over (de beoordeling van) de rioolinspectie. [gedaagde sub 1] voert aan dat de aannemer het rioolinspectieverslag in het voorjaar van 2011 aan [B] heeft gegeven en dat hij in die periode uitvoerig telefonisch overleg heeft gehad met [B] over zijn beoordeling van het rioolinspectieverslag. Volgens [gedaagde sub 1] heeft [B] hem toen meegedeeld dat hij over het rioolinspectieverslag tevreden was. De rechtbank kan niet uitgaan van de juistheid van deze stellingen. [gedaagde sub 1] heeft ter ondersteuning ervan geen enkel document in het geding gebracht. Een schriftelijke verklaring van [B] , een e-mail/brief van de ontwikkelingscombinatie aan de aannemer over de beoordeling van het rioolinspectieverslag of een rapport met een beoordeling van het rioolinspectieverslag door een eigen deskundige (vergelijkbaar met het rapport van [D] ) zijn niet overgelegd. Daarnaast wijst het rapport van [D] erop dat als het rioolinspectieverslag in het voorjaar van 2011 door de aannemer aan [B] was verstrekt en toen was beoordeeld door [B] of een derde-deskundige in opdracht van [B] , het moeilijk voorstelbaar is dat [B] daarover tevreden kan zijn geweest.
4.7.

De vragen of [B] in het voorjaar van 2011 het rioolinspectieverslag heeft beoordeeld, of hij daarover tevreden was en of [gedaagde sub 1] dat toen besproken heeft met [B] , hoeven echter niet nader te worden onderzocht. Want ook als wordt verondersteld dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] in hun hoedanigheid van bestuurders van [eiseres] nalatig zijn geweest bij de uitoefening van hun (collectieve) taak om te controleren of de door [eiseres] te verwerven riolering deugdelijk was, treft hen in die hoedanigheid geen ernstig verwijt in de zin van artikel 2:9 BW. Dit wordt hierna toegelicht.
4.8.

Het rioleringsstelsel is in opdracht van de ontwikkelingscombinatie door de aannemer aangelegd. Daarna heeft [eiseres] het rioleringsstelsel gekocht van de vier vennootschappen die de ontwikkelingscombinatie hebben gevormd. Het rapport van [D] bevat sterke aanwijzingen voor de conclusie dat de riolering van het bedrijvenpark (al) op het moment van levering daarvan door de ontwikkelingscombinatie aan [eiseres] , niet voldeed aan de eisen die daaraan mogen worden gesteld. 
Wat [eiseres] betreft is de eerst verantwoordelijke daarvoor de ontwikkelingscombinatie. Daarom ligt het voor de hand dat [eiseres] in eerste instantie de ontwikkelingscombinatie aanspreekt tot vergoeding van haar schade op grond van wanprestatie, en niet (direct) haar voormalige bestuurders. Dit geldt temeer omdat renovatie van de riolering volgens [eiseres] mogelijk € 500.000 zal gaan kosten en het verhalen daarvan op [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zeer ingrijpende gevolgen kan hebben voor hen en hun families. Dat een aansprakelijkstelling van de ontwikkelingscombinatie door [eiseres] voor laatstgenoemde succesvol kan zijn, of succesvol had kunnen zijn als [eiseres] in 2016 actie tegen de ontwikkelingscombinatie had ondernomen, valt bepaald niet uit te sluiten. Dit geldt ook als de ontwikkelingscombinatie zich in dat geval beroept of zou hebben beroepen op verjaring en/of schending van de klachtplicht. 
Pas na kennisneming van het rapport van [D] is het [eiseres] immers voldoende duidelijk geworden dat de riolering naar het zich laat aanzien gebrekkig is. [eiseres] heeft de ontwikkelingscombinatie echter niet aansprakelijk gesteld en dat kan haar in haar verhouding tot [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] worden verweten. Bij de beoordeling van de vraag of [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] een ernstig verwijt treft weegt dit nalaten van [eiseres] zwaar in het nadeel van [eiseres] .
4.9.

Ook als – vooralsnog – veronderstellenderwijs wordt aangenomen dat een vordering van [eiseres] op de ontwikkelingscombinatie niet succesvol kan zijn, bijvoorbeeld wegens verjaring of rechtsverwerking wegens schending van de klachtplicht, treft [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] niet een voldoende ernstig verwijt. Daarbij gaat de rechtbank er, ook veronderstellenderwijs, vanuit dat het voor de leden van [eiseres] in 2012 al wel voldoende duidelijk moet zijn geweest dat de ontwikkelingscombinatie haar vermoedelijk een gebrekkig rioleringsstelsel heeft geleverd. Dit wordt hieronder toegelicht.
4.10.

Begin 2012 wilden [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] , de twee overgebleven bestuursleden van [eiseres] , aftreden. In verband daarmee hebben zij op 20 februari 2012 een ledenvergadering uitgeroepen. [eiseres] voert aan dat geen van de eigenaren van bedrijfsunits zitting wilde nemen in het bestuur van [eiseres] omdat zij het bestuur verantwoordelijk hielden voor de gebreken aan de infrastructuur. Echter, juist omdat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] wilden aftreden was dit hét moment voor de algemene ledenvergadering van [eiseres] om haar verantwoordelijkheid te nemen en ten opzichte van de ontwikkelingscombinatie actie te ondernemen.
4.11.

Daarvoor bestonden twee mogelijkheden, namelijk door middel van een nieuw te vormen bestuur of met handhaving van het zittende bestuur. Een nieuw te vormen bestuur had in 2012 een onderzoek kunnen laten uitvoeren zoals dat in 2015 is uitgevoerd door [D] . Ook had dat nieuwe bestuur de ontwikkelingscombinatie vervolgens aansprakelijk kunnen stellen en kunnen aansporen om alsnog deugdelijk na te komen, dat wil zeggen om de gebreken in het rioleringsstelsel te herstellen. Ook zonder een nieuw te vormen bestuur had de algemene ledenvergadering (in ieder geval) vanaf 2012 [gedaagde sub 1] (als het enige overgebleven bestuurslid) de opdracht kunnen geven dergelijke stappen te zetten. De algemene ledenvergadering van [eiseres] heeft echter nagelaten om een van deze twee wegen te bewandelen en ook dat kan haar worden verweten.
4.12.

De conclusie luidt dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] in hun hoedanigheid van bestuurder van [eiseres] niet een zodanig ernstig verwijt valt te maken van hun (veronderstelde) nalatigheid, dat de rekening voor het herstel van het rioleringsstelsel bij hen kan worden neergelegd. Daarom zijn [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] niet aansprakelijk voor de schade van [eiseres] en zullen de vorderingen van [eiseres] worden afgewezen.
4.13.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.
4.14

5De beslissing

De rechtbank
5.1.

wijst de vorderingen af,

Geen verplicht lidmaatschap (De Middelburcht)

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 15 oktober 2014

ECLI:NL:RBZWB:2014:9245 (online op 16 juni 2016)



Een flatcoöperatie, nu omgezet in een vereniging om fiscale redenen, probeert een bewoner aan het gestelde lidmaatschap van rechtswege te houden. De vereniging is echter geen VvE maar een Boek 2 vereniging en het splitsingsreglement bevat geen regeling inzake verplicht lidmaatschap in de zin van artikel 5:112 lid 3 BW. De kantonrechter is er vervolgens vrij snel klaar mee: ” een onopzegbare verplichting tot het aanhouden van het lidmaatschap van de vereniging strijdig is met het wettelijk stelsel waarvan artikel 2: 35 BW een weergave is” . Hij wijst de vorderingen af.


Hoger beroep: Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch 20 april 2016 (ECLI:NL:GHSHE:2016:1516)

Vonnis van de kantonrechter d.d. 15 oktober 2014
in de zaak van
de vereniging VERENIGING TOT VERLENING VAN DIENSTEN AAN DE BEWONERS VAN DE SERVICEFLAT “DE MIDDELBURCHT” U.A.,

rechtsopvolgster van de COÖPERATIE TOT VERLENING VAN DIENSTEN AAN DE BEWONERS VAN DE SERVICEFLAT “DE MIDDELBURCHT” U.A.,
handelend onder de naam SERVICEFLAT “DE MIDDELBURCHT”,
eisende partij,
verder te noemen: de vereniging,

t e g e n :
[gedaagde] ,

de beoordeling van de zaak

1.1.

De serviceflat “De Middelburcht” is een gebouw aan de Henry Dunantlaan te Middelburg. Bij notariële akte van 24 november 1972 is het gesplitst in 114 appartementen en is tevens de Vereniging van Eigenaars als bedoeld in (thans) artikel 5: 124 BW (verder: de VvE) opgericht.

1.2.

[gedaagde] is eigenaar van een appartement in “De Middelburcht” en van rechtswege lid van de VvE.
1.3.

Gelijktijdig met en naast de VvE is opgericht de “Coöperatie tot verlening van diensten aan de bewoners van de serviceflat “De Middelburcht” U.A.” (verder: de coöperatie). [gedaagde] was lid van de coöperatie.
1.4.

Om fiscale redenen is op 31 december 2013 de coöperatie omgezet in een “gewone” vereniging, namelijk eiseres. Op 13 december 2013 schreef [gedaagde] aan de VvE en aan de coöperatie geen lid te worden van de vereniging.
1.5.

Aan [gedaagde] zijn over januari tot en met mei 2014 bijdragen (servicekosten en voorschotten van stookkosten) in rekening gebracht die niet volledig zijn voldaan.

4.1.

Bij dagvaarding stelt de vereniging dat [gedaagde] als appartementseigenaar van rechtswege lid is van de vereniging en daardoor gehouden is tot betaling van de verschuldigde bijdragen.

4.2. De kantonrechter verwerpt dit standpunt. De vereniging is niet een vereniging van eigenaars waarvan de appartementseigenaren van rechtswege lid zijn volgens artikel 2: 125 lid 2 BW [n.b. bedoeld lijkt artikel 5:125 BW]. Ook bevat de akte van splitsing niet een regeling, krachtens welke aan alle of bepaalde appartementsrechten mede verbonden is het lidmaatschap van een andere, nader in het reglement omschreven vereniging of coöperatie, voor zover dit lidmaatschap in overeenstemming is met de statuten van die vereniging of coöperatie (artikel 5: 112 lid 3 BW). Daarvoor zijn onvoldoende de bepalingen in de akte van splitsing dat vervreemding van het appartementsrecht alleen mogelijk is aan personen die een schriftelijke verklaring kunnen overleggen van de coöperatie (de rechtsvoorganger van de vereniging dus) dat zij als lid van die vereniging zijn toegelaten en dat het gebruik van het appartementsrecht door een eigenaar slechts is toegestaan zolang hij lid is van de coöperatie (artikelen 3 lid 2 en 4). De statuten van de coöperatie (artikel 9) en van de vereniging (artikel 8) voorzien – gelet op artikel 2: 35 lid 1 juncto 2: 53a BW terecht – in de mogelijkheid van opzegging van het lidmaatschap door het lid waardoor het lidmaatschap eindigt.

5.1.

De vereniging voert bij dagvaarding ook aan dat krachtens de akte van splitsing [gedaagde] verplicht lid is van de vereniging.
5.2.

Dit standpunt miskent naar het oordeel van de kantonrechter dat een onopzegbare verplichting tot het aanhouden van het lidmaatschap van de vereniging strijdig is met het wettelijk stelsel waarvan artikel 2: 35 BW een weergave is (vergelijk gerechtshof Amsterdam 17 november 2005, NJ 2005, 571, waartegen het cassatieberoep is verworpen met toepassing van artikel 81 RO bij HR 7 september 2007, ECLI:NL:HR: 2007:BA9708). De brief van 13 december 2013 van [gedaagde] aan de VvE en de coöperatie moet worden opgevat als onmiddellijke opzegging van het lidmaatschap op grond van artikel 2: 36 lid 4 BW. Als gevolg daarvan was [gedaagde] geen lid van de vereniging in de periode waarop de vordering betrekking heeft. Anders dan de vereniging stelt, volgt uit de afname van gas voor verwarming en uit het gebruik van voorzieningen niet dat [gedaagde] ondanks de opzegging het lidmaatschap erkent. Het gebruik van het appartement is niet goed mogelijk zonder afname van gas en gebruik van voorzieningen.
6.1.

Voor het eerst bij repliek beroept de vereniging zich erop dat de redelijkheid en billijkheid eist dat [gedaagde] de door de leden vastgestelde bijdrage maandelijks en tijdig betaalt.
6.2.

De kantonrechter volgt de vereniging hierin niet omdat de beginselen van redelijkheid en billijkheid op zich geen rechtsgrond vormen voor een verplichting tot betaling van een door (de leden van) devereniging vastgestelde bijdrage. Van gehele of gedeeltelijke toewijzing van de vordering op grond van ongerechtvaardigde verrijking, met aanvulling van rechtsgronden, kan in dit geval geen sprake zijn. De vereniging voert daartoe te weinig feitelijke gronden aan.
7. Uit het voorgaande volgt dat de vordering niet toewijsbaar is. De vereniging dient als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten te worden veroordeeld.

de beslissing

De kantonrechter:

wijst de vordering af;

Bekend met onverschuldigde betaling (Prins Hendrik)

Gerechtshof Den Haag 9 februari 2016
ECLI:NL:GHDHA:2016:160

Quasi-VVE moet een bedrag betalen aan een bedrijf wegens “energieleveranties”. Huidig bestuur meent dat in 2008 onverschuldigd bedragen zijn betaald aan het bedrijf. De vordering uit onverschuldigde verjaring is echter verjaard.
“Het verweer van de Vereniging dat de betalingen in 2008 werden verricht door het oude bestuur van de Vereniging en dat het huidige bestuur van de Vereniging pas later (namelijk in 2009) bekend raakte met de vordering, gelet op het onrechtmatige karakter van de betalingen, wordt verworpen. Voor zover de Vereniging hiermee heeft willen betogen dat de subjectieve bekendheid van het huidige bestuur bepalend is voor de aanvang van de verjaringstermijn van deze vordering van de Vereniging, berust dit betoog op een onjuiste rechtsopvatting. Niet het bestuur is ‘de schuldeiser/betaler’ in voormelde zin, maar de Vereniging. “

Arrest d.d. 9 februari 2016
inzake  [] (zaak I) van:
[bedrijf], appellant, hierna te noemen: [D], tegen

de rechtspersoonlijkheid bezittende (sic!) vereniging
VERENIGING VAN EIGENAREN VAN CHALETS IN HET RECREATIEPARK FORT PRINS FREDERIK,
geïntimeerde, hierna te noemen: de Vereniging,

en

inzake [] (zaak II) van: [naam], appellant, hierna te noemen: [P],
tegen de rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging
VERENIGING VAN EIGENAREN VAN CHALETS IN HET RECREATIEPARK FORT PRINS FREDERIK, geïntimeerde, hierna te noemen: de Vereniging,

Beoordeling van het hoger beroep

1. Het hof blijft bij hetgeen in het tussenarrest van 29 september 2015 is overwogen.
Energieleveranties en buitengerechtelijke incassokosten (zaak I)
2. Omtrent de vordering van [D] wegens energieleveranties heeft het hof in voormeld tussenarrest (in rechtsoverweging 13) overwogen, dat deze vordering toewijsbaar is tot een bedrag van € 5.620,44, vermeerderd met de – niet weersproken – wettelijke rente vanaf 18 april 2013. […]
De tegenvordering van de Vereniging ten bedrage van € 9.000,– wegens onverschuldigde betaling (zaak I, reconventie).
5. De Vereniging vordert in hoofdsom veroordeling van [D] tot betaling van een bedrag van € 9.000,–. De Vereniging stelt daartoe dat tussen 31 maart 2008 en 15 mei 2008 diverse bedragen van de rekening van de Vereniging zijn overgeboekt naar [D] onder vermelding ‘Betaling facturen namens [D]’, ‘Voorschot’, ‘Spoedoverboeking. Voorschot [D] ’ en “Voorschot tbv [D]’ , zonder dat de Vereniging (jaren later) in haar administratie documenten hierover heeft aangetroffen ter onderbouwing van deze overboekingen. Het gaat in totaal om een bedrag van  € 9.000, — dat door de Vereniging onverschuldigd aan [D] is betaald, althans waarmee [D] ten koste van de Vereniging ongerechtvaardigd is verrijkt.

6. [D] heeft – voor het eerst in hoger beroep – een beroep gedaan op verjaring van deze vordering. Het hof oordeelt als volgt.
7. De vordering uit onverschuldigde betaling verjaart op grond van artikel 3:309 BW door verloop van vijf jaren nadat de schuldeiser (in dit geval de Vereniging) zowel met de onverschuldigdheid van zijn prestatie (de betaling) als met de persoon van de ontvanger ([D]) op de hoogte is gekomen. De vraag wanneer de schuldeiser bekend is met het bestaan van de vordering en met de persoon aan wie onverschuldigd is betaald moet subjectief worden beoordeeld, in die zin dat de schuldeiser werkelijk bekend moet zijn met het bestaan van zijn vordering en de persoon van de ontvanger.
8. Vast staat dat de betreffende betalingen tussen 31 maart 2008 en 15 mei 2008 door (het bestuur van) de Vereniging aan [D] zijn verricht. Ook staat vast dat de Vereniging de vordering uit onverschuldigde betaling méér dan vijf jaren nadien heeft ingesteld en dat de Vereniging daarvoor geen stuitingshandelingen heeft verricht. Naar het oordeel van het hof is de Vereniging daarom met deze vordering te laat.
9. Het verweer van de Vereniging dat de betalingen in 2008 werden verricht door het oude bestuur van de Vereniging en dat het huidige bestuur van de Vereniging pas later (namelijk in 2009) bekend raakte met de vordering, gelet op het onrechtmatige karakter van de betalingen, wordt verworpen. Voor zover de Vereniging hiermee heeft willen betogen dat de subjectieve bekendheid van het huidige bestuur bepalend is voor de aanvang van de verjaringstermijn van deze vordering van de Vereniging, berust dit betoog op een onjuiste rechtsopvatting. Niet het bestuur is ‘de schuldeiser/betaler’ in voormelde zin, maar de Vereniging. Zo er sprake is geweest van onverschuldigde betaling, moet de Vereniging op dat moment daarvan in dit geval de subjectieve bekendheid hebben gehad. Er zijn althans geen feiten of omstandigheden gesteld om hier anders over te oordelen. Het hof merkt in dit verband voor de volledigheid op dat de Vereniging in ieder geval niet heeft aangevoerd dat het oude bestuur niet bekend was met de vordering en de persoon van de ontvanger.
De omstandigheid dat later andere natuurlijke personen het bestuur van de Vereniging zijn gaan vormen, betekent niet dat deze subjectieve bekendheid dan pas aan de Vereniging kan worden toegerekend. Een andere rechtsopvatting zou bovendien als onlogische consequentie hebben dat de aanvang van een verjaringstermijn bij rechtspersonen volstrekt ongewis is.
10. De conclusie is dan ook dat de vordering uit onverschuldigde betaling is verjaard en moet worden afgewezen. Ditzelfde geldt overigens ook ingevolge artikel 3:310 BW, mocht de Vereniging bedoeld hebben om haar vordering subsidiair te baseren op ongerechtvaardigde verrijking (zie conclusie van eis in reconventie § 46). Overigens verdient in verband met dit laatste opmerking dat een vordering van deze strekking in het geheel niet is onderbouwd. 
Tussenconclusie.

Verplicht lidmaatschap (VVEP)

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH 15 november 2011
Online gepubliceerd op 19 november 2015
ECLI:NL:GHSHE:2011:5701 

Bungalowparkzaak, alsnog gepubliceerd. Arrest over de negatieve vrijheid van vereniging: het beginsel dat je niet gedwongen worden om lid te worden van een vereniging (met als belangrijkste uitzondering de boek 5 VVE en de publiekrechtelijke beroepsorganisaties). Hier gaat het om een bungalowpark zaak (quasi-VVE, d.w.z. boek 2 BW vereniging met een constructie om lidmaatschap te verplichten in leveringsakte). De overeenkomst om lid te worden is geldig en bindt het lid, het lid kan wel het lidmaatschap opzeggen. (Noot: latere jurisprudentie lijken op een doorbetalingsverplichting naar redelijkheid voor het lid op grond van ongerechtvaardigde verrijking bij profiteren van gezamenlijke voorzieningen van het bungalowpark zonder lidmaatschap – zie bijv. Hof ‘s-Hertogenbosch 5 oktober 2015 ).

arrest van de vijfde kamer van 15 november 2011
in de zaak van
1 [appellant 1] , mede als erfgenaam en/of gevolmachtigde van de erven van wijlen,
2. [erflaatster] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellanten,

tegen:
de rechtspersoonlijkheid bezittende (sic!) vereniging met volledige rechtsbevoegdheid [VVEP] ,
geïntimeerde,

op het bij exploot van dagvaarding van 18 maart 2010 ingeleide hoger beroep tegen het door de rechtbank Breda, sector kanton, locatie Breda, gewezen vonnis van 23 december 2009 tussen appellanten hierna: [appellant 1] dan wel [erflaatster] of, gezamenlijk, [appellanten c.s.] als gedaagden in conventie, eisers in reconventie, en geïntimeerde hierna: VVEP als eiseres in conventie, verweerster in reconventie.

5 Bespreking van grief I – Beroep op het EVRM

5.1

In het bestreden vonnis heeft de kantonrechter onder 2.3 geoordeeld dat noch uit artikel 11 EVRM noch uit het ACCA-arrest (oorspronkelijk LJN AD3045, is EHRM Grote Kamer 29 april 1999 CASE OF CHASSAGNOU AND OTHERS v. FRANCE, zaken 25088/94; 28331/95; 28443/95) valt af te leiden dat partijen niet contractueel zouden mogen overeenkomen dat een van hen (“verplicht”) lid wordt van een privaatrechtelijke vereniging zonder publiekrechtelijke bevoegdheden of taken. Grief I bestrijdt dit oordeel.
5.2

In het ACCA-arrest ging het om de klacht dat de in artikel 11 EVRM gewaarborgde vrijheid van vereniging (en wel de negatieve component daarvan, de vrijheid om tot een vereniging niet toe te treden) van de klagers geschonden zou zijn en volgens dat arrest ook geschonden was door de hun door de wet opgelegde verplichting tot een bepaalde vereniging toe te treden. [appellanten c.s.] echter beklagen zich erover dat hun negatieve vrijheid van vereniging geschonden is door de in hun leveringsakte opgenomen verplichting lid te worden van VVEP. Dit acht het hof een wezenlijk onderscheidend verschil aangezien die leveringsakte de weergave was van de door [appellanten c.s.] zelf met hun rechtsvoorganger overeengekomen voorwaarden. Als artikel 11 EVRM aan de burger het recht waarborgt lid van een vereniging te worden en daarmee zijn recht om er geen lid van te worden prijs te geven, valt niet in te zien waarom hij zijn recht geen lid van een vereniging te worden niet prijs zou kunnen geven door zich tot dat lidmaatschap te verplichten.
5.3

Dat betekent dat uit het ACCA-arrest voor de onderhavige zaak niets van belang kan worden afgeleid behalve dat er zoiets als een negatief recht van vereniging bestaat, wat ook niet bestreden is. Het betekent niet zonder meer dat [appellanten c.s.] geen beroep op artikel 11 EVRM meer zou kunnen doen op de enkele grond dat zij zich zelf verbonden hebben lid van VVEP te worden. Dat is niet noodzakelijkerwijs het geval en inderdaad heeft het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) in zijn arrest van 11 januari 2006 (LJN AV6044 [EHRM zaken 52562/99; 52620/99) ten aanzien van twee klagers beslist dat zij, hoewel zij zich zelf verplicht hadden tot het lidmaatschap van een vereniging, met recht klaagden dat hun nationale recht hen niet of onvoldoende beschermde tegen de daaruit voortvloeiende beperking van hun negatieve recht tot vereniging. Daarbij ging het bij beiden om de situatie dat de klager zich tot het lidmaatschap van een bepaalde vakvereniging verplicht had bij een arbeidsovereenkomst die de werkgever anders niet bereid was met hem te sluiten. Het EHRM overwoog hierbij “that individuals applying for employment often find themselves in a vulnerable situation and are only too eager to comply with the terms of employment offered” en dat de klagers bezwaar hadden tegen het lidmaatschap van die vakvereniging “because they could not subscribe to the political views of that trade union” en kwam tot het oordeel dat de klagers gedwongen waren zich bij deze vakvereniging aan te sluiten en dat deze dwang de kern raakte van de vrijheid van vereniging, gegarandeerd door artikel 11 EVRM.
5.4

De onderhavige zaak vertoont met de door het EHRM berechte zaak in zoverre overeenstemming dat ook [appellanten c.s.] de verplichting tot lidmaatschap op zich hebben genomen in een overeenkomst die hun wederpartij anders niet met hen had willen sluiten. Het was echter geen arbeidsovereenkomst, strekkend tot het verwerven van een broodwinning, maar een koopovereenkomst, strekkend tot het verwerven van een bouwkavel voor de stichting van een recreatiewoning. Dat acht het hof van zo veel minder dwingend en spoedeisend dwingend belang dat het hier niet van dwang kan spreken.
5.5

VVEP houdt zich bezig met het beheren, onderhouden en in stand houden van collectieve voorzieningen voor het recreatiepark […] en het behartigen van collectieve belangen van de eigenaars en gebruikers van de recreatiewoningen op dat park. Het lijkt niet voor de hand te liggen dat VVEP standpunten van politieke of andere aard zal innemen of uitdragen waarmee [appellanten c.s.] zich mogelijk niet kunnen verenigen en zij hebben ook niet gesteld te vrezen dat VVEP dat in de toekomst zal gaan doen.
5.6

Bij het bestreden vonnis heeft de kantonrechter, in hoger beroep niet bestreden, beslist dat het lidmaatschap van VVEP ondanks een andersluidende bepaling in haar statuten opzegbaar is ingevolge artikel 2:35 BW. Daarmee biedt de Nederlandse wet een redelijke en adequate maatregel om het genot van het recht van vereniging te beschermen tegen inmenging anders dan van overheidswege die met een redelijk evenwicht tussen conflicterende belangen niet in overeenstemming is.
5.7

Op deze gronden is het hof van oordeel dat niet gesproken kan worden van een dwang tot het aangaan van het lidmaatschap van een vereniging waardoor de kern van de vrijheid van vereniging, gegarandeerd door artikel 11 EVRM, wordt geraakt. Grief I faalt.

6Bespreking van grief II – Partiële nietigheid

6.1

Onder 2.3 van het bestreden vonnis heeft de kantonrechter overwogen dat, voor het geval het verplichte aanvangslidmaatschap en het “opzegverbod” als één geheel moeten worden gezien, plaats is voor partiële nietigheid. Grief II bestrijdt deze overweging met de stelling dat zowel het verplichte aanvangslidmaatschap als het opzegverbod nietig is, dit ongeacht of zij tezamen als één geheel moeten worden gezien.
6.2

De overeenkomst tussen [appellanten c.s.] en hun rechtsvoorganger houdt de bepaling in dat [appellanten c.s.] lid van VVEP dienen te worden. Het daartegen gedane beroep op artikel 11 EVRM is door de kantonrechter verworpen en de daartegen gerichte grief I is hiervoor ondeugdelijk bevonden. Er is geen grond deze bepaling nietig te achten. Van onopzegbaarheid van het lidmaatschap wordt in de overeenkomst niet gerept. Die onopzegbaarheid is voorzien in de statuten van VVEP, maar is, naar niet betwist is, in strijd met artikel 2:35 BW. Deze statutaire bepaling is daarom onverbindend.
6.3

Hieruit volgt dat de contractuele verplichting om lid te worden en de statutaire onopzegbaarheid van dat lidmaatschap niet één geheel vormen. De eerste geldt, de laatste heeft geen effect. Van partiële nietigheid is dus geen sprake en grief II faalt.
Bespreking van de grieven III en IV – Beroep op dwaling

7.1 ‘

[appellanten c.s.] hebben een beroep op dwaling gedaan. De kantonrechter heeft dat niet uitdrukkelijk aanvaard of verworpen, maar heeft het in elk geval niet gehonoreerd. In dat kader heeft de kantonrechter overwogen
 dat niet gesteld of gebleken is dat [appellanten c.s.] tot voor enkele jaren hun lidmaatschap van VVEP als knellend hebben ervaren en hebben willen opzeggen, maar het wegens het opzegverbod niet hebben gedaan;
 dat, als [appellanten c.s.] hebben gedwaald omtrent hun rechtspositie, dat voor hun rekening moet blijven.
Deze overwegingen worden bestreden door de grieven III en IV en in de toelichting op grief IV beroepen [appellanten c.s.] zich wederom op dwaling.
7.2

Als [appellanten c.s.] gemeend hebben dat zij op grond van hun koopovereenkomst verplicht waren lid van VVEP te worden, was dat, zoals uit de beslissing op grief I volgt, juist en geen dwaling. Mogelijk hebben zij enige tijd ten onrechte in de mening verkeerd dat zij dat lidmaatschap niet konden opzeggen. Dat was dan een onjuiste voorstelling van zaken. Niet is echter duidelijk en door hen is ook niet toegelicht welke overeenkomst onder invloed daarvan tot stand gekomen is. Het beroep op dwaling is daarom terecht niet gehonoreerd en de grieven III en IV zijn ongegrond.

8Bespreking van grief V – De enkele of dubbele kavel

8.1 ‘

[appellanten c.s.] hebben aangevoerd dat zij voor hun perceel door VVEP ten onrechte dubbel aangeslagen zijn in de parkbijdrage op de grond dat het uit twee kavels zou bestaan. De kantonrechter heeft het standpunt van [appellanten c.s.] verworpen en daarbij overwogen dat VVEP groot belang heeft bij een zo letterlijk mogelijke uitleg van de statutaire definitie van het begrip “kavel” en dat dat ook strookt met de bij een dergelijke uitleg aan te leggen zogenaamde “CAO-norm”. [appellanten c.s.] bestrijden dat oordeel met grief V en betogen dat een letterlijke uitleg van de definitie het pleit juist in hun voordeel zou moeten beslechten.
8.2

Dat wijst erop dat een letterlijke uitleg alleen niet bepalend kan zijn voor de beslechting van dit geschil en dat is ook zo want de statutaire definitie van het begrip “kavel” luidt:
“een zelfstandig gedeelte van het recreatiepark “Patersven”, waarop een recreatiebungalow/-chalet met erf is/zal worden gesticht, welke kavel volgens het vigerende bestemmingsplan van de gemeente Zundert niet voor permanente bewoning mag worden gebruikt”
zonder dat daarbij wordt aangegeven op welk ogenblik die bestemming moet worden beoordeeld en wie die bestemming kan geven of wijzigen.

8.3

Vaststaat dat er oorspronkelijk voordat [appellanten c.s.] hun perceel kochten een kavelindelingsplan is gemaakt waarop de kavels genummerd waren. [appellanten c.s.] hebben een perceel, bestaande uit twee van die kavels, gekocht en hebben aangegeven daarop slechts één recreatiewoning te willen bouwen. Dat hebben zij ook gedaan.
8.4

Aangenomen moet worden dat vóór de uitgifte van de grond het kavelindelingsplan bepalend was voor de (door de toenmalige eigenaar gegeven) bestemming van de grond en dus ook voor het begrip “kavel”. Bij de uitgifte zijn de kavelnummers volgens dat kavelindelingsplan ook gebruikt ter aanduiding van de verkochte percelen. De statuten hanteren vervolgens het begrip “kavel” voor de bepaling van zowel het stemrecht als de bijdrageplicht van de leden. Daarom is niet aannemelijk dat de statutaire definitie aldus begrepen moet worden dat de nieuwe eigenaar aan een kavel die hoedanigheid (zonder medewerking van VVEP) zonder meer zou kunnen ontnemen door te besluiten er geen woning op te bouwen. Het hof acht daarom de door de kantonrechter aan de definitie gegeven uitleg juist.
8.5

Het door [appellanten c.s.] gedane beroep op het gelijkheidsbeginsel doet daaraan niet af. De kantonrechter heeft dat beroep verworpen op grond dat de situatie van [appellanten c.s.] niet gelijk is aan die van de door hen aangevoerde vergelijkingsgevallen. Daarvoor heeft de kantonrechter onder 2.5 feiten aangevoerd die dit oordeel rechtvaardigen en waarvan de feitelijke juistheid in hoger beroep niet bestreden is. Grief V faalt daarom.

9Bespreking van grief VI – Het bedrag van de vordering

9.1 ‘

[appellanten c.s.] hebben in eerste aanleg als derde verweer tegen de vordering van VVEP aangevoerd dat het gevorderde bedrag ondoorzichtig is. VVEP heeft daarop gereageerd met een nieuwe specificatie, tevens aanleiding gevend tot een nieuwe formulering van de vordering en een vermeerdering van eis. De kantonrechter heeft bij het bestreden vonnis onder 2.6 overwogen dat deze nieuwe specificatie door [appellanten c.s.] niet meer is bestreden en dus voor juist moet worden gehouden en hij heeft de vermeerderde vordering toegewezen. Dit wordt bestreden door grief VI waarin [appellanten c.s.] stellen dat zij de nieuwe specificatie wel degelijk hebben bestreden en volharden bij die bestrijding.
9.2

Als eerste en kennelijk als centraal bedoelde betwisting presenteerden [appellanten c.s.] in eerste aanleg en thans weer in de toelichting op deze grief de bewering dat de specificatie niet wordt ondersteund door overlegging van de daarin voorkomende facturen waarvan zelfs de data en factuurnummers niet worden vermeld en dat de genoemde bedragen afwijken van eerder genoemde bedragen. Dit miskent dat VVEP tot bewijs van haar stellingen eerst gehouden is als die stellingen betwist worden en als die betwisting voldoende gemotiveerd is. Hoe ver die motivering gaan moet, hangt van de omstandigheden af en onder omstandigheden kan zelfs een betwisting bij gebreke van wetenschap al voldoende gemotiveerd zijn, mits het gebrek van wetenschap voldoende begrijpelijk of begrijpelijk gemaakt is. De enkele bewering echter dat bewijs voor een stelling ontbreekt, levert nog geen betwisting op.
9.3

Voorts hebben [appellanten c.s.] in eerste aanleg voor de parkbijdragen tot en met 2003 een beroep gedaan op verjaring. De kantonrechter heeft dit beroep, gedaan bij de laatste akte en waarop VVEP niet meer had kunnen reageren, tardief geoordeeld en gepasseerd. In hoger beroep hebben [appellanten c.s.] van verjaring niet meer gerept. De grief houdt aldus geen behoorlijk naar voren gebrachte grief tegen deze beslissing van de kantonrechter in.
9.4

Dan hebben [appellanten c.s.] in eerste aanleg als verweer nog opmerkingen gemaakt over de rentedatum voor het bij vermeerdering van eis toegevoegde deel van de vordering en over de vordering van toekomstige parkbijdragen. Die opmerkingen heeft de kantonrechter (behoudens het herstel van een kennelijke vergissing in een datum) gevolgd zodat deze punten in hoger beroep geen rol meer spelen.
9.5

Ten slotte hebben [appellanten c.s.] aangevoerd dat hun opzegging tot gevolg heeft dat de grondslag voor de verschuldigdheid van parkbijdragen is vervallen. Dat is echter slechts juist voor zover het om toekomstige parkbijdragen zou gaan. De specificatie vermeldt echter slechts bedragen tot en met 2008 terwijl de opzegging volgens opgave van [appellanten c.s.] eerst op 20 maart 2009 plaatsvond. Als verweer faalt daarom ook dit betoog.
9.6

Grief VI is aldus ongegrond.

10Slotsom

Nu alle grieven falen, dient het bestreden vonnis te worden bekrachtigd met verwijzing van
[appellanten c.s.] als in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep.

11De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Breda, sector kanton, locatie Breda, van 23 december 2009;

veroordeelt [appellanten c.s.] in de kosten van het hoger beroep en bepaalt deze, voor zover tot op heden aan de zijde van VVEP gevallen, op € 1.264,00 voor salaris advocaat volgens het liquidatietarief en € 263,00 voor griffierecht;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Opzeggen lidmaatschap (De Holter Weide)

Gerechtshof Arnhem 19 oktober 2010
ECLI:NL:GHARN:2010:BQ2281 (online 8 mei 2015)


Bungalowpark-zaak, alsnog gepubliceerd. Het lid zegde het lidmaatschap op 30 december 2007 op. Toepassing van artikel 2:36 lid 1 en lid 2 BW geeft dat het lidmaatschap eindige op 31 december 2008, zo oordeelt het hof. Het lid stelt echter dat zijn lidmaatschap met 1 januari 2008 is geëindigd omdat van hem redelijkerwijs niet gevergd kon worden dat hij zijn lidmaatschap -tot 31 december 2008- zou laten voortduren (kennelijk een beroep doend op artikel 2:36 lid 1 in fine). 

Het hof overweegt dat “niet gesteld of gebleken is dat [de] kosten ten opzichte van het verleden aanzienlijk zijn gestegen”. Dit doet vermoeden dat het lid met meer succes een beroep had kunnen doen op art. 2:36 lid 3 BW: “Een lid kan voorts zijn lidmaatschap met onmiddellijke ingang opzeggen binnen een maand nadat een besluit waarbij […] zijn verplichtingen zijn verzwaard, hem is bekend geworden of medegedeeld; het besluit is alsdan niet op hem van toepassing.” Niet blijkt dat de statuten de leden deze bevoegdheid ontzeggen, artikel 2:63 lid 3 vereist niet dat de verzwaring van verplichtingen “aanzienlijk” is. 

  • Toevoeging 18.03.2020: voor de praktijk van groot belang is de volgende overweging (die niet over verenigingsrecht gaat, maar wel de grondslag geeft voor de verplichting voor bewoners om mee te blijven betalen):
  • “[appellant] profiteert van het onderhoud en het beheer van het bungalowpark. Zijn kavel maakt deel uit van een groter geheel en de waarde van zijn kavel wordt mede daardoor bepaald. De omslag van de -door de vereniging gemaakte- kosten betreffende het onderhoud en het beheer is geregeld via de bijdrageverplichting van de leden van de vereniging. Met deze regeling wordt een doelmatig beheer van het bungalowpark bereikt. ”
  • “Zoals onder 4.5 is overwogen profiteert [appellant] van het door de vereniging verrichte onderhoud en beheer. De kosten daarvan komen ten laste van de vereniging. Aldus staat tegenover de verarming van de vereniging een verrijking van [appellant]. Voor deze verrijking bestaat geen rechtvaardiging in de omstandigheid dat -mede ten behoeve van de kavel van [appellant]- erfdienstbaarheden zijn gevestigd zonder dat daarbij vergoedingen zijn bedongen. Een dergelijke vergoeding vormde geen onderdeel van de erfdienstbaarheden omdat bij de opzet van het bungalowpark is gekozen voor een omslag van de kosten via een vereniging. [appellant] was da armee bekend bij de verkrijging van zijn kavel op het bungalowpark, is lid geworden van de vereniging en heeft aldus deze opzet geaccepteerd. Hieruit volgt tevens dat de verrijking niet aan [appellant] wordt opgedrongen.
  • “Uit hetgeen [hierboven] is overwogen volgt dat de vereniging op grond van ongerechtvaardigde verrijking -artikel 6:212 BW- een vordering heeft op [appellant] ter zake van onderhoud en beheer.





Arrest van de vijfde civiele kamer van 19 oktober 2010
inzake [appellant],
tegen:
de rechtspersoonlijkheid bezittende (sic!) vereniging met volledige rechtsbevoegdheid
Bungalowpark De Holter Weide, geïntimeerde,

1Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Voor de procedure in eerste aanleg en het verloop van het geding in hoger beroep wordt verwezen naar het tussenarrest van dit hof van 10 november 2009.
In dit tussenarrest heeft het hof een comparitie van partijen gelast. Deze comparitie is gehouden op 8 februari 2010; het daarvan opgemaakte proces-verbaal is onderdeel van de stukken.

1.2

Daarna heeft [appellant] bij memorie van grieven 11 grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht en één nieuwe productie in het geding gebracht. Hij heeft gevorderd, overeenkomstig de appeldagvaarding, dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest, de vordering van de vereniging, destijds eiseres in conventie en verweerster in reconventie, alsnog in zijn geheel zal afwijzen en de vordering van [appellant], destijds gedaagde in conventie en eiser in reconventie, alsnog in zijn geheel zal toewijzen, met veroordeling van de vereniging in de kosten van beide instanties.
1.3

Bij memorie van antwoord tevens akte houdende vermeerdering van eis heeft de vereniging de grieven bestreden, vier producties in het geding gebracht, haar bewijsaanbod uit de eerste aanleg herhaald en haar eis vermeerderd. Zij heeft geconcludeerd dat het hof bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest het bestreden vonnis zal bekrachtigen en, in de hoofdzaak rechtdoende, [appellant] zal veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de vereniging te betalen de somma van € 4.333,89, te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 3.505,25 vanaf 7 januari 2009, althans vanaf datum dagtekening van deze memorie, alles tot aan de datum der algehele voldoening toe, en [appellant] zal veroordelen in de kosten van (bedoeld zal zijn:) het hoger beroep.
1.4

Na beraad partijen heeft [appellant] arrest gevraagd en gefourneerd. Vervolgens heeft ook de vereniging gefourneerd voor arrest.

2De grieven

De grieven leggen het geschil in volle omvang aan het hof voor en zullen gezamenlijk worden behandeld voor zover hieronder niet anders is overwogen.

3De vaststaande feiten

3.1

Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist, staan in hoger beroep de navolgende feiten vast.
3.2

[appellant] is sinds 28 mei 1999 eigenaar van de onroerende zaak, staande en gelegen aan [het adres], kadastraal bekend gemeente Rijssen-Holten sectie B nummer 4520. De onroerende zaak betreft een perceel grond met daarop een recreatiebungalow/chalet.
3.3

Bovengenoemde onroerende zaak maakt deel uit van Bungalowpark De Holter Weide, voorheen Bungalowpark De Prins genaamd.
3.4

Bungalowpark De Holter Weide omvat naast de percelen voor recreatiebungalows/chalets, zoals het perceel van [appellant], twee percelen die de infrastructuur en de collectieve voorzieningen op het park bevatten. Van deze twee percelen is de vereniging eigenaar.
3.5

Artikel 7 lid 1 van de akte van levering houdt in: “De comparanten, handelend als gemeld, verklaren dat met betrekking tot het verkochte op deze overeenkomst van toepassing zijn de bepalingen opgenomen in de gemelde Algemene Bepalingen “De Prins”. Deze bepalingen worden geacht een onverbrekelijk geheel met deze overdracht uit te maken. Koper verklaart een exemplaar van de Algemene Bepalingen “De Prins” te hebben ontvangen. Alle daaruit voortvloeiende rechten en verplichtingen zijn voldoende aan partijen bekend, die daarvan geen nadere vermelding in de onderhavige akte verlangen, verbindende partijen zich tot een richtige nakoming daarvan onder de bepalingen als in die voorwaarden opgenomen.”
3.6

Artikel 11 sub a van de Algemene Bepalingen houdt, voor zover van belang, in dat iedere eigenaar van een kavel verplicht is toe te treden tot de vereniging van eigenaren van het bungalowpark. Artikel 11 sub b van de Algemene bepalingen houdt in: “Voorzover niet uit het sub a hiervoor bepaalde voortvloeiende, is iedere eigenaar van een kavel verplicht bij te dragen in de kosten van het tuinonderhoud van het gehele bungalowpark naar rato van het aantal aan hem toebehorende zomerhuizen ten opzichte van alle bestaande en zomerhuizen in dit park.”
3.7

Na verkrijging van de door hem gekochte kavel op het bungalowpark is [appellant] lid geworden van de vereniging.
3.8

Volgens artikel 1 van de statuten van de vereniging heeft de vereniging onder meer als doel het beheren en onderhouden van de infrastructuur en de collectieve voorzieningen van al hetgeen dat gelegen is in het bungalowpark.
3.9

Artikel 3 van de statuten van de vereniging bepaalt: “De geldmiddelen om haar doel te bereiken krijgt de vereniging uit de financiële bijdragen der leden en andere wettige en geoorloofde middelen.”
3.10

Artikel 8 lid 2 van de statuten van de vereniging bepaalt : “Het lid is verplicht een evenredig deel te dragen van de gemeenschappelijke lasten, de administratieve kosten van de vereniging en in de fondsen goedgekeurd door de algemene vergadering en gevormd ter dekking van toekomstige gemeenschappelijke uitgaven.”
3.11

Artikel 9 lid 4 van de statuten van de vereniging bepaalt: “Na vaststelling van de begroting wordt de individuele bijdrage vastgesteld door gelijkelijke omslag per woning”.
3.12

Artikel 9 lid 5 van de statuten bepaalt: “Na afloop van elk boekjaar wordt door het bestuur een jaarverslag over het afgelopen boekjaar opgemaakt waarin onder meer de verantwoording over het beheer van fondsen is opgenomen. Mocht een overschot of een tekort in het exploitatiefonds bestaan dan wordt dit overgeboekt naar het volgende boekjaar en wordt hier mede bij de vaststelling van de volgende begroting rekening gehouden. 
3.13

[appellant] heeft het lidmaatschap van de vereniging per 1 januari 2008 opgezegd bij e-mail bericht van 30 december 2007. De vereniging heeft deze opzegging bij brief van 4 januari 2008 aan [appellant] bevestigd.

4De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1

Het bungalowpark is niet gesplitst in appartementsrechten. De vereniging waarvan een eigenaar van een kavel op het bungalowpark ingevolge de toepasselijke Algemene Bepalingen verplicht lid is, is derhalve een gewone vereniging en geen vereniging zoals bedoeld in artikel 5:124 van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW). Aldus is er geen onlosmakelijk verband tussen de eigendom van een kavel op het bungalowpark en het lidmaatschap van de vereniging. Het verplichte lidmaatschap van de vereniging is op grond van artikel 2:35 BW opzegbaar.
4.2

Ingevolge artikel 2:36 lid 1 BW was [appellant] bevoegd tegen het einde van een boekjaar met inachtneming van een opzegtermijn van vier weken zijn lidmaatschap te beëindigen. Ingevolge artikel 2:36 lid 2 BW heeft de onder 3.13 vermelde opzegging tot gevolg dat het lidmaatschap per 31 december 2008 is geëindigd. [appellant] stelt echter dat zijn lidmaatschap met 1 januari 2008 is geëindigd omdat van hem redelijkerwijs niet gevergd kon worden dat hij zijn lidmaatschap -tot 31 december 2008- zou laten voortduren. De uitzondering waarop [appellant] zich beroept moet terughoudend worden uitgelegd aldus dat een dergelijke uitzondering niet te snel kan worden aangenomen. [appellant] noemt in dit verband spanningen binnen de vereniging doordat er meningsverschillen zijn met het bestuur van de vereniging over de bij de leden in rekening te brengen kosten. Het betreft hier kosten welke in de algemene ledenvergadering door een meerderheid van de leden zijn goedgekeurd. Tegen deze achtergrond en rekening houdend met de omvang van kosten, waarvan niet gesteld of gebleken is dat deze kosten ten opzichte van het verleden aanzienlijk zijn gestegen, is het hof van oordeel dat [appellant] zijn beroep op de uitzondering in artikel 2:36 lid 1 BW onvoldoende heeft onderbouwd. Aldus is het lidmaatschap van [appellant] eerst per 31 december 2008 geëindigd en is hij over 2008 de door de vereniging gevorderde verenigingsbijdrage verschuldigd. Grief I faalt.
4.3

De grieven II tot en met X hebben alle betrekking op de kosten die de vereniging aan [appellant] in rekening brengt na beëindiging van zijn lidmaatschap. De kosten betreffen park- en beheerkosten alsmede de kosten voor de levering van gas, water en elektra.
Park- en beheerkosten

4.4

[appellant] is eigenaar van een kavel met daarop een recreatiebungalow/chalet dat deel uitmaakt van een bungalowpark. De kavel van [appellant] is bestemd voor privé- gebruik. De vereniging is eigenaar van twee kavels. Deze kavels zijn bestemd voor collectief gebruik. Dit is vervolgens nader geregeld door onder meer de vestiging van erfdienstbaarheden met de kavels van de vereniging als lijdend erf. [appellant] heeft niet betwist dat deze twee kavels geen zelfstandige functie danwel geen zelfstandig doel hebben en dat deze kavels slechts dienstbaar zijn aan de tot privé-gebruik bestemde kavels zoals de kavel van [appellant]. [appellant] heeft voorts niet betwist dat het beheer en het onderhoud van de kavels van de vereniging enkel en alleen ten dienste is van de kavels die voor privé-gebruik bestemd zijn.
4.5

[appellant] profiteert van het onderhoud en het beheer van het bungalowpark. Zijn kavel maakt deel uit van een groter geheel en de waarde van zijn kavel wordt mede daardoor bepaald. De omslag van de -door de vereniging gemaakte- kosten betreffende het onderhoud en het beheer is geregeld via de bijdrageverplichting van de leden van de vereniging. Met deze regeling wordt een doelmatig beheer van het bungalowpark bereikt. De bungaloweigenaren kunnen via hun lidmaatschap van de vereniging invloed uitoefenen op het beheer en inzicht krijgen in de kosten daarvan.
Bij de aankoop van zijn kavel op het bungalowpark was [appellant] bekend met deze regeling en is ook lid geworden van de vereniging. Hij is ongeveer 9 jaar lid geweest van de vereniging. Door de beëindiging van zijn lidmaatschap is ook een einde gekomen aan zijn uit het lidmaatschap voortvloeiende bijdrageverplichting. De Algemene bepalingen, de statuten van de vereniging noch de in het geding gebrachte leveringsakte van 18 november 1993 geven een voorziening voor de omslag van de kosten van onderhoud en beheer voor het geval een kaveleigenaar geen lid is van de vereniging. Dit is slechts anders voor de kosten van het onderhoud van de tuin van het gehele bungalowpark. Het hof verwijst hiervoor naar het onder 3.5 geciteerde artikel 11 van de Algemene bepalingen. Voor wat betreft de daar bedoelde kosten kan de vereniging haar vordering op [appellant] daarop baseren. Nu verder -behalve via het lidmaatschap van de vereniging– geen regeling is getroffen voor de bijdrage aan de vereniging in de kosten van het onderhoud en het beheer kan ook een -eventueel- derdenbeding in artikel 7 lid 5 van de leveringsakte van 18 november 1993 de vereniging niet baten.

4.6

Zoals onder 4.5 is overwogen profiteert [appellant] van het door de vereniging verrichte onderhoud en beheer. De kosten daarvan komen ten laste van de vereniging. Aldus staat tegenover de verarming van de vereniging een verrijking van [appellant]. Voor deze verrijking bestaat geen rechtvaardiging in de omstandigheid dat -mede ten behoeve van de kavel van [appellant]- erfdienstbaarheden zijn gevestigd zonder dat daarbij vergoedingen zijn bedongen. Een dergelijke vergoeding vormde geen onderdeel van de erfdienstbaarheden omdat bij de opzet van het bungalowpark is gekozen voor een omslag van de kosten via een vereniging. [appellant] was da armee bekend bij de verkrijging van zijn kavel op het bungalowpark, is lid geworden van de vereniging en heeft aldus deze opzet geaccepteerd. Hieruit volgt tevens dat de verrijking niet aan [appellant] wordt opgedrongen.
4.7

Uit hetgeen onder 4.4-4.6 is overwogen volgt dat de vereniging op grond van ongerechtvaardigde verrijking -artikel 6:212 BW- een vordering heeft op [appellant] ter zake van onderhoud en beheer.
4.8

De kosten die de vereniging aan haar leden in rekening brengt ter zake van onderhoud en beheer worden besproken in de algemene ledenvergadering. Vervolgens wordt hierover een besluit genomen waarvoor een meerderheid vereist is. Achteraf vindt door het bestuur verantwoording van de uitgaven plaats. De ledenvergadering wordt daarbij geadviseerd door een kascommissie. [appellant] heeft kritiek op de gang van zaken in de vereniging maar heeft ten aanzien van deze kosten zijn stellingen niet onderbouwd. Op geen enkele wijze is gebleken dat de opgevoerde -en aan de leden doorberekende- kosten niet overeenkomen met de werkelijk gemaakte kosten. Het is niet doenlijk om precies te achterhalen welk deel van deze kosten als schade -artikel 6:212 BW- kunnen worden toegerekend aan het perceel van [appellant]. Het hof begroot daarom deze schade op het bedrag dat de vereniging hiervoor ook aan haar leden in rekening brengt.
Gas, water en elektra

4.8

[appellant] is bereid te betalen voor de kosten van water, gas en elektra, ook bij wege van voorschot. Het hof leest hierin dat [appellant] erkent dat hij ter zake gas, water en elektra een schuld heeft aan de vereniging. Ten aanzien van deze vordering heeft [appellant] gesteld dat de afgenomen hoeveelheid via meters wordt vastgesteld. [appellant] heeft de in rekening gebrachte hoeveelheden niet gemotiveerd betwist. [appellant] heeft ook de hiervoor in rekening gebrachte tarieven niet gemotiveerd betwist. Hij heeft enkel aangevoerd dat hij inzage wenst in de door de vereniging aan de leveranciers betaalde bedragen. Gesteld noch gebleken is dat de door de vereniging gehanteerde tarieven afwijken van de door haar leveranciers hiervoor gehanteerde tarieven.
4.9

Uit het voorgaande volgt dat de kantonrechter in het bestreden vonnis de vordering in conventie van de vereniging terecht heeft toegewezen en de vordering in reconventie van [appellant] terecht heeft afgewezen. Aldus behoeven de grieven van [appellant] geen nadere bespreking meer.
4.10

De vereniging heeft haar vordering vermeerderd. [appellant] heeft daartegen geen bezwaar gemaakt. Dit heeft tot gevolg dat het hof de vermeerderde vordering zal toewijzen.
4.11

[appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure in hoger beroep.

6De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter (rechtbank Almelo, sector kanton, locatie Almelo) van 8 september 2009, behoudens voor zover [appellant] daarbij in conventie ter zake de hoofdsom is veroordeeld tot de daar genoemde bedragen en doet in zoverre opnieuw recht;

veroordeelt [appellant] tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de vereniging te betalen
€ 4.333,89, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 3.505,25 vanaf 4 mei 2010 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de verenigingbegroot op € 1.264,– voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 262,– voor griffierecht;

verklaart bovenstaande veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;wijst het meer of anders gevorderde af.