Mondeling opzeggen

Rb. Amsterdam 25 juni 2018
ECLI:NL:RBAMS:2018:4465

Een vereniging voert een rechtszaak om de contributie te innen. Het lid (althans, diens vader) heeft echter mondeling opgezegd. Het argument van de vereniging, dat alleen schriftelijk kan worden opgezegd, slaagt niet. De vereniging heeft namelijk niet onderbouwd dat die regel zou gelden in de vereniging (en het is geen wettelijke regeling dat opzeggen alleen schriftelijk kan).

vonnis van de kantonrechter
i n z a k e
de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid
Amsterdamse Sportvereniging Fortius (A.S.V. Fortius)
nader te noemen: Fortius

t e g e n
[gedaagde]
nader te noemen: [gedaagde]

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Feiten

1. Als gesteld en niet (voldoende) weersproken staat het volgende vast:
1.1.

[gedaagde] heeft zijn minderjarige zoon, [naam zoon] , in 2015 ingeschreven bij Fortius door middel van het invullen van een inschrijfformulier. Na de inschrijving kon de zoon van [gedaagde] deelnemen aan trainingen en wedstrijden.
1.2.

Op 1 oktober 2016 heeft Fortius een factuur opgesteld van € 185,00.
1.3.

[gedaagde] heeft de factuur niet betaald.

Vordering

2. Fortius vordert dat [gedaagde] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeeld zal worden tot betaling van:
a. € 185,00 aan hoofdsom; […]
3. Fortius stelt hiertoe, kort en zakelijk weergegeven, dat zij in opdracht en voor rekening van [gedaagde] werkzaamheden heeft verricht en diensten heeft verleend die zien op het geven van trainingen aan de zoon van [gedaagde] en deelneming aan wedstrijden. [gedaagde] is in gebreke gebleven met betaling van de contributie. Uitschrijving kan enkel geschieden door schriftelijke opzegging bij de ledenadministratie. [gedaagde] heeft geen schriftelijke opzegging overgelegd. De mondelinge opzegging bij de jeugdcoördinator is niet rechtsgeldig. De jeugdcoördinator gaat bovendien niet over de ledenadministratie.

Verweer

4. [gedaagde] heeft aangevoerd, kort en zakelijk weergegeven, dat hij het lidmaatschap voor zijn zoon mondeling heeft opgezegd bij de jeugdcoördinator ( [naam jeugdcoördinator] ). Aan [gedaagde] is nimmer kenbaar gemaakt dat hij enkel en alleen schriftelijk zou kunnen opzeggen bij de ledenadministratie. [gedaagde] betwist uitdrukkelijk dat hem bij de ondertekening van het inschrijfformulier zou zijn medegedeeld dat hij zou instemmen met een lidmaatschap voor onbepaalde tijd. [gedaagde] ging er vanuit dat de inschrijving voor een seizoen zou zijn.

Beoordeling

5. [gedaagde] heeft de verschuldigdheid van de gevorderde factuur die ziet op contributie betwist, omdat hij de overeenkomst mondeling zou hebben opgezegd. De mondelinge opzegging wordt door Fortius niet betwist. Fortius stelt dat alleen schriftelijk kan worden opgezegd. Deze stelling wordt door [gedaagde] betwist. Fortius heeft op geen enkele wijze onderbouwd dat alleen schriftelijk kan worden opgezegd. Dit blijkt in ieder geval niet uit het inschrijfformulier. Gelet op het verweer van [gedaagde] had het op de weg van Fortius gelegen om de tussen partijen gesloten overeenkomst dan wel de eventueel toepasselijke (algemene) voorwaarden te overleggen. Dit heeft Fortius nagelaten. Hierdoor is niet vast komen te staan dat alleen schriftelijk kan worden opgezegd en moet er vanuit worden uitgegaan dat het lidmaatschap ook door een mondelinge opzegging kan eindigen. De mondelinge opzegging van [gedaagde] heeft dan ook rechtsgeldig een einde gemaakt aan het lidmaatschap, nog los van het feit dat uit niets blijkt dat de inschrijving van [gedaagde] voor onbepaalde tijd zou zijn. [gedaagde] heeft aangevoerd dat hij in de veronderstelling was dat de inschrijving voor één seizoen zou zijn. De enkele stelling van Fortius dat aan [gedaagde] ten tijde van de inschrijving zou zijn toegezegd dat ondertekening van het formulier een lidmaatschap van onbepaalde tijd teweeg zou brengen, is gelet op de betwisting door [gedaagde] onvoldoende om dat in rechte te kunnen vaststellen.
6. De door Fortius gevorderde factuur wordt gezien het voorgaande afgewezen.
7. Met de afwijzing van de hoofdvordering, dienen de gevorderde wettelijke rente en de vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten eveneens te worden afgewezen.
8. Fortius wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten gevallen aan de zijde van [gedaagde] .

BESLISSING

De kantonrechter:

I. wijst de vordering af;
II. veroordeelt Fortius in de proceskosten gevallen aan de zijde van [gedaagde] , tot op heden begroot op € 60,00 aan salaris gemachtigde, voor zover van toepassing, inclusief btw;

Kafka in een vereniging. Royement ongeldig.

Rb. Den Haag 4 april 2018
ECLI:NL:RBDHA:2018:3682

Kafka in een vereniging: een lid wordt geroyeerd (ontzet), zonder dat wordt gezegd waarom, met een niet-ondertekende brief. Het lid vraagt of de brief echt is, krijgt geen antwoord. Tegen het einde van de beroepstermijn stelt hij beroep in  bij de ALV. Het bestuur weigert een ALV bijeen te roepen. Het lid gaat naar de rechter, maar er is een uitspraak van de Hoge Raad uit 1965 waarin is bepaald dat een lid niet bij de civiele rechter kan aankloppen zolang de beroepsprocedure bij de ALV nog loopt.

De rechter besluit echter om af te wijken van die uitspraak van de HR. ” Nu het bestuur van de vereniging categorisch weigert de ALV bijeen te roepen, moet een uitzondering worden aanvaard op de regel die in het zojuist genoemde arrest van de Hoge Raad uit 1965 is geformuleerd. Het lid kan zich in een dergelijke situatie wel dadelijk tot de civiele rechter wenden en zijn bezwaren tegen het besluit van het bestuur aan de rechter ter beoordeling voorleggen. Een beroep van de vereniging op het verzuim het oordeel van de ALV af te wachten zal onaanvaardbaar zijn op grond van het bepaalde in artikel 2:8 lid 2 BW. “

De rechter oordeelt ook dat het royement vernietigbaar is. ” Het ontzettingsbesluit is voor [de heer A] uit de lucht komen vallen. Er is van de zijde van de vereniging op geen enkele wijze zelfs maar een begin van een serieuze motivering van het besluit ter kennis van [de heer A] gebracht. Ook ter comparitie is, op vragen van de rechtbank, niet veel meer naar voren gekomen dan dat er “onrust” was in de vereniging. [] Het is dan ook in nevelen gehuld gebleven waarom [de heer A] het veld moest ruimen.”

Het bestuur is zo “slim” geweest om het lid A niet alleen te royeren, maar om ook het lidmaatschap op te zeggen (op zich is dat een verstandige keuze). In dit geval heeft het bestuur ook nog een ledenraadpleging gehouden, met de vraag of leden het lid A nog in hun midden houden. Ook daarbij heeft lid A geen enkele gelegenheid gehad zijn kant van het verhaal te doen.

” Het opzeggingsbesluit treft hetzelfde lot. Dit besluit is, naar de rechtbank begrijpt, de resultante van een raadpleging van de leden – nadat [de heer A] in rechte was opgenomen tegen zijn royement – aan wie een keuzemenu is voorgeschoteld[]n. De uitkomst daarvan zou zijn dat de leden [de heer A] niet langer in hun midden accepteren. Los van het feit dat ook hier [de heer A] op geen enkele wijze is betrokken in de besluitvorming, geldt dat het onduidelijk is wat [de heer A] nu precies wordt nagedragen. [de heer A] moet er naar gissen, zelfs een tipje van de sluier licht de vereniging (het bestuur) niet op.” 


 

Vonnis van 4 april 2018

I n de zaak van De heer A, lid, [B] en [de VOF] tegen

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

RIJSCHOOLVERENIGING “ ATTENT ”,

Eisers zullen hierna afzonderlijk ook ‘de VOF, ‘ [de heer A] ’ en ‘ [mevrouw B] ’ genoemd worden. Gedaagde zal ‘de vereniging’ genoemd worden.

2De feiten

2.1.

[de heer A] en [mevrouw B] zijn vennoten van de VOF, waarin een rijschool wordt geëxploiteerd. [de heer A] is bij de rijschool werkzaam als gecertificeerd rijinstructeur. [mevrouw B] houdt zich voornamelijk bezig met de afhandeling van administratieve en financiële zaken.
2.2.

De vereniging is een vereniging van rijschoolhouders. Zij is opgericht in 1984 en heeft als doel het behartigen en bundelen van de belangen van beroeps-autorijschoolhouders, alsmede het bevorderen van een juiste uitoefening van hun werkzaamheden, een en ander in de ruimste zin des woords.
2.3.

Sinds 2007 is [de heer A] in zijn hoedanigheid van gecertificeerd rijinstructeur lid van de vereniging.

2.4.

In de statuten van de vereniging (‘de Statuten’), is – voor zover hier relevant – het volgende opgenomen.

Artikel 5. Einde van het lidmaatschap.Het lidmaatschap eindigt:
1. […].
c. door opzegging namens de vereniging. Deze kan geschieden wanneer een lid heeft opgehouden aan de vereisten voor het lidmaatschap bij de statuten gesteld te voldoen, wanneer een lid zijn verplichtingen jegens de vereniging niet nakomt, alsook wanneer redelijkerwijs van de vereniging niet gevergd kan worden het lidmaatschap te laten voortduren.
d. door ontzetting. Deze kan alleen worden uitgesproken wanneer een lid in strijd met de statuten, reglementen of besluiten der vereniging handelt, of de vereniging op onredelijke wijze benadeeld.
2. Opzegging namens de vereniging geschiedt door het bestuur.
3. Opzegging van het lidmaatschap door het lid of door de vereniging kan slechts geschieden tegen het einde van een verenigingsjaar en met inachtneming van een opzeggingstermijn van drie maanden. Echter kan het lidmaatschap onmiddellijk worden beëindigd indien van de vereniging of van het lid redelijkerwijs niet gevergd kan worden het lidmaatschap te laten voortduren.
4. Een opzegging in strijd met het bepaalde in het vorige lid, doet het lidmaatschap eindigen op het vroegst toegelaten tijdstip volgend op de datum waartegen was opgezegd.
5. […].
6. Ontzetting uit het lidmaatschap geschiedt door het bestuur.
7. Van een besluit tot opzegging van het lidmaatschap door de vereniging op grond dat redelijkerwijs van de vereniging niet gevergd kan worden het lidmaatschap te laten voortduren, en van een besluit tot ontzetting uit het lidmaatschap staat de betrokkene binnen een maand na de ontvangst van de kennisgeving van het besluit beroep open op de algemene vergadering. Hij wordt daartoe ten spoedigste schriftelijk van het besluit met opgave van redenen in kennis gesteld. Gedurende de beroepstermijn en hangende het beroep is het lid geschorst.
8. Wanneer het lidmaatschap in de loop van een verenigingsjaar eindigt, blijft desalniettemin de jaarlijkse bijdrage voor het geheel verschuldigd. […].

2.5.

Tevens is een Huishoudelijk Reglement van kracht. Voor zover hier relevant, is daarin het volgende opgenomen.

Artikel 6. Rechten en verplichtingen.Een lid der vereniging heeft het recht zijn stem uit te brengen tijdens de in artikel 12 en 13 der statuten genoemde vergaderingen; inzage te verkrijgen van alle door het bestuur genomen besluiten.
Artikel 7. Een lid der vereniging is verplicht.De statuten, reglementen en bestuursbesluiten strikt na te leven. Zich te onthouden van handelingen die schadelijk zijn of kunnen zijn voor de belangen van het verkeersonderricht in het algemeen en voor de vereniging in het bijzonder. Zorg te dragen voor een goede bedrijfsvoering. Zijn financiële verplichtingen ten aanzien van de vereniging stipt na te komen, bij niet-naleving waarvan geen aanspraak kan worden gemaakt op de in artikel 6 van dit reglement genoemde rechten. […].
Artikel 8. Einde van het lidmaatschap.De opzegging van het lidmaatschap, als vermeld in artikel 5 der statuten, geschiedt door schriftelijke melding aan het verenigingssecretariaat.
Ontzettinga. Het bepaalde in artikel 5 lid d der statuten is ondermeer van toepassing op het niet nakomen van de verplichtingen als genoemd in artikel 6 en 7 van dit reglement .
b. Een bestuursbesluit tot ontzetting kan eerst dan worden genomen nadat een gedegen onderzoek is ingesteld naar de wijze en mate van de tot die beslissing leidende overtreding(en). Alvorens tot ontzetting wordt besloten dient het betrokken lid te worden gehoord.
c. In geval van ontzetting verliest het deelnemingsbewijs (bewijs van lidmaatschap) en eventuele personeelspassen, met inbegrip van alle daaruit voortvloeiende rechten, direct na uitspraak van de ontzetting door het bestuur zijn geldigheid en dient onverwijld te worden ingeleverd bij het secretariaat. Het vorenstaande is eveneens van toepassing op alle door of namens de vereniging uitgereikte legitimaties.
d. Indien binnen de in de statuten gestelde termijn beroep wordt aangetekend op de algemene vergadering, wordt de werking van het deelnemingsbewijs (bewijs van lidmaatschap) en alle daaruit voortvloeiende rechten opgeschort totdat over het tegen de ontzetting ingestelde beroep door de algemene vergadering is beslist.
e. Bij nietigverklaring van het bestuursbesluit tot ontzetting door de algemene vergadering kan het betrokken lid geen aanspraken doen gelden op vergoeding van schade, van welke aard ook, die door de herroepen ontzetting is geleden, tenzij grove nalatigheid kan worden aangetoond.

2.6.

Bij brief van 3 maart 2017 heeft het bestuur van de vereniging (‘het bestuur’) de rijschool geïnformeerd als volgt:
Gelet op artikel 2 en art 5,1,d van de Statuten van rijschoolvereniging Attent en art. 7 van het Huishoudelijk reglement van voornoemde vereniging ziet het Bestuur zich genoodzaakt u uit de vereniging te ontzetten. Gezien de aard van de situatie ziet het Bestuur af van een procedure ‘einde lidmaatschap’. Geheel buiten de Statuten en het Huishoudelijk Reglement om is het bestuur bereid één en ander in een persoonlijk gesprek nader toe te lichten. Voor een afspraak kunt u zich wenden tot één van de bestuursleden.

2.7.

Bij e-mail van 12 maart 2017 heeft [de heer A] daarop gereageerd als volgt:
[…], 3 maart jl. hebben wij als rijschool een aangetekende brief ontvangen van de Attent rijschoolvereniging waarin werd medegedeeld dat het bestuur zich genoodzaakt ziet om per direct onze rijschool uit de vereniging te zetten. Of deze brief ook echt via het bestuur van de vereniging komt is niet duidelijk, er is ondertekend als bestuur rijschoolvereniging Attent , maar deze is niet ondertekend met naam of handtekening. Verder wordt er verwezen naar een tweetal artikelen, maar er wordt nergens duidelijk gemaakt op weke manier er door onze rijschool tegen deze artikelen is ingegaan. Er is nooit een aanwijzing geweest dat wij ons in strijd met deze artikelen gedragen zouden hebben. Na het inwinnen van juridisch advies heb ik besloten om tegen deze beslissing in te gaan en daarom heb ik voor elk lid van het bestuur afzonderlijk de volgende vragen:

– Is deze brief inderdaad afkomstig van het Attent bestuur?
– Op welke gronden is deze beslissing genomen? Als het bestuur inderdaad vindt dat er tegen deze artikelen in iets gebeurd is, graag een schriftelijke onderbouwing met bewijzen en data?
– Waarom is er nooit een bericht geweest gericht aan onze rijschool dat er in strijd met deze artikelen gehandeld werd?
– Moet een eventuele beslissing om een lid uit de vereniging te zetten niet besproken worden met de leden?

Ik heb sterk de indruk dat er op persoonlijke redenen gezocht wordt om onze rijschool zwart te maken en om mij persoonlijk aan te vallen. Hierbij vraag ik aan het bestuur om per omgaande de beslissing om onze rijschool als lid te weigeren ongedaan te maken en deze beslissing aan de Attent leden schriftelijk mede te delen. […].

2.8.

Een reactie bleef uit en de advocaat van [de heer A] heeft het bestuur bij brief van 31 maart 2017 het volgende geschreven, voor zover hier relevant:
[…]. Cliënt overhandigde mij uw brief van 3 maart jl. waarin u ontzetting van het lidmaatschap van uw vereniging aanzegt. […]. Omdat sindsdien uw reactie is uitgebleven, zeg ik u namens cliënt aan dat hij hierbij gebruik wil maken van de mogelijkheid in beroep bij de ALV te gaan tegen uw besluit tot ontzetting van het lidmaatschap. Ik verzoek u binnen veertien dagen na dagtekening van deze brief kenbaar te maken meer informatie te verschaffen over de verdere gang van zaken. Totdat u dat gedaan heeft behoud ik in ieder geval uitdrukkelijk het recht voor andere beroepsgronden aan te voeren. […].

2.9.

Bij brief van 10 april 2017 heeft het bestuur gereageerd, voor zover hier relevant:
Op 8 april 2017 ontving ik uw brief […]. Helaas moet ik u mededelen dat ik het beroep niet in behandeling kan nemen aangezien u het beroep te laat ingesteld heeft. Ik zal het een en ander hieronder toelichten. Met mijn brief van 3 maart 2017 heb ik aan uw cliënt kenbaar gemaakt dat Rijschoolvereniging Attent hem ontzet uit het lidmaatschap op grond van artikel 5, eerste lid, onder d van onze Statuten en artikel 7 van het Huishoudelijk Reglement. Tegen mijn besluit van 3 maart 2017 stond op grond van artikel 5 van onze Statuten beroep open, waarbij de beroepstermijn één maand was. Dit houdt in dat uw cliënt tot en met 2 april 2017 de tijd had om in beroep te gaan tegen mijn besluit. Uit de handgeschreven toevoegingen op de bijlagen van uw brief maak ik op dat uw cliënt op de hoogte was van deze termijn. Pas op 8 april 2017 ontving ik uw aangetekende brief. Gelet op het feit dat ik uw brief buiten de gestelde termijn ontving neem ik het beroep niet in behandeling.

2.10.

Bij brief van 2 mei 2017 heeft de advocaat van [de heer A] het bestuur geschreven, voor zover hier relevant:
[…]. Allereerst geldt dat uw statuten in artikel 5 lid 7 voorschrijven dat tegen een besluit tot ontzetting gedurende één maand de mogelijkheid bestaat beroep in te stellen tegenover de algemene vergadering. Als er al sprake zou zijn van een rechtsgeldig genomen besluit tot ontzetting van het lidmaatschap, dan is het aan de algemene ledenvergadering om over het beroep te oordelen. Nergens is voorgeschreven dat het bestuur van de vereniging beslist over de ontvankelijkheid van een dergelijk ingesteld beroep. Reeds door dit beroep niet voor te leggen aan de algemene ledenvergadering handelt u dan ook in strijd met artikel 5 lid 7 van de statuten.

Uw beoordeling dat het beroep te laat zou zijn ingesteld, is voorts feitelijk onjuist. Zoals u in de bijlage kunt zien, heb ik het beroep per e-mail van 31 maart ingediend bij de vereniging. De brief is destijds tevens per aangetekende post verzonden. Voor de zekerheid heb ik dit beroep tevens aan alle individuele bestuursleden per e-mail toegestuurd. Hiermee staat onherroepelijk vast dat het beroep op 31 maart jl. is ingediend. Dat u de brief pas op 8 april jl. zou hebben gelezen, doet daar niets aan af. Evenmin schrijven de statuten of het huishoudelijk reglement voor dat het beroep per (aangetekende) post moet worden ingediend, laat staan dat het voor ontvankelijkheid beslissend is dat het bestuur of een bestuurslid kennis heeft genomen van het beroep. Het tegendeel is het geval, aangezien het bestuur zich geheel dient te onthouden van een oordeel over de ontvankelijkheid van het ingestelde beroep.

Het voorgaande is overigens enkel relevant voor zover al sprake zou zijn van een rechtsgeldig genomen besluit tot ontzetting uit het lidmaatschap. Daarvan is in dit geval geen sprake. Op grond van artikel 5 lid 1 sub d geldt dat een lid kan worden ontzet wanneer een lid in strijd met de statuten, reglementen of besluiten der vereniging handelt of de vereniging op onredelijke wijze benadeelt. Verder blijkt uit artikel 8 lid b dat voorafgaand aan dit besluit een gedegen onderzoek moet worden ingesteld. In uw brief d.d. 3 maart 2017 geeft u op geen enkele manier weer op grond van welke gedragingen zijdens mijn cliënt u tot uw besluit tot ontzetting bent gekomen. Evenmin laat u na met stukken te onderbouwen vanwaar uw besluit tot ontzetting gerechtvaardigd zou kunnen zijn.

Als kers op de taart voegt u daar in uw besluit van 3 maart jl. aan toe dat u afziet van een procedure einde lidmaatschap. Ook deze beslissing is op geen enkele manier onderbouwd. Hoe dan ook geldt dat de feiten noch de omstandigheden, statuten, het huishoudelijk reglement noch de wet de ruimte biedt af te zien van een dergelijke procedure. Hoe dan ook geldt dat u op geen enkele wijze in redelijkheid tot ontzetting van het lidmaatschap hebt kunnen komen. […].

2.11.

Op 13 juli 2017 heeft [de heer A] de dagvaarding waarmee onderhavige zaak aanhangig is gemaakt aan de vereniging laten uitbrengen.
2.12.

Op 26 augustus 2017 heeft de vereniging haar leden een ‘Verklaring inzake lidmaatschap [A] ’ gestuurd, met het verzoek daarop aan te geven welke verklaring op hen van toepassing was. De leden konden kiezen uit drie opties:
Mocht [A] via rechtswege weer lid worden van rijschoolvereniging Attent zeg ik per direct mijn lidmaatschap op;
Mocht [A] via rechtswege weer lid worden van rijschoolvereniging Attent zal ik in de eerstvolgende ledenvergadering tegen dit lidmaatschap stemmen;
In deze zaak doe ik helemaal niets.”

2.13.

Bij brief van 5 oktober 2017 heeft het bestuur het lidmaatschap van [de heer A] opgezegd en hem geïnformeerd als volgt, voor zover relevant:
Als bestuur van Rijschoolvereniging delen we je mede dat Attent na consultatie van haar leden over informatie beschikt die maakt dat het redelijkerwijs niet van Attent gevergd kan worden het lidmaatschap van jou langer te laten voortduren. Aan de leden was verzocht om een verklaring over jouw lidmaatschap van Attent . De uitkomst veronderstellen we bij jou bekend […]. De uitkomst gaf aan ons als bestuur eens te meer een zeer duidelijk signaal af over de zeer nadelige gevolgen voor Attent door jouw lidmaatschap.

Attent zegt thans met onmiddellijke ingang het lidmaatschap op van jou als enige lid van rijschool [de VOF] , voor zover nodig gezien het ontzettingsbesluit d.d. 3 maart jl. […].

Attent verzoekt je in te doen zien dat je lidmaatschap ook en in elk geval rechtmatig is geëindigd met deze opzeggingsbrief. Conform artikel 5 lid 7 van de statuten staat je binnen een maand na ontvangst van deze brief een beroep open bij de algemene ledenvergadering. Die bevoegdheid heb je, ondanks dat we als bestuur in overweging konden nemen de consultatie van de leden reeds te beschouwen als een eenstemmig besluit van de leden ex artikel 2:40 lid 2 BW, aangezien geen van de leden voor behoud van jou als lid heeft gestemd. De leden die zich van uiting onthielden, konden we beschouwen als blanco stemmen en dus als niet uitgebracht ex artikel 15 lid 4 van de statuten. Zij voorkwamen dus niet de vereiste eenstemmigheid. Desalniettemin kun je aangeven een dergelijke procedure binnen een maand in te willen doen stellen. Gezien de korte termijn vergt dat alsdan per omgaande (uiterlijk vrijdag 13 oktober) actie van jou. […].

3Het geschil

3.1.

Eisers vorderen na eisvermeerdering, bij voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
  1. een verklaring voor recht dat het besluit van 3 maart 2017 tot ontzetting uit het lidmaatschap nietig is dan wel dit besluit te vernietigen;
  2. vernietiging van het besluit van 5 oktober 2017 tot opzegging van het lidmaatschap;
  3. de vereniging te verplichten eisers met ingang van vonnisdatum als volwaardig lid te behandelen en te blijven behandelen tot het lidmaatschap op rechtsgeldige wijze is geëindigd, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per overtreding;
  4. met veroordeling van de vereniging tot voldoening van de kosten van de procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente en de nakosten.
3.2.

Eisers leggen hieraan ten grondslag dat het ontzettingsbesluit van 3 maart 2017 (hierna: ‘het ontzettingsbesluit’) vernietigbaar is op grond van artikel 2:15 lid 1 sub c BW, omdat eisers gehoord hadden moeten worden op grond van artikel 8 sub b van het Huishoudelijk Reglement. Verder stellen eisers dat het ontzettingsbesluit nietig is op grond van artikel 2:14 lid 1 juncto artikel 2:35 lid 4 omdat het besluit geen gronden voor de ontzetting bevat. Het ontzettingsbesluit is verder nietig althans vernietigbaar (op grond van artikel 2:14 lid 1 jo. artikel 2:15 lid 1 sub a juncto artikel 2:35 lid 4 BW) omdat, ondanks dat tijdig beroep op de algemene ledenvergadering (‘ALV’) is ingesteld, dit beroep door het bestuur is genegeerd.
Het besluit van 5 oktober 2017 (‘het opzeggingsbesluit’), waartegen op grond van de statuten ook beroep op de ALV open staat en waartegen ook beroep is ingesteld, is op (grotendeels) dezelfde gronden vernietigbaar.
3.3.

De vereniging voert verweer.
3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4De beoordeling

4.1.

De vereniging heeft zich niet verzet tegen de eisvermeerdering bij akte. Nu de rechtbank ook ambtshalve geen redenen ziet om die buiten beschouwing te laten, zal zij beslissen op de vorderingen zoals deze luiden na de eiswijziging.
Ontvankelijkheid

4.2.

De vereniging heeft voor alle weren de ontvankelijkheid van de VOF en [mevrouw B] in hun vorderingen betwist, omdat zij geen lid zijn van de vereniging. Ter comparitie verklaarden eisers dat er zekerheidshalve is gedagvaard door de VOF en de beide vennoten omdat niet geheel duidelijk was wie formeel als lid heeft of hebben te gelden. De uitkomst van het debat ter comparitie was dat [de heer A] als lid moet worden aangemerkt en dat de vorderingen van de VOF en [mevrouw B] buiten beschouwing kunnen blijven; zij zullen daarom in hun vorderingen niet-ontvankelijk worden verklaard.
Waar hierna ‘ [A] ’ wordt genoemd, wordt gedoeld op [de heer A] .
Terugvragen contributie 
4.3.

De vereniging wijst er op dat [de heer A] kort na de ontvangst van het bericht van het bestuur dat tot ontzetting was besloten, zijn contributie heeft “teruggevraagd”. De contributie (naar de rechtbank begrijpt: het deel dat betrekking heeft op het resterende deel van het lopende lidmaatschapsjaar) is daarop teruggestort. In de visie van de vereniging komt [de heer A] sindsdien de op hem als lid rustende verplichting tot contributiebetaling niet na en – zo begrijpt de rechtbank het standpunt van de vereniging – kan hij zich niet meer verzetten tegen de beëindiging van het lidmaatschap.
4.4.

Het moet voor de vereniging duidelijk zijn geweest dat [de heer A] zeer verbaasd was over het hem medegedeelde royementsbesluit. De brief waarin [de heer A] over het besluit werd geïnformeerd bevatte geen enkele motivering van het besluit en onweersproken is dat een verzoek van [de heer A] om een schriftelijke motivering niet door de vereniging is gehonoreerd. Daarop heeft [de heer A] , die stelt dat hij geëmotioneerd was door het besluit dat voor hem uit de lucht kwam vallen, zijn contributie teruggevraagd. Dat [de heer A] geëmotioneerd was, erkent de vereniging, gezien haar beschrijving van het telefoongesprek dat heeft plaatsgevonden daags na de ontvangst van de ontzettingsbrief. Ondanks dit restitutieverzoek heeft [de heer A] kort nadien, door tussenkomst van zijn raadsman, de vereniging gemeld tegen het besluit beroep op de ALV in te stellen.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vereniging uit deze gang van zaken niet kunnen opmaken dat [de heer A] niet langer aanspraak maakte op het lidmaatschap van de vereniging en afstand heeft gedaan van zijn (na het ontzettingsbesluit) bestaande recht op het instellen van beroep op de ALV. Ter zitting heeft [de heer A] medegedeeld bereid te zijn op eerste verzoek van de vereniging zijn contributieverplichtingen na te komen. Een beroep op artikel 7 van het Huishoudelijk Reglement – toegespitst op dit geval: bij niet betaling van contributie kan een lid geen aanspraak maken op het uitoefenen van zijn rechten als lid – gaat daardoor niet op.
Beroep op de ALV 
4.5.

[de heer A] heeft tegen het ontzettingsbesluit en tegen het opzeggingsbesluit beroep op de ALV ingesteld op de voet van het bepaalde in artikel 5 lid 7 van de statuten van de vereniging. Dat ook tegen het opzeggingsbesluit op grond van de statuten beroep openstaat, is niet in geschil.
4.6.

Anders dan de vereniging meent, heeft [de heer A] zijn beroep tegen het ontzettingsbesluit tijdig ingesteld. Dat is immers gebeurd door zijn raadsman die dat op 31 maart 2017 – en dat is binnen een maand nadat [de heer A] op de hoogte werd gesteld van het royementsbesluit – heeft gedaan door middel van een e-mail gericht aan het secretariaat van de vereniging. Ter comparitie is de ontvangst door het secretariaat van die e-mail bevestigd.
4.7.

Dat het beroep op de ALV tegen het opzeggingsbesluit tijdig is ingesteld, is niet in geschil.
4.8.

De vereniging neemt het standpunt in dat het bijeenroepen van de ALV een taak is van het lid dat beroep instelt, niet een taak van het bestuur. [de heer A] heeft echter, aldus de vereniging, verzuimd voor bijeenroeping zorg te dragen. De vereniging wijst op de mogelijkheid voor leden zelf een ALV bijeen te roepen, artikel 2:41 lid 2 BW. Die weg heeft [de heer A] ten onrechte niet gevolgd, aldus de vereniging.
4.9.

Dit verweer treft geen doel. Als een lid opkomt tegen een ontzettingsbesluit (en, zoals in dit geval, een opzeggingsbesluit waartegen beroep open staat) dient het bestuur ervoor te zorgen dat de ALV, het orgaan dat in beroep oordeelt, wordt bijeengeroepen. Het is dus niet zo dat het geroyeerde lid daar zelf voor moet zorgen, ook niet als het bestuur niet dadelijk van zins is tot bijeenroeping over te gaan. De verwijzing van de vereniging naar het bepaalde in artikel 2:41 lid 2 en lid 3 BW (ook opgenomen in de statuten van de vereniging, artikel 12 lid 4) is dan ook niet relevant. Alleen al het vereiste de in dat artikel genoemde drempel (1/10e gedeelte van de stemmen) te bereiken, maakt de zienswijze van de vereniging onacceptabel, omdat het beroepsrecht van het geroyeerde lid daardoor gefrustreerd zou kunnen worden.
4.10.

Bijeenroeping van de ALV door het bestuur, teneinde dit orgaan in de gelegenheid te stellen in beroep te oordelen, zal binnen bekwame tijd moeten plaatsvinden. Verder geldt dat het bestuur er zorg voor moet dragen dat die ALV op een redelijke termijn plaats vindt. Uiteraard zal het bestuur daarbij de wettelijke en statutaire regels in acht moeten nemen. Het bestuur zal de mate van voortvarendheid van de bijeenroeping moeten laten afhangen van het belang dat het lid heeft: in gevallen waarin het lid een groot belang heeft bij een spoedige beoordeling door de ALV zal het bestuur ervoor moeten zorgen dat de ALV op zo kort mogelijke termijn bijeenkomt. Daarbij verdient aantekening dat royement doorgaans een diffamerend karakter heeft zodat behandeling van het beroep op korte termijn in de regel aangewezen zal zijn. Het bestuur zal zich daarbij vanzelfsprekend moeten laten leiden door de normen van redelijkheid en billijkheid, artikel 2:8 BW.
4.11.

Het bestuur van de vereniging heeft geweigerd en weigert de ALV bijeen te roepen. Dat brengt [de heer A] in de problemen. Uitgaande van de benadering van de Hoge Raad in zijn arrest HR 14 mei 1965, ECLI:NL:HR:1965:AD8077 Amsterdams Speeltuinverbond – niets wijst erop dat deze benadering verlaten is of zou moeten worden – kan [de heer A] niet bij de civiele rechter aankloppen, in ieder geval niet met een vordering gegrond op de vernietigbaarheid van het besluit van het bestuur zolang de ALV niet in beroep heeft geoordeeld. Denkbaar is dat de civiele rechter in een geval als dit een vereniging, als het geroyeerde lid dat vordert, opdraagt alsnog een ALV bijeen te roepen (zie aldus Rechtbank Overijssel 8 februari 2016, ECLI:NL:RBOVE:2016:386). Maar dat is wel een omslachtige route. [de heer A] heeft een dergelijke vordering niet (ook niet subsidiair) ingesteld.
4.12.

Nu het bestuur van de vereniging categorisch weigert de ALV bijeen te roepen, moet een uitzondering worden aanvaard op de regel die in het zojuist genoemde arrest van de Hoge Raad uit 1965 is geformuleerd. Het lid kan zich in een dergelijke situatie wel dadelijk tot de civiele rechter wenden en zijn bezwaren tegen het besluit van het bestuur aan de rechter ter beoordeling voorleggen. Een beroep van de vereniging op het verzuim het oordeel van de ALV af te wachten zal onaanvaardbaar zijn op grond van het bepaalde in artikel 2:8 lid 2 BW. De rechter zal het aangevallen besluit moeten beoordelen alsof het in hoogste instantie is genomen.
Zijn het royementsbesluit en het opzeggingsbesluit aantastbaar?

4.13.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn beide besluiten vernietigbaar. Dat motiveert de rechtbank als volgt.
4.14.

Het ontzettingsbesluit is voor [de heer A] uit de lucht komen vallen. Er is van de zijde van de vereniging op geen enkele wijze zelfs maar een begin van een serieuze motivering van het besluit ter kennis van [de heer A] gebracht. Ook ter comparitie is, op vragen van de rechtbank, niet veel meer naar voren gekomen dan dat er “onrust” was in de vereniging. Dat [de heer A] informatie zou hebben gelekt naar een functionaris van het CBR, is wel vaag gesuggereerd, maar is op geen enkele wijze onderbouwd, nog geheel daargelaten of dat grond zou kunnen zijn vormen voor ontzetting uit het lidmaatschap. Het is dan ook in nevelen gehuld gebleven waarom [de heer A] het veld moest ruimen.
De wijze waarop het bestuur tot het royement heeft besloten staat op gespannen voet met het bepaalde in artikel 8 van het Huishoudelijk Reglement – hiervoor, onder 2.5, geciteerd – waarin van een “gedegen onderzoek” wordt gerept, en van het horen van het betrokken lid voorafgaand aan het nemen van een royementsbesluit. Die zorgvuldigheid, die ook van (het bestuur van) een vereniging verlangd mag worden als daarover niets zou zijn bepaald in de statuten of in een huishoudelijk reglement, heeft de vereniging evident niet in acht genomen.
4.15.

Het ontzettingsbesluit is daarom alleen al voor wat betreft wijze van totstandkoming gebrekkig. Maar uit het voortgaande vloeit voort dat het besluit tot ontzetting bovendien is genomen zonder dat [de heer A] enig verwijt wordt gemaakt, althans kenbaar is gemaakt. Dat maakt dat het bestuur niet in redelijkheid op één van de in de wet genoemde gronden tot royement van [de heer A] heeft kunnen besluiten. Het gevolg daarvan is dat het besluit van het bestuur, ook met inachtneming van de terughoudendheid waarmee de rechter besluiten als deze op hun inhoud behoort te toetsen (zie HR 2 december 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4702 en HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ9145 VEB/KLM), op grond van het bepaalde in artikel 2:15 lid 1 aanhef en sub b BW vernietigbaar is.
Anders dan [de heer A] bepleit is nietigheid niet aan de orde. Op zichzelf heeft het bestuur zijn ontzettingsbesluit namelijk wel gebaseerd op de juiste wettelijke gronden, genoemd in artikel 2:35 lid 3 BW, maar aan de wijze van totstandkoming van het ontzettingsbesluit en de wijze waarop aan die gronden invulling is gegeven, schort het. Dat voert tot de conclusie dat het aangevallen besluit genomen is in strijd met de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW.
4.16.

Het opzeggingsbesluit treft hetzelfde lot. Dit besluit is, naar de rechtbank begrijpt, de resultante van een raadpleging van de leden – nadat [de heer A] in rechte was opgenomen tegen zijn royement – aan wie een keuzemenu is voorgeschoteld, hiervoor in 2.12 weergegeven. De uitkomst daarvan zou zijn dat de leden [de heer A] niet langer in hun midden accepteren. Los van het feit dat ook hier [de heer A] op geen enkele wijze is betrokken in de besluitvorming, geldt dat het onduidelijk is wat [de heer A] nu precies wordt nagedragen. [de heer A] moet er naar gissen, zelfs een tipje van de sluier licht de vereniging (het bestuur) niet op. Dat [de heer A] zich tijdens een telefoongesprek met een bestuurslid na de ontvangst van de royementsmededeling onder invloed van zijn verbazing en boosheid over dat besluit wellicht met wat minder gepolijst taalgebruik heeft uitgelaten, kan niet als serieuze motivering gelden.
Ook tot het opzeggingsbesluit heeft het bestuur daarom in redelijkheid niet kunnen komen; het besluit is, op dezelfde gronden als zojuist ten aanzien van het ontzettingsbesluit vermeld, vernietigbaar. De omstandigheid dat, zoals de vereniging verdedigt, de leden [de heer A] niet meer in hun midden dulden, maakt niet dat hem een gang naar de ALV kan worden onthouden, noch dat [de heer A] geen redelijk belang zou hebben bij zijn vorderingen. Het valt immers nog maar te bezien hoe een beraadslaging in de ALV, waarin [de heer A] spreekrecht heeft, uitpakt (HR 15 juli 1965, ECLI:NL:HR:1968:AC4232, NJ 1961/101 Wijsmuller).
Slotsom 
4.17.

De consequentie van het voorgaande is dat de rechtbank het ontzettingsbesluit en het opzeggingsbesluit van het bestuur zal vernietigen. De vordering tot veroordeling van de vereniging om [de heer A] als volwaardig lid te behandelen en te blijven behandelen tot het lidmaatschap op rechtsgeldige wijze is geëindigd, is evenzeer voor toewijzing vatbaar. De rechtbank zal aan de veroordeling een dwangsom verbinden, tot een in het dictum op te nemen maximum. Daarbij tekent de rechtbank voor de duidelijkheid aan dat met de vernietiging van de besluiten van het bestuur de in artikel 2:35 lid 4 laatste volzin BW bedoelde schorsing eindigt.

[]



4.21.

De rechtbank zal haar vonnis, met inbegrip van de vernietiging van de besluiten, uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals gevorderd.

5De beslissing

De rechtbank:
5.1.

verklaart de VOF en [mevrouw B] niet-ontvankelijk in hun vorderingen;
5.2.

vernietigt het besluit van 3 maart 2017 tot ontzetting van [de heer A] uit het lidmaatschap van de vereniging;
5.3.

vernietigt het besluit van 5 oktober 2017 tot opzegging van het lidmaatschap van de vereniging;
5.4.

verplicht de vereniging [de heer A] met ingang van de datum van dit vonnis als volwaardig lid te behandelen en te blijven behandelen tot het lidmaatschap op rechtsgeldige wijze is geëindigd, zulks op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per overtreding, zulks tot een maximum van € 10.000,–;

Opzegging lastige leden (Historische Automobiel)

Rb. Den Haag 31 januari 2018
ECLI:NL:RBDHA:2018:982

De vereniging zegt het lidmaatschap op van twee “lastige leden” die het over een bepaalde beleidskeuze oneens zijn met het (nieuwe) bestuur en de door de ALV genomen besluiten. De vereniging kiest verstandig genoeg niet voor ontzetting, maar voor opzegging. De twee leden zijn het er niet mee eens en stappen naar de rechter.

De rechter legt eerst het verschil tussen opzegging van het lidmaatschap en ontzetting van een lid uit:
” Anders dan [de twee leden] hebben betoogd, volgt uit de brieven van het bestuur van HAV van 28 november 2016 onmiskenbaar dat niet is beoogd om [de twee leden] te ontzetten uit het lidmaatschap, maar dat is bedoeld om tegen hen een minder vergaande maatregel te treffen, te weten opzegging van hun lidmaatschap op de voet van artikel 2:35 lid 2 BW met inachtneming van een opzegtermijn van één maand tegen 1 januari 2017.” 


De rechter oordeelt dan dat het bestuur de mogelijkheid van opzegging heeft, zelfs als in de statuten en het huishoudelijk reglement slechts wordt gesproken van royement.

” Een vereniging kan het lidmaatschap van een lid opzeggen indien (onder meer) redelijkerwijs van haar niet kan worden gevergd het lidmaatschap te laten voortduren (artikel 2:35 lid 2 BW). Het gegeven dat de statuten en het huishoudelijk reglement van HAV over opzegging door de vereniging niets vermelden, neemt niet weg dat de wet HAV uitdrukkelijk deze mogelijkheid biedt. Terecht betoogt HAV daarom dat zij, naast de statutaire en wettelijke mogelijkheid tot ontzetting van een lid uit het lidmaatschap, tevens een daarvan te onderscheiden minder vergaande mogelijkheid heeft om het lidmaatschap door opzegging te doen eindigen.” 









De rechter overweegt vervolgens dat hij het besluit van het bestuur niet diepgaand hoeft te toetsen:
 ” Bij het nemen van een dergelijk besluit komt de vereniging een vrijheid toe die meebrengt dat een besluit tot opzegging jegens het betrokken lid slechts ontoelaatbaar is indien de vereniging in de gegeven omstandigheden, waaronder de door haar behartigde belangen, jegens het betrokken lid in redelijkheid niet tot een zodanige maatregel had kunnen komen.” 
De opzegging was terecht, volgens de rechter:
” Voorts is duidelijk geworden dat tussen enerzijds [eiser sub 1] en [eiser sub 2] en anderzijds het bestuur van HAV en een groot deel van haar leden een onverenigbaarheid van karakters bestaat die al veel conflicten heeft opgeleverd en naar het zich laat aanzien nog vele conflicten zal kunnen opleveren. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] hebben die stellige indruk ter zitting niet kunnen wegnemen. 
Daarmee is een punt bereikt waarop van HAV niet kan worden gevergd hun lidmaatschap te laten voortduren en bestaat voldoende grond voor opzegging van het lidmaatschap.” 
Wat mij betreft een helder geschreven en terechte uitspraak. Ik hoop dat alle besturen die af willen van lastige leden de uitspraak lezen en toepassen (of hun juristen). 

Vonnis van 31 januari 2018

in de zaak van
1. [eiser sub 1],
2. [eiser sub 2],

tegen de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid
HISTORISCHE AUTOMOBIEL VERENIGING,

Partijen zullen hierna [eiser sub 1] en [eiser sub 2] , respectievelijk HAV genoemd worden.



2De feiten

2.1.

HAV is een landelijk opererende oldtimer vereniging, opgericht op 31 augustus 1964. HAV kent negen zogeheten ‘districten’: Noord, Centrum, Land van Gelre, Brabant, Noord-Holland, West, Oost, Zwolle en de HAV Vrachtwagengroep. De districten van HAV zijn geen zelfstandige rechtspersonen. De leden binnen een district kiezen gezamenlijk een districtscommissaris die voor het gevoerde financiële beleid van het district verantwoording verschuldigd is aan de penningmeester van HAV.
2.2.

De statuten van HAV luiden, voor zover van belang:

 DOEL Artikel 4.1. De vereniging stelt zich ten doel:a. het in stand houden, verzamelen en het restaureren van automobielen, motorvoertuigen en toebehoren, die hetzij uit historisch oogpunt, hetzij uit oogpunt van zeldzaamheid van belang zijn te worden bewaard, te bevorderen;b. de belangen van eigenaars van de onder a bedoelde automobielen, motorvoertuigen en toebehoren te behartigen, alsmede de belangstelling van anderen hiervoor op te wekken;c. onder haar leden een vriendschapsband te vormen en te onderhouden.2. De vereniging tracht dit doel te bereiken met inachtneming van hetgeen wettelijk en rechtens geoorloofd is en wel in het bijzonder door:a. het organiseren van en het medewerken aan evenementen voor de in lid 1 sub a bedoelde automobielen en motorvoertuigen, zoals toertochten, rally’s, tentoonstellingen, concoursen en dergelijke;b. het houden van bijeenkomsten, filmavonden, lezingen en dergelijke;c. het verzamelen en verstrekken van technische en andere gegevens aan leden over de onder lid 1 sub a bedoelde automobielen, motorvoertuigen en toebehoren;d. het eventueel uitgeven van een verenigingsorgaan;e. het eventueel samenwerken met andere instellingen in binnen- en buitenland die hetzelfde of soortgelijke doel nastreven;f. alle andere wettige middelen, die aan haar doel, in de ruimste zin genomen, bevorderlijk kunnen zijn.(…)

BEËINDIGING VAN HET LIDMAATSCHAP Artikel 7.1. Het lidmaatschap eindigt:a. aan het einde van het verenigingsjaar door opzegging, welke schriftelijk dient te geschieden aan de secretaris der vereniging voor één december van dat jaar;b. door overlijden van het lid;c. door royement, dat wordt uitgesproken door de ledenvergadering op voordracht van het bestuur zoals nader omschreven in het huishoudelijk reglement;d. terzake van rechtspersonen door hun ontbinding of faillissement.”

2.3.

Het huishoudelijk reglement van HAV bepaalt onder meer:

“Artikel 1. LEDEN EN LIDMAATSCHAP.1. (…)2. Het bestuur is bevoegd zonder opgave van redenen de toelating tot het lidmaatschap te weigeren. Tegen deze weigering staat geen beroep open. (…).(…)

Artikel 3. SCHORSING EN ONTZETTING.Het bestuur zal een lid kunnen schorsen in de volgende gevallen:1. Bij wangedrag, waaronder wordt verstaan het schaden van de belangen van de vereniging, dan wel indien het lid handelt in strijd met de statuten, het huishoudelijk reglement of bestuursbesluiten. Het lid wordt daartoe schriftelijk, met vermelding van redenen, opgeroepen tegenover het bestuur verantwoording van zijn gedragingen af te leggen. In deze vergadering zal het bestuur het lid mededelen of er al dan niet tot schorsing zal worden overgegaan. Het lid kan binnen één maand nadat de schorsing door het bestuur is uitgesproken een bezwaarschrift tegen de schorsing indienen bij de ledenvergadering. De ledenvergadering kan de schorsing opheffen, haar verlengen tot maximaal een periode van twaalf maanden, dan wel op voorstel van het bestuur het voor schorsing voorgedragen lid uit het lidmaatschap ontzetten.”

2.4.

[eiser sub 1] en [eiser sub 2] zijn 30 respectievelijk 40 jaar geleden lid geworden van HAV. [eiser sub 2] is tot 2015 districtscommissaris geweest van district Centrum. [eiser sub 1] was tot en met 2016 assistent-districtscommissaris van district Centrum. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] zijn bij diverse activiteiten van district Centrum betrokken geweest, waaronder het organiseren van tourritten, technische avonden en zogeheten ‘koffieklets-avonden’ bij [eiser sub 1] thuis.
2.5.

Sinds 2008 is binnen HAV gediscussieerd over (de meerwaarde van) het toenmalige lidmaatschap van HAV van de Federatie Historische Automobiel- en Motorfietsclubs (hierna: FEHAC). FEHAC is een overkoepelende organisatie van historische automobielverenigingen die de belangen van de aangesloten clubs bij (onder andere) de overheid behartigt. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] behoorden tot de voorstanders van het lidmaatschap van HAV van FEHAC.
2.6.

Op 16 mei 2014 heeft een vertegenwoordiger van district Noord-Holland onder meer het volgende aan het bestuur van HAV bericht:
“Lotgenoten, De delegatie Noord-Holland heeft bijna met gejuich de soap [eiser sub 2] / [eiser sub 1] ervaren. Wij zijn unaniem van mening dat nieuwe bezems schoon vegen en waren blij met de aktie van het hoofdbestuur, nav. De ALV, waarbij deze heren hun inzet voor de HAV eindelijk opzegden (openlijk in de vergadering)”

2.7.

Op 20 mei 2014 heeft toenmalige secretaris van HAV, [A] (hierna: [A] ) per e-mail het volgende aan zijn medebestuursleden bericht (waarbij ‘DC’ staat voor: districtscommissaris):
“Helaas ben ik danig teleurgesteld zo als het bestuur nu acteert.

Eerst nemen we als bestuur een aantal besluiten die genotuleerd zijn.

Er zijn reeds een aantal brieven verzonden. Er is reeds met DC Noord-Holland gesproken en de brieven naar de DC’s zijn ook al verzonden, en dan willen we weer een brief versturen waar [eiser sub 2] [ [eiser sub 2] , toevoeging rechtbank] mag aanblijven als hij zijn uitspraak terug neemt.
Waar zijn we eigenlijk mee bezig, de enige die lacht is [eiser sub 2] en volgend jaar weer het zelfde
verhaal?
Wat doen als hij geen goede verklaring heeft voor het opgenomen geld, dan mag hij zeker ook van jullie aanblijven als DC.

Hier pas ik voor, ik neem aan dat jullie het gezegde kennen “first in first out” en hier wil ik het dan bij laten voor dit moment.”

2.8.

In 2015 heeft de algemene ledenvergadering van HAV met 35 voorstemmen en 5 tegenstemmen besloten om het lidmaatschap van FEHAC op te zeggen.
2.9.

Kort na ontvangst van de opzegbrief door FEHAC hebben twee medewerkers van FEHAC ( [B] en [C] ) zich via district Centrum als aspirant-lid aangemeld bij HAV. Het bestuur van HAV heeft beide personen op basis van artikel 1 sub 2 van het huishoudelijk reglement geweigerd als lid.
2.10.

Tijdens de bestuursvergadering van 23 juni 2015 waarin het besluit werd genomen om één van voornoemde personen te weigeren als lid, heeft de ledenadministrateur van HAV, [D] (hierna: [D] ), telefonisch contact opgenomen met [eiser sub 1] en [eiser sub 2] om hen van het bestuursbesluit op de hoogte te stellen.
2.11.

Kort hierna heeft [eiser sub 1] per e-mail het volgende aan het bestuur van HAV bericht:
“ hier bij vraag ik u of het normaal is dat de leden administrateur mij avonds om 10 uur belt met de mededeling dat hij tegen het lidmaatschap van ene heer [B] is ook heeft hij mij verboden om deze meneer toe te laten op de koffie klets. Hoe veel moet ik nog accepteren van deze [D] . Tussen door heeft hij nog even geantwoord op mijn in gezonden commentaar omtrent de fehac het antwoord was wij hebben als bestuur dit besloten en komen er niet op terug als dat al zo is dan verwacht ik van het Bus tuur en de voorzitter daar op antwoord en niet van deze [D] .”

2.12.

Op 25 juni 2015 heeft [D] per e-mail het volgende aan het bestuur van HAV bericht:
“Ik snap dat we de reactie van [eiser sub 1] ook voor deze keer weer met de mantel der liefde willen bedekken echter ik ga hier niet mee akkoord. De inhoud van zijn reactie en de respectloze manier waarop hij mij hier neerzet gaan wat mij betreft veel te ver en daar pas ik voor.

De afgelopen periode heb ik een aantal malen aan jullie door laten schemeren dat ik het meer dan zat ben hoe je als vrijwilliger door sommige mensen binnen de HAV wordt behandeld; deze reactie van de heer [eiser sub 1] is daar weet een mooi voorbeeld van.

Gisterenavond hebben we in onze bestuursvergadering veel aandacht besteed aan de toekomst van District Centrum en het toetreden van aspirant lid de heer [B]
In goed overleg hebben we toen besloten dat ik [eiser sub 2] en [eiser sub 1] zou bellen om hun te informeren over het besluit rondom de heet [B] en de plannen met district Centrum. Na het telefoongesprek met [eiser sub 2] heb ik vervolgens om 21.06 uur [eiser sub 1] telefonisch gesproken en niet zoals hij zelf schrijft om 22.00 uur.

De afgelopen jaren heb ik altijd met veel plezier de nodige (kostbare) vrije tijd in de HAV gestoken. Wanneer ik dan een reactie zoals deze van de heer [eiser sub 1] lees waarin hij mij neerzet als een hoop stront voelt dit als een messteek in de rug en kan ik maar 1 conclusie trekken helaas.

Zowel zakelijk als privé heb ik de afgelopen jaren het nodige meegemaakt waardoor ik o.a de conclusie heb getrokken dat ik alleen nog maar dingen wil gaan doen die leuk en leerzaam zijn. De huidige ontstane situatie binnen de HAV hoort hier wat mij betreft niet meer bij omdat het te veel negatieve energie kost.

Voor mij is dit dan ook de reden om per direct en tot nader order mijn werkzaamheden voor de HAV op te schorten.

Wat mij betreft zijn er nu 2 stappen die genomen kunnen worden:
1. De heer [eiser sub 1] biedt zijn verontschuldiging aan, zowel aan mij als aan het bestuur;
2. Wij blijven het gedrag van de heer [eiser sub 1] tolereren met als gevolg dat ik permanent mijn functie zal neerleggen

De ledenadministratie, website en VARIA verzending heb ik voor nu ook stilgelegd

[… ] , ik vind het echt jammer dat jij als terugkerende secretaris dit weer moet meemaken maar eens is voor mij ook de maat vol. Het getuigt van weinig respect als je zo met je bestuursleden omgaat, blijkbaar krijgt de heer [eiser sub 1] wel veel energie van.”

2.13.

[eiser sub 1] heeft geweigerd zijn verontschuldigingen aan [D] aan te bieden. Daarop heeft [D] zijn functie neergelegd.
2.14.

In september 2015 hebben [eiser sub 1] en [eiser sub 2] leden van HAV benaderd om de besluitvorming met betrekking tot het lidmaatschap van FEHAC ongedaan te maken.
2.15.

Op 23 oktober 2015 heeft [eiser sub 1] een e-mailbericht aan het bestuur van HAV gestuurd. Dit bericht luidt onder meer als volgt:
“beste […] kun je mij vertellen wat en waarom er iets aan de hand is bij de H.A.V. ik dacht dat ik al jaren gezellig met [eiser sub 2] als tweede man mee ging maar ik begin mij nu toch af te vragen of ik nog wel zin heb in de H.A.V. er is alleen maar gezodemieter aan de gang een voor zitter die zijn woord niet houd en verder niets duld van de leden. waar schijnelijk het bestuur om de tuin lijd wand om de agenda voor de komende D C gevraagd te hebben voor mij en voor [eiser sub 2] en door dat ik dan in engeland ben voor mijn ver vanger de heer [E] . Ook is de voorzitter in zake H.A.V FeHac Knac niet op de hoogte.
de knac doet alleen aan de H.A.V. een aan tal euros betalen voor elk H.A.V.lid wat lid wordt van de Knac. De vriendenclubs aan gesloten bij de knac. daar van komen alleen de besturen een paar keer per jaar bij elkaar, om te vertellen wat ze het jaar bereikt hebben wat de Fehac al lang gemeld en bereikt hebben hoelang gaat dit nog duren.
Sorry voor dit bericht maar ik ben wit heet. Ik was wel goed om te zorgen dat [D] ver trok waar mee ik door de voorzitter werd gefeliciteerd”

2.16.

Tijdens de algemene ledenvergadering van HAV op 2 april 2016 is een door [eiser sub 2] opgesteld pamflet uitgedeeld. Dit pamflet luidt onder meer als volgt:
“Beste H.A.V leden en bestuur naar aanleiding van de vergadering in 2015 kom ik hier op terug met het oog op de opzegging van de FEHAC dat wij als vereniging geen lid meer zijn van de FEHAC

Dit wordt een probleem voor al de oldtimer bezitters want ik ben in contact geweest met de FEHAC dat zij bij de regering gaan praten dat zei de enige overkoepeling in nederland zullen zijn waar je als oldtimer bezitter je straks kunt opgeven om lid of donatuur te worden van de FEHAC ben je dat niet dan kun je niet meer met je oldtimer de openbare weg op als je denkt dat jouw autoclub dat wel heeft zit je fout”

2.17.

Op 4 april 2016 heeft oud-bestuurslid [F] (hierna: [F] ) onder meer het volgende aan het HAV-bestuur bericht:
“Eén van de redenen van mijn reactie is dat het geze….. in JALV, steeds van dezelfde mensen een beetje beu begin te raken. Zoals [G] zei: we zijn een gezelligheidsvereniging geen politieke partij. Natuurlijk mag je kritisch zijn maar dan over de inhoud, niet de persoon. Als een bestuurslid niet goed functioneert dan zijn er andere, meer respectabele en beschaafdere manieren om één en ander te regelen. Laten we het hebben over onze auto’s, acties in onze districten, leuke ideeën voor het jaarevenement, over het aantrekken van nieuwe leden, over het helpen wanneer een district buiten schuld eventjes wat problemen heeft. Kortom er zijn wel wat andere zaken te vinden die meer belangrijke zijn voor de HAV.

Op de uitgebreide reactie van [Q] nog graag het volgende:

Ja, [eiser sub 1] is een moeilijk mens. In de afgelopen 40 jaar, en met name in mijn tijd als secretaris, zijn er diverse “aanvaringen” geweest. Het is niet mijn vriend, het zal nooit mijn vriend worden, dus houd ik beleefd afstand en probeer geen redenen te geven voor
een nieuwe woede aanval. Dat betekent niet dat ik mij door hem de les laat lezen. Dat weet hij, dus het is een soort gewapende vrede.
Ook [eiser sub 2] kan soms ontploffen. Tijdens een telefoongesprek, jaren geleden, werd ik voor van alles uitgemaakt, dat wil je je moeder niet vertellen. Ook hem heb ik “uitgezeten”, dat kost wat tijd maar waarschijnlijk was hij tot de conclusie gekomen dat hij met mij toch de kachel niet kon aanmaken.

Royering van een lid kan (zie het huishoudelijk reglement, artikel 3) maar is – ter bescherming van het lid – een wat complexe handeling. Dat doe je als Bestuur wanneer alle andere middelen zijn uitgeput en desbetreffende persoon een gevaar voor het
voortbestaan van de HAV zou gaan betekenen. Op dit moment zijn we helaas nog niet zo ver.”

2.18.

Op enig moment heeft het bestuur van HAV een petitie ontvangen die door 28 leden van het District Oost van HAV is ondertekend. Deze petitie luidt als volgt:
“Wij, ondergetekenden, leden van de HAV uit het District Oost, willen het volgende aan u voorleggen.

Al jaren verstoren de heren [eiser sub 1] en [eiser sub 2] van het District Centrum de algemene ledenvergaderingen van onze HAV tot groot ongenoegen van ons allen.
Elke vergadering weer, lukt het hun door het verdraaien van waarheden en het roepen van leugens chaos te scheppen. Door deze lieden worden zelfs wij en ook bestuursleden persoonlijk aangevallen. Velen van ons zijn dan ook, vanwege deze “recalcitrante” lieden, met een kater na de vergadering naar huis gegaan.

Wij zijn lid van de HAV om met z’n allen leuke ritten met onze oldtimers te maken en leuke vergaderingen en koffiekletsen bij te wonen, waar we op een positieve en constructieve manier van onze hobby kunnen genieten. De boven beschreven lieden maken dit echter soms onmogelijk.

We willen daarom u als bestuur opdragen om maatregelen te treffen zodat deze lieden niet meer in de gelegenheid zijn om onze mooie club stuk te maken. We willen in de toekomst graag weer genieten van onze HAV!”

2.19.

Op 5 oktober 2016 heeft de voorzitter van HAV, [H] (hierna: [H] ), per e-mail aan zijn medebestuursleden bericht:
“Bij deze laat ik u weten, en voor de verplichte opzegtermijn van November, dat ik mijn lidmaatschap op wil zeggen per 1 Januari 2017. Mocht blijken dat de heren [eiser sub 1] en [eiser sub 2] , geen lid meer zijn van de HAV, zal ik mijn functie als voorzitter weer op mij nemen en blijf ik lid van de HAV. Mochten deze hierboven genoemde personen per 1 januari 2017 nog lid zijn dan ben ik zowel als voorzitter en als lid niet meer beschikbaar.”

2.20.

Met een brief van 8 november 2016 heeft het bestuur van HAV het volgende aan [eiser sub 1] en [eiser sub 2] bericht:
“Middels deze brief zegt het bestuur van de Historische Automobiel Vereniging (HAV) uw lidmaatschap van de HAV op met ingang van 1 januari 2017, op grond van artikel 2:35 van het Burgerlijk Wetboek.

Er hebben zich de afgelopen jaren verschillende incidenten voorgedaan tijdens algemene ledenvergaderingen die voor verschillende bestuursleden aanleiding zijn geweest hun bestuurslidmaatschap te beëindigen. U creëert constant tegenstellingen binnen de vereniging. Bestuursleden worden door u persoonlijk aangevallen, minachtend bejegend en de sfeer tijdens de algemene ledenvergaderingen laat zeer te wensen over door uw opstelling. Besluiten die de algemene ledenvergadering heeft genomen worden door u niet gerespecteerd en telkens opnieuw aan de orde gesteld, waarbij u bestuursleden beticht van het om de tuin leiden van leden.

Een aantal leden heeft aangegeven op deze manier geen lid meer te willen zijn van de HAV. Het bestuur heeft na afloop van de laatste algemene ledenvergadering van verschillende leden brieven en e-mailberichten ontvangen dat het zo niet langer kan en hebben het bestuur gevraagd maatregelen te treffen jegens u. Inmiddels heeft de voorzitter van de HAV naar aanleiding van de wijze waarop u hem heeft bejegend tijdens de laatste algemene ledenvergadering, besloten zijn bestuurszetel ter beschikking te stellen en het lidmaatschap van de HAV op te zeggen.

Eén van doelstellingen van de HAV is onder haar leden een vriendschapsband te vormen en te onderhouden. Door uw opstelling is de HAV niet (meer) in staat dit doel te bereiken. Er worden door u geen vriendschapsbanden gevormd, er ontstaan steeds meer controverses binnen de vereniging. Van de vereniging kan dan ook redelijkerwijs niet meer gevergd worden uw lidmaatschap te laten voortduren. Het bestuur ziet geen andere mogelijkheid meer dan het lidmaatschap van u per 1januari aanstaande te beëindigen.”

2.21.

Met een brief van 30 november 2016 aan de leden van District Centrum heeft het bestuur van HAV het volgende bericht:
“In iedere vereniging is af en toe iets aan de hand. De HAV vormt daarop geen uitzondering. Iemand zegt of doet binnen een club weleens dingen die niet iedereen welgevallig zijn.

Soms gebeurt dit echter in ergere mate en leidt dit tot een onwerkzame situatie. Om deze onwerkzame situatie weg te nemen, heeft een bestuur de wettelijke mogelijkheid het lidmaatschap van een lid te beëindigen.

Het bestuur van de HAV heeft besloten het lidmaatschap te beëindigen van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] .

Wellicht verbaast u dat, maar het feit dat het bestuur een fiks aantal klachten over beide heren heeft ontvangen en we door hun toedoen in een periode van twee jaar meerdere bestuursleden verloren hebben of dreigen te verliezen, maakt deze maatregel noodzakelijk.
Het bestuur realiseert zich dat u hierdoor uw vaste koffieklets adres kwijtraakt maar daar komt ongetwijfeld een oplossing voor en bovendien bent u van harte welkom in de andere districten.”

3Het geschil

3.1.

[eiser sub 1] en [eiser sub 2] vorderen, zakelijk weergegeven:
1. te verklaren voor recht dat de opzegging van het lidmaatschap van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] door het bestuur van HAV nietig is, althans de opzegging van het lidmaatschap door het bestuur te vernietigen;
2. HAV te veroordelen een rectificatie te plaatsen in het verenigingsorgaan “HAVaria” en op de website www.de-hav.nl, zoals weergegeven in paragraaf 3.2-3.4 van de dagvaarding, althans op een wijze en met een inhoud die de rechtbank in goede justitie geraden acht;
3. HAV te veroordelen in de proceskosten.
3.2.

[eiser sub 1] en [eiser sub 2] leggen aan hun vorderingen het volgende ten grondslag, samengevat.
Uit artikel 7 van de statuten van HAV, al dan niet in verbinding met artikel 3 van het huishoudelijk reglement, blijkt dat het bestuur de bevoegdheid mist om het lidmaatschap van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] te beëindigen. Uitsluitend de algemene ledenvergadering van HAV heeft die bevoegdheid. Daardoor is het bestuursbesluit, dat met de brieven van 28 november 2016 aan [eiser sub 1] en [eiser sub 2] is gecommuniceerd, primair nietig op grond van artikel 2:14 Burgerlijk Wetboek (BW). Subsidiair is het bestuursbesluit vernietigbaar op de gronden genoemd in artikel 2:15 lid 1 sub a, b en c BW. Daarnaast is het bestuursbesluit ook vernietigbaar wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in artikel 2:8 BW. Immers, [eiser sub 1] en [eiser sub 2] zijn meer dan 30 en 40 jaar actieve leden geweest van HAV en thans is er slechts één verschil van inzicht met het bestuur met betrekking tot de opzegging door het bestuur van het lidmaatschap van HAV van FEHAC. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] kunnen rekenen op veel adhesiebetuigingen van HAV-leden.

3.3.

HAV voert verweer.
3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4De beoordeling

4.1.

Aan het lidmaatschap van een vereniging zijn voor het lid rechten en verplichtingen verbonden. Welke verplichtingen voor de leden gelden, blijkt uit de statuten, reglementen en besluiten van de vereniging. Daarnaast geldt zowel voor de vereniging als de leden artikel 2:8 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Ingevolge dit artikel zijn de vereniging en de leden verplicht zich tegenover elkaar te gedragen naar wat door de redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd. Deze gedragsregel geldt ook voor leden onderling.
4.2.

Het bestuur van HAV heeft het lidmaatschap van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] beëindigd, omdat zij – kort gezegd – vindt dat het gedrag van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] niet langer getolereerd kan worden. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] zijn het met die beëindiging niet eens. Thans ligt derhalve de vraag voor of het bestuursbesluit in kwestie stand kan houden.
4.3.

[eiser sub 1] en [eiser sub 2] leggen aan hun vorderingen in de eerste plaats ten grondslag dat dit besluit is genomen in strijd met de statuten. Daarnaast baseren zij hun vorderingen op de stelling dat het besluit strijdig is met de beginselen van redelijkheid en billijkheid.
4.4.

Op grond van artikel 7 onder c van de statuten van HAV eindigt het lidmaatschap door royement dat wordt uitgesproken door de ledenvergadering op voordracht van het bestuur zoals nader omschreven in het huishoudelijk reglement. Op grond van artikel 3 van het huishoudelijk reglement van HAV kan in samenhang hiermee een lid worden geschorst en zonodig uit het lidmaatschap worden ontzet indien het lid in strijd met de statuten, de reglementen of de bestuursbesluiten van de vereniging heeft gehandeld. Deze gronden voor schorsing en ontzetting komen overeen met drie in artikel 2:35 lid 3 BW genoemde wettelijke gronden voor ontzetting uit het lidmaatschap. Een besluit tot ontzetting geldt als een maatregel van tuchtrechtelijke aard en dient slechts als uiterste middel te worden toegepast. Daarbij moet gedacht worden, indien het besluit is gegrond op onredelijke benadeling van de vereniging, aan het door handelwijze of uitlatingen in ernstig diskrediet brengen van de vereniging, aan het scheppen van een zodanig verkeerd beeld van de vereniging dat daardoor het aanzien van de vereniging ernstig wordt geschaad of aan herhaald wangedrag.
4.5.

Anders dan [eiser sub 1] en [eiser sub 2] hebben betoogd, volgt uit de brieven van het bestuur van HAV van 28 november 2016 onmiskenbaar dat niet is beoogd om [eiser sub 1] en [eiser sub 2] te ontzetten uit het lidmaatschap, maar dat is bedoeld om tegen hen een minder vergaande maatregel te treffen, te weten opzegging van hun lidmaatschap op de voet van artikel 2:35 lid 2 BW met inachtneming van een opzegtermijn van één maand tegen 1 januari 2017.
4.6.

Een vereniging kan het lidmaatschap van een lid opzeggen indien (onder meer) redelijkerwijs van haar niet kan worden gevergd het lidmaatschap te laten voortduren (artikel 2:35 lid 2 BW). Het gegeven dat de statuten en het huishoudelijk reglement van HAV over opzegging door de vereniging niets vermelden, neemt niet weg dat de wet HAV uitdrukkelijk deze mogelijkheid biedt. Terecht betoogt HAV daarom dat zij, naast de statutaire en wettelijke mogelijkheid tot ontzetting van een lid uit het lidmaatschap, tevens een daarvan te onderscheiden minder vergaande mogelijkheid heeft om het lidmaatschap door opzegging te doen eindigen.
Bij dit oordeel betrekt de rechtbank dat de in artikel 3 van het huishoudelijk regelement van HAV vermelde gronden voor royement gelijkluidend zijn aan de in artikel 2:35 lid 3 BW opgesomde gronden voor ontzetting uit het lidmaatschap en dat met ‘royement’ in de jurisprudentie en naar hedendaags spraakgebruik uitsluitend ontzetting uit het lidmaatschap is bedoeld. De rechtbank verwerpt daarmee het standpunt van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] dat met het begrip ‘royement’ in de statuten van HAV tevens de mogelijkheid van opzegging van het lidmaatschap is bedoeld, omdat de tekst van artikel 7 van de statuten dateert van vóór de inwerkingtreding van artikel 2:35 BW. Voor die historische uitleg hebben [eiser sub 1] en [eiser sub 2] geen overtuigende aanknopingspunten aangedragen.
4.7.

Nu de statuten van HAV de bevoegdheid tot opzegging niet aan een ander orgaan (zoals de algemene ledenvergadering) opdragen, berust deze volgens de laatste volzin van artikel 2:35 lid 2 BW bij het bestuur van HAV. Van deze wettelijke bevoegdheid heeft het bestuur op 28 november 2016 gebruik gemaakt. Bij het nemen van een dergelijk besluit komt de vereniging een vrijheid toe die meebrengt dat een besluit tot opzegging jegens het betrokken lid slechts ontoelaatbaar is indien de vereniging in de gegeven omstandigheden, waaronder de door haar behartigde belangen, jegens het betrokken lid in redelijkheid niet tot een zodanige maatregel had kunnen komen.
4.8.

De rechtbank stelt bij die marginale toetsing van het besluit tot opzegging voorop dat een lid van een vereniging weliswaar het recht heeft om zijn mening te uiten, maar dat dit wel dient te gebeuren binnen de bandbreedte van de gedragsregel van artikel 2:8 BW.
De rechtbank leidt uit de beschikbare documentatie en de toelichting van partijen ter zitting echter af dat het geschil tussen enerzijds [eiser sub 1] en [eiser sub 2] en anderzijds het bestuur van HAV en een groot deel van de leden over het vertrek van HAV bij FEHAC, is ontaard in een situatie waarin het gedrag van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] meerdere malen negatieve effecten heeft gehad op de bestuursleden en (de leden van) HAV.
In plaats van hun mening zodanig te verwoorden dat daarmee geen fatsoensnormen werden overschreden, hebben [eiser sub 1] en [eiser sub 2] naar het oordeel van de rechtbank met hun uitingen meerdere keren de bandbreedte van artikel 2:8 BW overschreden en in hoge mate bijgedragen aan creëren van tegenstellingen binnen HAV en het (al dan niet dreigende) vertrek van – als vrijwilligers werkzaam zijnde – bestuursleden en de ledenadministrateur. HAV heeft tegenover de betwisting van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] voldoende toegelicht dat het functioneren van de vereniging als gevolg van de opstelling van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] zeer moeizaam is geworden. Voorts is duidelijk geworden dat tussen enerzijds [eiser sub 1] en [eiser sub 2] en anderzijds het bestuur van HAV en een groot deel van haar leden een onverenigbaarheid van karakters bestaat die al veel conflicten heeft opgeleverd en naar het zich laat aanzien nog vele conflicten zal kunnen opleveren. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] hebben die stellige indruk ter zitting niet kunnen wegnemen.
Daarmee is een punt bereikt waarop van HAV niet kan worden gevergd hun lidmaatschap te laten voortduren en bestaat voldoende grond voor opzegging van het lidmaatschap.
4.9.

De rechtbank komt daarom tot het oordeel dat het bestuur van HAV in redelijkheid tot het besluit tot opzegging van het lidmaatschap van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] heeft kunnen komen. Dit betekent dat de gevorderde verklaring voor recht zal worden afgewezen. De gevorderde rectificatie deelt dit lot, op dezelfde gronden.
4.10.

Verplicht lidmaatschap en koopzondagen (De Paddepoel)

Rechtbank Noord-Nederland 3 januari 2018 ECLI:NL:RBNNE:2018:20

Deze zaak gaat over de winkelier die een boete kreeg van het winkelcentrum omdat hij op koopavonden niet geopend was. De zaak heeft de media gehaald. In wezen gaat het echter om verenigingsrecht. De winkelier heeft aangekondigd in hoger beroep te gaan, en er vallen inderdaad wel wat dingen aan te merken op de uitspraak van de rechtbank.

Kort gezegd was de verplichting om open te zijn op koopavonden vastgelegd in het huishoudelijk reglement, en is bij de opzet van de vereniging duidelijk geprobeerd om het lidmaatschap verplicht te maken. Een echte VvE (boek 5 BW) was echter niet mogelijk omdat het winkelcentrum geen appartementencomplex is. Daarom is gekozen voor een verplichting om lid te blijven in de leveringsakte van de winkel, en voor een “coöperatieve vereniging” in plaats van een gewone vereniging. De harde regel is dat niemand verplicht kan worden lid te zijn (of blijven) van een vereniging omdat het in strijd is met de (negatieve) vrijheid van vereniging zoals beschermd in artikel 11 EVRM. Bij een coöperatieve vereniging kunnen wel extra voorwaarden worden gesteld aan opzegging van het lidmaatschap (artikel 2:60 BW). De reden hiervoor is dat het de bedoeling is dat de coöperatieve vereniging een bedrijf uitoefent voor de gezamenlijke leden en “de investering en [de] gehele bedrijfsvoering zijn afgezet op de te behalen omzet, die weer grotendeels afhankelijk is van de leden” (Dijk/Van der Ploeg, 6.8.4 (2013)).

De rechtbank oordeelt dat de “volledige uitsluiting van de uittredingsvrijheid” ongeoorloofd is. Dit is echter niet wat de statuten van de vereniging bepalen. De statuten sluiten artikel 2:36, lid 1, eerste volzin uit, waarin staat dat leden kunnen opzeggen tegen einde van het lopende boekjaar. Artikel 36, lid 1, eerste volzin, laat dat inderdaad toe. De tweede volzin is echter in ieder geval van toepassing (volgens de wet), en wordt ook niet uitgesloten. In de tweede volzin van artikel 2:36 lid 1 staat dat opzegging in elk geval kan tegen het einde van het volgende boekjaar. Dus, bij de opzegging in mei 2016, einde lidmaatschap per 1 januari 2018 –  dat is ook waar de rechtbank op uitkomt (r.o. 4.18) – of onmiddellijk indien “redelijkerwijs niet gevergd kan worden”  van het lid om het lidmaatschap te laten voortduren. De rechtbank dat de winkelier “niet of onvoldoende onderbouwd feiten gesteld waaruit volgt dat van haar redelijkerwijs niet kon worden gevergd het lidmaatschap voor enige tijd te laten voortduren.” Dat zal dan kennelijk zo zijn – hoewel de mediaberichtgeving anders doet lijken. De rechtbank is niet heel precies waar ze stelt dat de vereniging “de toepassing van de art. 2:36 lid 1 en lid 3 BW” heeft uitgesloten in de statuten – de statuten sluiten slechts de eerste volzin van art. 2:36 lid 1 BW uit, niet de tweede volzin. De conclusie die de rechtbank trekt uit die vermeende uitsluiting van artikel 2:36 lid 1 en 3 BW, dat ” CVvE haar rechtsverhouding met haar leden zo willen regelen dat opzegging met (onmiddellijke) ingang [sic!] niet mogelijk is” lijkt dan ook geen steun te vinden in de statuten.

De vereniging heeft ook artikel 2:36 lid 3 uitgesloten ” Ten aanzien van zowel financiële- als ook andere verplichtingen van een lid” . Daarin is bepaald dat een lid het lidmaatschap kan opzeggen (binnen een maand) bij verzwaring van zijn verplichtingen. Het is mij overigens niet duidelijk of er een verzwaring was binnen een maand voor de opzegging in mei 2016. In ieder geval geeft artikel 2:36 lid 3 tweede volzin aan dat je in de statuten dat inderdaad mag uitsluiten voor “geldelijke verplichtingen” en voor ” voor het geval van wijziging van de daar [d.w.z. in de statuten] nauwkeurig omschreven rechten en verplichtingen”  De uitsluiting voor ” andere verplichtingen” in de statuten is dus mi.i. ongeldig (nietig) omdat het geen nauwkeurige omschrijving is van de betreffende verplichtingen.

In de statuten is verder opgenomen, als voorwaarde voor uittreding onder 2:60 BW, de “verplichting om te blijven bijdragen in de gemeenschappelijke kosten en lasten van de Vereniging als ware men lid van de Vereniging gedurende de tijd, dat hij/zij van [sic; bedoeld zal zijn “gerechtigde van” ] een onroerende zaak is in het in artikel 1 bedoelde winkelcentrum”. 

Deze voorwaarde wordt voor “niet geschreven” gehouden (de terminologie komt uit art. 2:60) omdat ze te onbepaald zou zijn. Dat bepaling is mogelijk inderdaad (te) onbepaald, uit het arrest van de Hoge Raad waar de rechtbank naar verwijst blijkt dat echter niet direct.

Daarmee is de opzegging op zich geldig, zij het dat de ingangsdatum per 1 januari 2018 is. Echter, in de leveringsakte voor het pand is een kettingbeding opgenomen dat de verkrijger (winkelier) lid moet zijn en blijven de vereniging. De vereniging kan daar een beroep op doen, omdat het een derdenbeding is (art. 6:253). Een dergelijk kettingbeding kan worden doorgehaald door de rechter op grond van artikel 6:259 BW. Zie deze post voor een recente voorbeeld van een bungalowparkzaak waarin een vergelijkbare constructie was opgetuigd met verplichtmaatschap in de leveringsakte.

De rechtbank in deze zaak echter vindt het beding echter in strijd met artikel 2:34a BW. Dat artikel luidt: ” verbintenissen kunnen slechts bij of krachtens de statuten aan het lidmaatschap worden verbonden.”. De rechtbank overweegt dat ” in de leveringsakte een verbintenis aan het lidmaatschap wordt verbonden om lid te blijven van de [vereniging]. De rechtbank is van oordeel dat dit zich niet verhoudt met art. 2:34a BW. De [vereniging] kan daarom niet met succes in zoverre een beroep op de leveringsakte doen.” De strekking van artikel 2:34a is echter om uit te sluiten dat verbintenissen worden opgelegd aan de leden met een besluit van het bestuur, zonder dat de statuten daarin voorzien (Kollen, 5.7.5 (2007)). Dat laat echter geheel onverlet dat leden contractueel – dus met hun instemming – verplichtingen op zich kunnen nemen (Van der Ploeg, 6.4.3).

Daarmee oordeelt de rechtbank dat de leveringsakte niet in de weg staat aan de opzegging per 1 januari 2018, en dat de winkelier tot die datum aan zijn lidmaatschapsverplichtingen moest voldoen. Daarom moet hij € 16.154,46 en € 6.000,– betalen, ik vermoed dat het eerste bedrag de achterstallige contributie is, en het tweede bedrag de statutaire boetes voor het dicht zijn op koopavonden (de vereniging vordert geen boetes voor dicht zijn op koopzondagen).

Er is door het lid kennelijk geen beroep gedaan op matiging van de boetes, bijv. op grond van 2:8 lid 2 BW, evenmin wordt de geldigheid van het besluit waarbij de boetes zijn opgelegd getoetst aan de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW.

vonnis van 3 januari 2018

in de zaak van

de Coöperatieve vereniging van eigenaren in het winkelcentrum “De Paddepoel”,
eisers,

D.T. Groningen B.V.,
gedaagde,

Partijen zullen hierna de CVvE en D.T. Groningen worden genoemd.

2De feiten

2.1.

De rechtbank zal bij de beoordeling van het geschil uitgaan van de volgende feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of niet voldoende betwist, tussen partijen vaststaan.
2.2.

D.T. Groningen is op 8 december 2008 eigenaar geworden van het winkelpand aan de Eikenlaan 318 en 320 Groningen.
2.3.

In de leveringsakte waarmee het winkelpand aan D.T. Groningen is geleverd, is bedongen dat D.T. Groningen zo lang zij eigenaar is van het winkelpand, lid zal worden en blijven van de CVvE en dat zij verplicht is het winkelpand voor het publiek geopend te hebben en te houden gedurende de tijden waarop zulks volgens plaatselijk gebruik pleegt te geschieden of waarop dit van overheidswege is vereist. In de leveringsakte is verder bepaald dat wanneer de koper in strijd handelt met deze bedingen, D.T. Groningen aan de CVvE een boete verbeurt.
2.4.

De CVvE betreft een coöperatieve vereniging die de belangen behartigt van haar leden, die eigenaar zijn van of een zakelijk genotsrecht hebben op een onroerende zaak in het winkelcentrum “De Paddepoel” in Groningen.
2.5.

In de statuten van de CVvE is opgenomen dat zij de belangen behartigt van haar leden in de “ruimste zin des woords”. Daarbij is onder meer bepaald dat dit omvat “al hetgeen verder zal kunnen bijdragen tot het in technisch en commercieel opzicht optimaal functioneren van het winkelcentrum”.
2.6.

De algemene ledenvergadering van de CVvE heeft op 15 december 2014 het “Huishoudelijk Reglement Winkelcentrum Paddepoel” (hierna: “Huishoudelijk Reglement”) van de CVvE vastgesteld. In het Huishoudelijk Reglement zijn de openingstijden van de winkels in het winkelcentrum vastgesteld. Onder meer is vastgesteld dat iedere bedrijfsruimte behoudens dispensatie van het bestuur, op de koopavond op de donderdagen van 9:30 tot 21:00 uur en op de zaterdagen van 09:30 tot 18:00 uur en elke laatste zondag van de maand van 12:00 topt 17:00 uur geopend moet zijn.
2.7.

Tussen de CVvE en D.T. Groningen is in geschil gekomen in hoeverre D.T. Groningen zich heeft te houden aan de in het Huishoudelijk Reglement opgenomen openingstijden voor de koopavond op de donderdagen, de langere openingstijden op de zaterdagen en de openstelling op de laatste zondag van iedere maand. Dit geschil heeft ertoe geleid dat D.T. Groningen op 29 april 2016 met onmiddellijke ingang haar lidmaatschap van de CVvE heeft opgezegd.


2.8.

Met ingang van 29 april 2016 heeft D.T. Groningen niet langer de kwartaalbijdragen aan de CVvE betaald die zij als lid aan de CVvE zou moeten betalen en heeft zij ook een bijdrage in de kosten van de “revitalisatie Zonnelaan” niet aan de CVvE betaald.
2.9.

D.T. Groningen bepaalt sedert 29 april 2016 haar eigen openingstijden en is in afwijking van de in het Huishoudelijk Reglement vastgestelde openingstijden, niet op de koopavond op de donderdagen geopend.
2.10.

Het bestuur van de CVvE heeft in de opzegging van het lidmaatschap van D.T. Groningen niet berust. Het bestuur heeft zich op het standpunt gesteld dat D.T. Groningen lid is van haar vereniging en dat zij tekort is geschoten in de nakoming van de lidmaatschapsverplichtingen door haar betalingsverplichtingen niet na te komen en zich niet te houden aan de in het Huishoudelijk Reglement vastgestelde openingstijden. Het bestuur van de CVvE heeft daarom sancties aan D.T. Groningen opgelegd door aanspraak te maken op een contractuele boete ter grootte van 1,25% per maand voor de vertraging in de betalingsverplichting en een boete ter grootte van € 500,– voor iedere keer dat zij geconstateerd heeft dat D.T. Groningen zich niet heeft gehouden aan de in het Huishoudelijk Reglement vastgestelde openingstijden door op de koopavonden op de niet open te zijn.

3Het geschil

3.1.

CVvE vordert, verkort weergegeven, veroordeling van D.T. Groningen tot betaling van € 16.154,46 vermeerderd met contractuele boeterente. Zij vordert ook veroordeling van D.T. Groningen tot betaling van € 6.000,– vermeerderd met rente en kosten. Daartoe stelt CVvE, samengevat weergegeven, dat gelet haar verplichting op lid te blijven van de CVvE en gelet op de statutaire uittredingsvoorwaarden, D.T. Groningen haar lidmaatschap niet of niet eerder dan tegen 1 januari 2018 kon opzeggen. De CVvE stelt dat dit betekent dat D.T. Groningen zich niet steeds heeft gehouden aan haar lidmaatschapsverplichtingen, doordat zij de kwartaalbijdrage voor het laatste kwartaal van 2016 en de eerste kwartalen van 2017 niet heeft betaald, haar bijdrage in de kosten van de revitalisatie van de Zonnelaan niet heeft betaald en zij zich niet heeft gehouden aan de in het Huishoudelijk Reglement vastgestelde openingstijden. CVvE stelt dat zij recht heeft op betaling van deze bijdrages, vermeerderd de gevorderde contractuele boeterente. De CVvE stelt dat zij ook recht heeft op betaling van de gevorderde boetes wegens de schending van de openingstijden, waarbij zij haar vordering heeft beperkt tot (een deel van) de boetes die zijn opgelegd wegens schending van de openingstijden zoals die zijn vastgesteld voor de koopavonden op de donderdagen.
3.2.

D.T. Groningen voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van CVvE althans tot afwijzing van haar vorderingen en veroordeling van CVvE in de proceskosten. Daartoe voert D.T. Groningen aan, samengevat weergegeven, dat de CVvE niet bevoegd is de openingstijden van de winkels in het winkelcentrum vast te stellen, omdat uit de statuten blijkt dat de CVvE uitsluitend als doelstelling heeft het (technisch) beheer van het winkelcentrum. D.T. Groningen stelt dat het openen of sluiten van deuren bij uitstek een aangelegenheid is die de winkelier persoonlijk aangaat en dat winkeliers daarom zelf de openingstijden van hun winkel mogen bepalen. D.T. Groningen stelt dat het besluit tot verruiming en/of handhaving van de verruimde openingstijden bovendien in strijd is met de in art. 2:8 BW gestelde eisen van redelijkheid en billijkheid, omdat de verruiming van de openingstijden voor haar en andere kleine winkeliers een (te) grote belasting vormt. Volgens D.T. Groningen is het besluit tot verruiming en/of handhaving daarvan, daarom vernietigbaar. D.T. Groningen voert verder aan dat zij op het moment dat de CVvE besloot tot verruiming van de openingstijden, haar lidmaatschapsverplichtingen werden verzwaard en dat zij daarom op grond van de wet haar lidmaatschap met onmiddellijke ingang mocht opzeggen. D.T. Groningen stelt dat iedere andersluidende bepaling in de statuten haar uittredingsvrijheid ongeoorloofd beperkt en daarom nietig is.
3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4De beoordeling

4.1.

Het gaat in deze zaak, samengevat weergegeven, om het volgende. De CVvE is een vereniging van eigenaren en andere zakelijke gerechtigden van winkelpanden in het winkelcentrum “De Paddepoel” in Groningen. De CVvE wil dat in het winkelcentrum uniforme openingstijden gelden en zij wil ook een verruiming van die openingstijden. D.T. Groningen verzet zich daartegen, omdat de verruiming van de openingstijden voor haar en andere kleine winkeliers een (te) grote belasting vormt. Dit heeft geleid tot een geschil tussen partijen. De CVvE streeft met deze procedure na dat D.T. Groningen haar verplichtingen als lid van de CVvE nakomt en zij stelt zich op het standpunt dat niettegenstaande haar opzegging van het lidmaatschap met onmiddellijke ingang, D.T. Groningen lid is en moet blijven van de CVvE in ieder geval tot 1 januari 2018. Ten aanzien van de tegen deze achtergrond tussen partijen opgekomen geschilpunten wordt als volgt overwogen.
4.2.

De rechtbank zal eerst het meest verstrekkende verweer van D.T. Groningen behandelen. Dat verweer houdt in dat de CVvE niet bevoegd is tot het vaststellen van openingstijden.
4.3.

In de akte waarin die statuten van de CVvE zijn neergelegd, is bepaald dat de CVvE ten doel heeft de behartiging van de gemeenschappelijke belangen van de leden in de “ruimste zin des woords”. In art. 3 van de statuten wordt een opsomming gegeven van concrete belangen die de CVvE wil behartigen. Om tot uitdrukking te brengen dat die opsomming niet limitatief is bedoeld, is opgenomen dat de CVvE ook als belang ziet “al hetgeen verder zal kunnen bijdragen tot het in technisch en commercieel opzicht optimaal functioneren van het winkelcentrum”.
4.4.

Uit het voorgaande kan worden afgeleid dat de behartiging van de belangen door de CVvE niet is beperkt, zoals D.T. Groningen stelt, tot uitsluitend het technisch beheer van het winkelcentrum, het administratief beheer over gebouwen, het afsluiten van verzekeringen en het zorgen van een goede uiterlijke ambiance. Gelet op de statutaire doelomschrijving van de CVvE kan ook het regelen van uniforme openingstijden een belang zijn dat de CVvE voor haar leden behartigt.
4.5.

Het voorgaande brengt met zich dat de algemene ledenvergadering van de CVvE bevoegd is tot het vaststellen van een Huishoudelijk Reglement waarin openingstijden voor de bedrijfsruimten in het winkelcentrum worden vastgesteld. Dit leidt tot de conclusie dat D.T. Groningen gedurende haar lidmaatschap van de CVvE is gebonden aan de in het Huishoudelijk Reglement vastgestelde openingstijden.
4.6.

Voor zover D.T. Groningen in dit verband aanvoert dat het besluit om de openingstijden te verruimen en/of te handhaven in strijd is met de op grond van art. 2:8 BW te stellen eisen van redelijkheid en billijkheid, kan dit D.T. Groningen niet baten. Daarvoor is het volgende redengevend.
4.7.

Een besluit dat strijdig is met de door art. 2:8 BW geëiste redelijkheid en billijkheid, is vernietigbaar. D.T. Groningen heeft niet gesteld dat zij het besluit van (het bestuur van) de CVvE buitengerechtelijk heeft vernietigd en zij heeft in deze procedure ook geen vordering ingesteld op grond waarvan de rechtbank het besluit van de CVvE kan vernietigen.
4.8.

Ten overvloede overweegt de rechtbank dat wanneer een daarop gerichte vordering wel zou zijn ingesteld, dit voor de uitkomst van deze procedure niets had uitgemaakt. De bevoegdheid om die vernietigbaarheid in te roepen vervalt een jaar na het einde van de dag waarop hetzij aan het besluit voldoende bekendheid is gegeven, hetzij de belanghebbende van het besluit kennis heeft genomen of daarvan is verwittigd (art. 2:15 lid 5 BW). De bevoegdheid van D.T. Groningen om een beroep op de vernietigbaarheid te doen, is daarom inmiddels vervallen.
4.9.

De rechtbank zal bij de verdere beoordeling van het geschil ervan moeten uitgaan dat (het bestuur van) de CVvE bevoegd was om te besluiten de vastgestelde openingstijden te handhaven en de sancties op te leggen die volgens de statuten mogelijk zijn.
4.10.

Vervolgens staat te beoordelen of en, zo ja, met ingang van welke datum D.T. Groningen haar lidmaatschap van de CVvE kon beëindigen.
4.11.

De wet borgt voor de leden van een vereniging de uittredingsvrijheid in
art. 2:35 lid 1 onder b en art. 2:36 BW. De CVvE betreft echter geen “gewone” vereniging maar een coöperatieve vereniging. Daarvoor gelden de hiervoor genoemde artikelen ook. Op grond van art. 2:60 BW mogen bij de coöperatieve vereniging echter aan de uittreding wel voorwaarden worden verbonden. Die voorwaarden moeten dan volgens de tekst van art. 2:60 BW ‘in overeenstemming met haar doel en strekking’ zijn. Wanneer dat laatste niet het geval is, bepaalt art. 2:60 BW dat de voorwaarde voor niet geschreven moet worden gehouden.
4.12.

Een coöperatieve vereniging is een bijzonder vorm van een vereniging. Het is van oorsprong een vorm van zelforganisatie van bijvoorbeeld producten of inkopers, veelal gericht op het vergroten van economische macht en het behalen van schaalvoordelen. De bijzondere aard van de coöperatieve vereniging brengt met zich dat er een groter belang bestaat bij ledenbinding dan bij de “gewone” vereniging en dat een coöperatieve vereniging ook eerder schade kan leiden door uittredende leden dan een gewone vereniging. Het is om deze redenen dat de uittredingsvrijheid bij een coöperatieve vereniging tot op zekere hoogte beperkt mag worden, door bijvoorbeeld te bepalen dat bij uittreden een vergoeding moet worden betaald.
4.13.

In de statuten van de CVvE wordt de uittredingsvrijheid beperkt. In de bepaling die betrekking heeft op het einde van het lidmaatschap van de CVvE is opgenomen, voor zover hier van belang:
Het bepaalde in artikel 36 lid 1, eerste volzin van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek is niet van toepassing. Ten aanzien van zowel financiële- als ook andere verplichtingen van een lid jegens de vereniging uit krachte dezer statuten wordt de toepasselijkheid van artikel 36 lid 3 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek uitgesloten.

De verplichting om te blijven bijdragen in de gemeenschappelijke kosten en lasten van de Vereniging als ware men lid van de Vereniging gedurende de tijd, dat hij/zij van een onroerende zaak is in het in artikel 1 bedoelde winkelcentrum, geldt als voorwaarde voor uittreding in de zin van art. 60 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

4.14.

Art. 36 lid 1, eerste volzin BW luidt:
Tenzij de statuten anders bepalen, kan opzegging van het lidmaatschap slechts geschieden tegen het einde van een boekjaar en met inachtneming van een opzeggingstermijn van vier weken; op deze termijn is de Algemene termijnenwet niet van toepassing.

4.15.

Artikel 2:36 lid 3 BW luidt:
Een lid kan voorts zijn lidmaatschap met onmiddellijke ingang opzeggen binnen een maand nadat een besluit waarbij zijn rechten zijn beperkt of zijn verplichtingen zijn verzwaard, hem is bekend geworden of medegedeeld; het besluit is alsdan niet op hem van toepassing. Deze bevoegdheid tot opzegging kan de leden bij de statuten worden ontzegd voor het geval van wijziging van de daar nauwkeurig omschreven rechten en verplichtingen en voorts in het algemeen voor het geval van wijziging van geldelijke rechten en verplichtingen.

4.16.

Door de toepassing van de art. 2:36 lid 1 en lid 3 BW uit te sluiten, heeft de CVvE haar rechtsverhouding met haar leden zo willen regelen dat opzegging met (onmiddellijke) ingang niet mogelijk is.
4.17.

Gelet op de betrokken belangen is zonder nadere toelichting die D.T. Groningen niet heeft gegeven, niet begrijpelijk waarom de CVvE niet zou mogen bedingen dat een opzegging met onmiddellijke ingang niet mogelijk is. D.T. Groningen heeft niet of onvoldoende onderbouwd feiten gesteld waaruit volgt dat van haar redelijkerwijs niet kon worden gevergd het lidmaatschap voor enige tijd te laten voortduren.
4.18.

Een volledige uitsluiting van de uittredingsvrijheid acht de rechtbank echter ongeoorloofd, zodat opzegging met inachtneming van de in art. 2:36 lid 1 BW tweede volzin gegeven termijn mogelijk moet zijn tegen het einde van het boekjaar volgend op dat waarin wordt opgezegd. De opzegging door D.T. Groningen gaat daarom op de voet van art. 2:36 lid 1 BW in op 1 januari 2018.
4.19.

Een derde statutaire beperking van de uittredingsvrijheid bestaat hieruit dat de verplichting om te blijven bijdragen in de gemeenschappelijke kosten en lasten van de CVvE als ware men lid van de CVvE blijft bestaan, zolang D.T. Groningen eigenaar blijft van haar winkelpand in het winkelcentrum.
4.20.

Uit de rechtspraak volgt dat de uittredingsvoorwaarde voor de leden van een coöperatieve vereniging niet alleen kenbaar moet zijn, maar dat de aard en omvang van de daaruit voortvloeiende verplichtingen voor de leden ook bepaalbaar moeten zijn (zie: HR 12 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1601). Uit de statuten blijkt niet concreet wat een lid bij het uittreden verschuldigd zal zijn en blijven aan de CVvE, zodat de verplichtingen van een lid onvoldoende bepaalbaar zijn. Op de voet van art. 2:60 BW moet de uittredingsvoorwaarde daarom voor “niet geschreven” worden gehouden.
4.21.

Vervolgens is het de vraag welke betekenis toekomst aan de leveringsakte waarin is bedongen dat D.T. Groningen niet alleen lid wordt, maar ook blijft van de CVvE zolang zij eigenaar is van haar winkelpand en waarin ook, op straffe van verbeurte van een boete, verplichtingen ten aanzien van de openingstijden zijn opgenomen.
4.22.

De CVvE is geen partij bij de leveringsakte waarmee de verkoper het winkelpand aan D.T. Groningen als koper heeft geleverd. Het gaat daarom om een derdenbeding dat rechten toekent aan de CVvE. De CVvE heeft dat beding geaccepteerd, zij doet er immers een beroep op.
4.23.

Een beroep door de CVvE op het beding betekent in juridisch opzicht dat de CVvE een beroep doet op een verbintenis die in de leveringsakte voor D.T. Groningen aan het lidmaatschap van de CVvE is verbonden. D.T. Groningen mag op grond van die verbintenis haar lidmaatschap van de CVvE niet opzeggen, zij moet immers lid blijven van de CVvE.
4.24.

Art. 2:34a BW luidt:
Verbintenissen kunnen slechts bij of krachtens de statuten aan het lidmaatschap worden verbonden.

4.25.

Op grond van art. 2:53a lid 1 BW is art. 2:34a BW ook toepasselijk op de coöperatieve vereniging. Dit is van belang, omdat in de leveringsakte een verbintenis aan het lidmaatschap wordt verbonden om lid te blijven van de CVvE. De rechtbank is van oordeel dat dit zich niet verhoudt met art. 2:34a BW. De CVvE kan daarom niet met succes in zoverre een beroep op de leveringsakte doen.
4.26.

In de leveringsakte is verder bepaald dat D.T. Groningen verplicht is het winkelpand voor het publiek geopend te hebben en te houden gedurende de tijden waarop zulks volgens plaatselijk gebruik pleegt te geschieden of waarop dit van overheidswege is vereist. Daarbij is bedongen dat wanneer D.T. Groningen zich hieraan niet houdt, zij een boete verbeurt aan de CVvE. Hieruit kan worden afgeleid dat het ook hier gaat om een verbintenis die niet bij of krachtens de statuten aan het lidmaatschap van de CVvE wordt verbonden, zodat de CVvE ook in zoverre geen beroep kan doen op de leveringsakte.
4.27.

Al het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwd, leidt tot de slotsom dat met de statuten de rechtsverhouding tussen de CVvE en D.T. Groningen als lid zo is geregeld dat D.T. Groningen haar lidmaatschap alleen kon opzeggen tegen 1 januari 2018 en niet met onmiddellijke ingang op 29 april 2016. D.T. Groningen is daarom gehouden al haar lidmaatschapsverplichtingen na te komen tot 1 januari 2018. Dat heeft D.T. Groningen niet gedaan, door de gevorderde kwartaalbijdragen en haar bijdrage in de kosten van de revitalisatie van Zonnelaan niet te betalen en door zich niet te houden aan de in het Huishoudelijk Reglement vastgestelde openingstijden. De hierop gebaseerde vorderingen zullen daarom worden toegewezen. Met ingang van 1 januari 2018 is D.T. Groningen niet meer lid van de CVvE en kan zij door de CVvE niet meer worden aangesproken tot nakoming van verbintenissen uit de statuten, het Huishoudelijk Reglement en/of de leveringsakte.
[…]

De beslissing

De rechtbank
1. veroordeelt D.T. Groningen tot betaling van € 17.326,10 vermeerderd met de over
€ 16.154,46 verschuldigde contractuele boete ter grootte van 1,25% per maand vanaf de dag van de dagvaarding (10 april 2016) tot aan de dag waarop volledige betaling volgt,
2. veroordeelt D.T. Groningen tot betaling van € 6.000,00,

Vereniging ongefundeerd beschuldigen

Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch 21 maart 2017ECLI:NL:GHSHE:2017:1099

Het hof laat de opzegging van het lidmaatschap in stand. “Bij gebreke aan enige concrete, feitelijke onderbouwing van de stelling dat (het bestuur van) De Amer in de woorden van [het lid] ernstig heeft gefraudeerd of gesjoemeld, komt het hof aan bewijslevering niet toe (). Kortom, [het lid] beschuldigt (het bestuur van) De Amer van meerdere frauduleuze handelingen, brengt die beschuldigingen ook naar buiten [naar onder meer de FIOD en de landelijke bond], maar niets daarvan wordt ook maar enigszins onderbouwd.”

Derhalve heeft het bestuur van De Amer in redelijkheid tot het besluit kunnen komen, dat redelijkerwijze niet meer van De Amer gevergd kon worden het lidmaatschap van [appellant] te laten voortduren. ”


arrest van 21 maart 2017

in de zaak van
[appellant] ,
tegen Watersportvereniging De Amer,

op het bij exploot van dagvaarding van 4 september 2015 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, handelsrecht van 10 juni 2015, gewezen tussen appellant – [appellant] – als eiser en geïntimeerde –De Amer- als gedaagde.

1Het geding in eerste aanleg (zaaknr.rolnr C/02/289975 / HA ZA 14-809)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en naar het tussenvonnis van 7 januari 2015 waarbij een verschijning van partijen is bevolen.

4De beoordeling

4.1.

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 3.1 vastgesteld van welke feiten bij de beoordeling van het geschil is uitgegaan. Die feiten zijn niet bestreden, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan. Het hof gaat daarnaast nog van enkele gestelde en niet bestreden feiten uit. Hierna volgt een opsomming van alle feiten.
a. De Amer is een watersportvereniging met ongeveer 200 leden. Zij huurt van Jachthaven [Jachthaven] een kade en een strook water met ligplaatsen voor boten in de Nieuwe Jachthaven in [vestigingsplaats] .
b. [appellant] is vanaf ongeveer 2002 tot en met 2013 lid geweest van De Amer.
c. De op 5 december 2012 gedateerde brief van [appellant] aan het bestuur van De Amer (productie 3 dagvaarding in eerste aanleg) houdt onder meer in:

“(…)Ik [appellant] heb het ernstige vermoeden dat wij leden van (…) DE Amer, benadeeld worden door dit bestuur. (…)Ik verzoek u ivm afwezigheid deze brief te behandelen tijdens de algemene leden vergadering 15 December 2012.Gelet op de dictatuur binnen dit bestuur, kan deze zaak alleen maar besproken worden met de leden van de ere code commissie.Wordt dit door de dictatuur binnen het bestuur verhindert, zal ik stappen ondernemen, denkt aan bv de Fiscale Inlichtingen en Opsporings Dienst – Economische Controledienst.Blijkt dat dit bestuur aftreed, zal ik u te aller tijden aansprakelijk houden.Ik verzoek u de volgende punten te willen behandelen:1e ivm de diefstallen?: de tekst op internet (…) over privacy en veiligheid, deze tekst is totaal zinloos, omdat de havenmeester (…) overdag (…) de poort open laat staan. (…)3e art 27 (…) waarom laat de penningmeester (…) zijn hond los lopen, dus artikel verwijderen of honden vast ook voor die penningmeester (…) ”De statuten:(…)Artikel 2:4 volgens mij wordt de haven gebruikt als verkoop haven en ons clubhuis als kantoor, Zijn de kosten voor stook – Electra al verhaald, Geef ik een feestje wordt het clubhuis ook vergoed; dit is opbrengst voor de vereniging. Ons clubhuis is geen makelaars kantoor, hoe denkt u dit te gaan verrekenen voor devereniging, Of wordt dit ook door de Penningmeester vriendschappelijk verrekend.(…)Op 11 November 2012 heb ik gesproken met Dhr [betrokkene 1] tijdens dit gesprek kwam naar voren dat u het voornemen heeft (…) havenmeester Dhr [havenmeester] te willen ontslaan, dit zal de nodige kosten met zich meebrengen, mag blijken dat dit alleen maar gebeurd uit rancune van het bestuur ten nadelen van (…) Dhr [havenmeester] , (…)”.

 

d. De brief van 5 december 2012 van [appellant] aan het bestuur van De Amer (productie 2 conclusie van antwoord) houdt in, voor zover relevant:
“(…)
Betreft: Motie van wantrouwen.

Geacht bestuur,

Bij deze dien ik [appellant] lid van (…) De Amer een motie van wantrouwen in; Omdat ik het vertrouwen in dit (…) bestuur op zegt.
Reden hiervoor is dat dit bestuur niet in staat wordt geacht om zijn kundige en bestuurlijke taken uit te voeren, en wordt geacht niet in het belang van (…) De Amer te handelen, en heeft gehandeld.”.

e. De brief van 4 januari 2013 van voorzitter [voorzitter] namens het bestuur van De Amer aan [appellant] (productie 6 conclusie van antwoord) houdt in, voor zover relevant:
“(…)
Hierbij reageren wij (…) op uw brief van 5 december 2012 met als onderwerp: statuten (…) en op de motie van wantrouwen van 5 december 2012.
De motie van wantrouwen en de brief is (…) door het bestuur ter behandeling voorgelegd aan de Erecodecommissie. Deze commissie heeft tijdens de algemene ledenvergadering op 15 december de leden geadviseerd om het bestuur te machtigen om de brief verder met u (te) bespreken en te beantwoorden. De motie van wantrouwen is daarna in stemming gebracht en vervolgens door de algemene vergadering (…) afgewezen.
Het bestuur (…) nodigt U van harte uit in het clubhuis om in een persoonlijk onderhoud uw brief toe te lichten en te bespreken. (…)”.
[appellant] heeft de uitnodiging niet aangenomen.

f. In januari 2013 stuurt [appellant] het bestuur van De Amer een e-mailbericht over de watermeter. Dit heeft betrekking op het feit dat de watermeter van het clubhuis verkeerd is aangesloten, zodat water ‘buiten de meter om’ wordt verbruikt en geen correcte zuiveringsheffing is opgelegd.
g. Het e-mailbericht van [appellant] aan de leden van De Amer, verzonden op 22 januari 2013 17:09 (productie 7 dagvaarding in eerste aanleg en productie 7 conclusie van antwoord) houdt in, voor zover relevant:
“(…)
Naar aanleiding van mijn schrijven dd 5 December 2012; En mijn motie van wantrouwen, Had het bestuur deze brieven op de algemene jaar vergadering van 15 December 2012 moeten behandelen, echter werd er voor gekozen dit geheim te houden, hierdoor is wettelijk gezien het bestuur ernstig in gebreke gebleven.
Het bestuur had de plicht de leden op de hoogte te brengen van deze brieven.
(…)
Ik heb in het verleden diverse keren op gewezen dat wij kostbaar drinkwater verspillen (…) echter door het bestuur is daar niet op gereageerd.
Inmiddels heb ik Brabant Water ingeschakeld ter controle op het verbruik van drinkwater; in gesprek met Brabant Water zou blijken dat door leden van het bestuur vermoedelijk onjuiste aangiften zijn gedaan.
Wij kunnen als lid toch niet toestaan dat er gesjoemeld wordt door leden van het bestuur; ik wil nu niet praten over het feit dat er vermoedelijk gefraudeerd is door leden van het bestuur (…)”.

h. Zowel [appellant] als het bestuur van De Amer neemt in de periode na het hiervoor sub f vermelde e-mailbericht contact op over deze kwestie met diverse instanties. Op 19 maart 2013 wordt de watermeter correct aangesloten.
i. Bij e-mailbericht van 26 maart 2013 (productie 5 dagvaarding in eerste aanleg) schrijft mevrouw [vertegewoordiger Belastingsamenwerking] van Belastingsamenwerking West-Brabant aan [appellant] , voor zover van belang:
“Ik wil u even op de hoogte brengen van het feit dat dhr. [betrokkene 2] en dhr. [betrokkene 3] net spontaan bij mij zijn geweest om over de aanslagen zuiveringsheffing aan de Watersportvereniging te praten.
Ze vertelden van de meter op nr. 10 die niet gelopen heeft en over de eigen tussenmeter die wel het verbruik heeft gemeten van het clubhuis.
(…)
Aangezien de definitieve aanslag over 2011 nog niet is opgelegd, gaan we aan de hand van deze gegevens de aanslag berekenen. Dit gaat om ongeveer 450 m3 op jaarbasis, dus de aanslag wordt fors hoger. Of we met terugwerkende kracht nog gaan navorderen (…) moet ik overleggen (…). Ze hebben dit uiteraard liever niet, maar snapten het wel.
Ze hebben dus schoon schip gemaakt. (…)”.

j. [appellant] reageert op het hiervoor in sub i genoemde bericht per e-mailbericht van 1 april 2013 (ook productie 5 dagvaarding eerste aanleg). Hij schrijft onder meer:
“Zoals ik reeds eerder berichtte het zijn wolven in schaapskleren. (…)
U weet hoe het nu gelopen is de afloop zien wij als leden wel tegemoet, ik hoop dat het flink wat gaat kosten en men ook een boete oplegt er is gewoon ernstig gefraudeerd.”.

k. In een ongedateerde brief aan [vertegewoordiger Belastingsamenwerking] (ook productie 5 dagvaarding in eerste aanleg) schrijft [appellant] onder meer:
“Men tracht nu het straatje schoon te vegen (…)
gelet op de fraudeleuze handelingen die gepleegd zijn door deze leden van ons bestuur, (…)
Inmiddels ben ik ook bezig met het schrijven aan de FIOD te Utrecht ivm andere wantoestanden binnen onzevereniging, het moet nu eens gedaan zijn met al die fraudeleuze handelingen van desbetreffende bestuursleden. (…)
Ik kan u maar een ding toezeggen laat u zich niet inpakken door deze leden van ons bestuur zijn zo glad als een aal.’

l. Op 11 april 2013 stuurt [appellant] een brief aan het Koninklijk Nederlands Watersport Verbond (productie 6 dagvaarding eerste aanleg) waarin hij onder meer schrijft:
“(…)
Ik vraag mij als lid af of dat de Koninklijk Nederlands Watersport Bond wel leden kan accepteren die fraudeleuze handelingen verrichten.
Bijgaande treft u (…) tal van brieven aan mbt ‘n lid van de Koninklijke dat is watersportvereniging De Amer gevestigd te [vestigingsplaats] .
Ik vind het ongepast, en er moet opgepast worden ivm aantasting van het koninklijke aspect van de Koninklijk Nederlands Watersport Verbond, als er dergelijke leden in deze vereniging zitten.”

m. Op onder meer 6 maart 2013 (productie 8 conclusie van antwoord) en 16 maart 2013 (productie 9 conclusie van antwoord) stuurt [appellant] e-mailberichten naar de leden van De Amer waarin hij soortgelijk verslag doet van (een aantal van) bovenstaande contacten als in zijn hiervoor in sub g e-mailbericht.
n. Na maart 2013 stuurt [appellant] een brief aan de FIOD-ECD (productie 7 dagvaarding in eerste aanleg) die inhoudt, voor zover van belang:
“Het is mij een doorn in het oog wat er binnen (…) De Amer gebeurt, (…)
Enige voorbeelden waarmee gesjoemeld wordt binnen onze vereniging:
Gedurende ’n 5 tal jaren werd er water verbruikt buiten de watermeter om, middels een zelf gemaakte aanboring op de waterleiding van Brabant Water;
(…)
De inkoop en verkoop van drank ijs snoepgoed en etenswaren in ons clubhuis is al vele jaren onjuist opgenomen, bonnen worden weg gemoffeld of vernietigd; daardoor worden er al vele jaren onjuiste aangiften gedaan (…)
In gehuurd personeel bv voor schoonmaakwerk (…) wordt zwart betaald (…)
Ligplaatsen worden zonder factuur of met onjuiste facturering verhuurt, men betaald zwart aan de penningmeester (…)
Mede gelet op boven vernoemde zaken wordt het nu echt tijd dat hier fiscaal wordt ingegrepen (…).”.

o. Bij brief van 2 april 2013 (productie 4 dagvaarding in eerste aanleg) aan de leden van De Amer gaat de voorzitter van het bestuur, namens het bestuur, in op de kwestie van het waterverbruik en het ontslag van havenmeester [havenmeester] . Het bestuur zegt toe zodra over beide zaken meer duidelijkheid is verkregen, in een tussentijdse algemene ledenvergadering rekening en verantwoording af te leggen.
p. De hiervoor in sub o aangekondigde algemene ledenvergadering vindt plaats op 22 juni 2013. Uit de notulen van die vergadering (productie 8 dagvaarding in eerste aanleg) blijkt dat aan de orde komt onder meer de situatie rondom de ontslagen havenmeester [havenmeester] , een toelichting op de wateraansluiting (feiten en financiële gevolgen), een motie van wantrouwen van [appellant] jegens het bestuur, welke motie wordt verworpen, en het lidmaatschap van [appellant] . Op voorstel van een van de leden wordt [appellant] de gelegenheid geboden om excuses te maken aan het bestuur. [appellant] maakt van die gelegenheid geen gebruik.
q. Bij brief van 22 oktober 2013 (productie 2 dagvaarding in eerste aanleg) bericht de voorzitter van het bestuur, namens het bestuur, [appellant] :
“In zijn vergadering d.d. 10 oktober 2013 heeft het bestuur unaniem besloten om uw lidmaatschap per heden op te zeggen, krachtens art. 6 lid 3 van de statuten (…)
Het bestuur is van oordeel dat het redelijkerwijze van de vereniging niet gevergd kan worden om uw lidmaatschap te laten voortduren vanwege uw handelswijze om WV De Amer bij collega-verenigingen en bij meerdere instanties in een kwaad daglicht te stellen.”.

r. art. 6 van de statuten van De Amer (productie 1 conclusie van antwoord) houdt in:
“Artikel 6
Het lidmaat-, Gebruiker- en Begunstigerschap eindigt:
(…)
3. Door schriftelijke opzegging door het bestuur:
(…)
b. wanneer redelijkerwijze van de vereniging niet gevergd kan worden het lidmaat-, gebruiker-, begunstigerschap te laten voortduren.
(…)”.
4.2.1

[appellant] heeft in eerste aanleg, samengevat, gevorderd dat de rechtbank bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. vernietigt het besluit van 10 oktober 2013, verzonden op 22 oktober 2013, waarmee [appellant] uit het lidmaatschap van De Amer werd gezet wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid op grond van art. 2:15 lid 1 sub b BW en De Amer veroordeelt om [appellant] in al zijn rechten als lid van De Amer te herstellen en dit ook schriftelijk aan alle andere leden kenbaar te maken, zulks binnen drie dagen na betekening van het te wijzen vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag, tot een maximum van € 500.000,- dat De Amer in gebreke blijft aan het vonnis te voldoen;
2. De Amer veroordeelt binnen zeven dagen na betekening van het vonnis te restitueren het door [appellant] voor het jaar 2013 betaalde lidmaatschapsgeld, voor zover betrekking hebbend op de periode 22 oktober 2013 tot en met 31 december 2013, derhalve 71/365e deel;
3. De Amer veroordeelt in de kosten van het geding.
4.2.2

De rechtbank heeft de vordering afgewezen. Zij heeft geoordeeld dat [appellant] zich gezien de gedeeltelijk algemene en ernstige aard van zijn aan het bestuur of individuele bestuursleden geuite beschuldigingen zonder dat deze voldoende waren onderbouwd, niet heeft gedragen conform de eisen van redelijkheid en billijkheid. Het bestuur kon aldus in redelijkheid van oordeel zijn dat het redelijkerwijs van De Amer niet langer kon worden gevergd het lidmaatschap van [appellant] te laten voortduren. [appellant] is uitvoerbaar bij voorraad veroordeeld in de proceskosten.
4.3

[appellant] vordert in het hoger beroep onder het voordragen van grieven deel I en deel II en een grief ter zake de proceskosten, dat het hof het vonnis van 10 juni 2015 zal vernietigen en opnieuw rechtdoende, uitvoerbaar bij voorraad en bij arrest, samengevat:
1. zal toewijzen hetgeen hij onder 1. in eerste aanleg heeft gevorderd zoals hiervoor in rov. 4.2.1 is vermeld;
2. De Amer zal veroordelen om, binnen zeven dagen na betekening van het te wijzen arrest, tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [appellant] te betalen € 60,- te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 1 december 2015 tot aan de dag der algehele betaling;
3. De Amer zal gebieden om, binnen zeven dagen na betekening van het te wijzen arrest, de in eigendom aan haar toebehorende 4 sept-keys, retour te nemen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10,- per dag, tot een maximum van € 500,-, dat De Amer in gebreke blijft aan dit gebod te voldoen,
een en ander onder veroordeling van De Amer in de kosten van de procedure in beide instanties en onder veroordeling van De Amer tot terugbetaling van hetgeen [appellant] uit hoofde van het vonnis van 10 juni 2015 reeds aan De Amer heeft voldaan, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 4 september 2015 tot aan de dag der algehele betaling.
De Amer voert verweer.

4.4

De Amer heeft geen bezwaren aangevoerd tegen de wijziging van de vordering, zodat het hof recht zal doen op de gewijzigde eis.
4.5.1

De grieven leggen het geschil in volle omvang voor en zullen daarom (deels) gezamenlijk worden beoordeeld.
4.5.2

[appellant] beroept zich bij zijn vordering tot vernietiging van het besluit van De Amer tot opzegging van zijn lidmaatschap op artikel 2:15 lid 1 aanhef en onder b BW. Krachtens dit artikel is het besluit van De Amer tot opzegging van het lidmaatschap van [appellant] vernietigbaar indien er sprake is van strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW wordt geëist.
4.5.3

De Amer heeft aangevoerd dat zij haar opzegging heeft gebaseerd op artikel 2:35 lid 2 BW in verbinding met artikel 6 aanhef en onder 3 b van de statuten van de Amer (zie 4.1. sub r). Krachtens deze bepalingen geldt als maatstaf voor de opzegging van het lidmaatschap dat redelijkerwijs niet van devereniging gevergd kan worden het lidmaatschap te laten voortduren.
4.6.1

In de hiervoor in rov. 4.1 sub j en k genoemde berichten aan mevrouw [vertegewoordiger Belastingsamenwerking] van Belastingsamenwerking West-Brabant schrijft [appellant] “er is gewoon ernstig gefraudeerd.” respectievelijk “gelet op de fraudeleuze handelingen die gepleegd zijn door deze leden van ons bestuur,” In de hiervoor in rov. 4.1 sub n genoemde brief aan de FIOD-ECD noemt [appellant] “Enige voorbeelden waarmee gesjoemeld wordt binnen onze vereniging.” Hij beschuldigt in die brief (het bestuur van) De Amer van de volgende handelingen:
  • er wordt water verbruikt buiten de watermeter om door middel van een zelf gemaakte aanboring op de waterleiding van Brabant Water;
  • de inkoop en verkoop van drank, ijs, snoepgoed en etenswaren in het clubhuis van De Amer is al vele jaren onjuist opgenomen en er worden bonnen weggemoffeld of vernietigd waardoor er al vele jaren onjuiste aangiften worden gedaan;
  • ingehuurd personeel wordt zwart betaald;
  • er worden ligplaatsen zonder factuur of met onjuiste facturering verhuurd waarbij zwart wordt betaald aan de penningmeester.
Uit het hiervoor in rov. 4.1 sub l genoemde schrijven aan de Koninklijke Nederlandse Watersport Bond blijkt dat [appellant] De Amer tegenover deze bond beschuldigt van fraude. [appellant] vraagt zich verder in die brief af of De Amer door die Bond wel langer als lid mag worden geaccepteerd.
Met deze berichten heeft [appellant] De Amer bij collega-verenigingen en bij meerdere instanties in een kwaad daglicht gesteld, zoals is vermeld in de brief d.d. 22 oktober 2013 (rov. 4.1 sub q).

4.6.2

Van al deze beschuldigen staat in deze procedure alleen vast dat het waterverbruik niet juist is gemeten. Dat (het bestuur van) De Amer opzettelijk heeft bewerkstelligd dat het juiste waterverbruik niet werd gemeten, is niet komen vast te staan en feitelijk ook niet onderbouwd. [appellant] heeft alle andere ernstige beschuldigingen op geen enkele manier concreet, feitelijk onderbouwd. Ook in de door [appellant] overgelegde brief van [havenmeester] (productie 6 akte d.d. 23 februari 2016) worden geen concrete feitelijke aanknopingspunten gegeven voor de door [appellant] geuite beschuldigingen. [havenmeester] vermeldt in die brief geen enkel frauduleus feit en hij schrijft zelfs dat alles perfect liep en het kasgeld en de kasbonnen correct werden weergegeven. Bij gebreke aan enige concrete, feitelijke onderbouwing van de stelling dat (het bestuur van) De Amer in de woorden van [appellant] ernstig heeft gefraudeerd of gesjoemeld, komt het hof aan bewijslevering niet toe, daargelaten het antwoord op de vraag of [appellant] wel bewijs heeft aangeboden van feiten waaruit de beschuldigingen kunnen worden afgeleid. Kortom, [appellant] beschuldigt (het bestuur van) De Amer van meerdere frauduleuze handelingen, brengt die beschuldigingen ook naar buiten, maar niets daarvan wordt ook maar enigszins onderbouwd.
Derhalve heeft het bestuur van De Amer in redelijkheid tot het besluit kunnen komen, dat redelijkerwijze niet meer van De Amer gevergd kon worden het lidmaatschap van [appellant] te laten voortduren. Dit besluit komt dan ook niet in aanmerking voor vernietiging op grond van art. 2:15 lid 1 aanhef en onder b BW. Daarvoor zijn de niet onderbouwde beschuldigingen te persoonlijk en te ernstig van aard, mede bezien in het licht van het feit dat De Amer een niet al te grote gezelligheids-sportvereniging is. De aard en ernst van die beschuldigingen mede bezien in het licht van de hiervoor geschetste concrete omstandigheden betekenen tevens dat het belang van [appellant] om lid te willen blijven van De Amer en het feit dat hij in het verleden nuttige bijdragen heeft geleverd niet tot een ander oordeel kunnen leiden.

4.6.3

[appellant] heeft nog aangevoerd dat uit de notulen van de algemene ledenvergadering van 22 juni 2013 blijkt dat slechts twee leden de mening waren toegedaan dat zijn lidmaatschap moest eindigen. Het hof leest dat niet in nr. 9 van de notulen van de vergadering van 22 juni 2013. Vermeld is enkel: (i) dat diverse leden het bestuur hebben verzocht om het lidmaatschap van [appellant] op te zeggen, (ii) dat het bestuur de mening van de zaal heeft gepolst, (iii) dat twee aanwezigen hebben verklaard dat [appellant] niet langer bij De Amer lid hoort te zijn en (iv) dat twee leden vinden dat het genoeg is als [appellant] zijn excuses aanbiedt. Een stemming is niet gehouden, zodat niet bekend is wat de zwijgende meerderheid (er waren 38 stemgerechtigden aanwezig) van een en ander vond. Verder kan er niet aan worden voorbijgezien dat het krachtens art. 6 aanhef en lid 3 aanhef en sub b van de statuten van De Amer aan het bestuur is om een lidmaatschap te beëindigen. Zoals uit rov. 4.6.2. volgt, is het hof van oordeel dat het bestuur in redelijkheid tot haar besluit heeft kunnen komen. Ook als zou komen vast te staan, zoals [appellant] ten bewijze heeft aangeboden (nr. 20 memorie van grieven), dat er tijdens die vergadering geen sfeer heerste inhoudende dat zijn lidmaatschap moest worden beëindigd, leidt dat niet van doorslaggevend belang zijnde feit niet tot een ander oordeel. Het hof passeert dat aanbod dan ook.
4.6.4

Het recht kent niet de door [appellant] aangevoerde regel dat een beëindiging van het lidmaatschap zoals het onderhavige onverwijld zou moeten geschieden. Van een bestuur mag een zekere voortvarendheid worden verwacht, maar de termijn tussen het bericht van [appellant] van maart 2013 aan [vertegewoordiger Belastingsamenwerking] van Belastingsamenwerking West-Brabant (rov. 4.1 sub i) en zijn bericht aan de FIOD van latere datum (rov. 4.1 sub n) aan [appellant] enerzijds en anderzijds het besluit van 22 oktober 2013 waarmee zijn lidmaatschap is beëindigd, is niet zodanig lang dat daaraan het gevolg moet worden verbonden dat dit besluit moet worden vernietigd.
Het genoemde tijdsverloop is evenmin zo lang van duur dat dit zou moeten worden gerechtvaardigd.

4.6.5

Het bestuur heeft [appellant] op 4 januari 2013 een gesprek aangeboden (rov. 4.1 sub e). [appellant] is daarop niet ingegaan. Op voorstel van een van de leden wordt [appellant] tijdens de ledenvergadering van 22 juni 2013 de gelegenheid geboden om excuses te maken aan het bestuur. [appellant] maakt van die gelegenheid geen gebruik (rov. 4.1 sub p). Gelet hierop kan van het bestuur niet worden gevergd dat zij nogmaals probeert het gesprek met [appellant] aan te gaan. Gelet op de ernst van de door [appellant] geuite beschuldigingen en het gebrek aan aanknopingspunten voor de juistheid daarvan, ontgaat het het hof dat De Amer rekening zou moeten houden met het feit dat [appellant] , zoals hij zelf stelt, het hart op de tong heeft. Voor zover [appellant] heeft willen aanvoeren dat hij tijdens de comparitie van partijen in eerste aanleg wel excuses heeft aangeboden, blijkt dat niet uit het proces-verbaal. Daarin is vermeld dat hij heeft verklaard dat hem geen verwijt valt te maken en dat hij niet anders kon dan extern te gaan en dat hij harde woorden heeft gebruikt, maar dat je tegen een dergelijk bestuur ook harde woorden moet gebruiken. Het hof kan daaruit alleen maar afleiden dat [appellant] nog steeds van mening is dat hij juist heeft gehandeld.
4.7

Al het overige door [appellant] aangevoerde, onder meer de kwestie betreffende de havenmeester, kan als verder niet relevant voor de beëindiging van het lidmaatschap van [appellant] buiten beschouwing worden gelaten.
4.8

[appellant] heeft tenslotte gevorderd dat De Amer wordt veroordeeld om hem € 60,- te betalen. Hij heeft namelijk volgens eigen zeggen nog steeds vier sept keys van De Amer, waarvoor hij een borg heeft betaald van € 15,- per stuk. De Amer heeft in haar memorie van antwoord aangevoerd dat per ligplaatshouder slechts één sept key is uitgereikt en dat één sept key per schip voldoende is. Het is daarom, aldus De Amer, zeer onaannemelijk dat [appellant] vier sept keys heeft ontvangen en daarvoor telkens de waarborgsom heeft betaald. Als [appellant] echter vier sept keys heeft, heeft hij ook vier kwitanties van de door hem telkens per key betaalde waarborgsom.
Het hof begrijpt dat De Amer bereid is om tegen overlegging en overhandiging van elke sept key met daarbij behorende kwitantie aan [appellant] zijn waarborgsom terug te betalen. [appellant] heeft daarop in zijn akte niet gereageerd, zodat het hof zijn vordering in die zin zal toewijzen dat De Amer tegen overlegging door [appellant] van elke sept key met kwitantie een bedrag van € 15,- aan [appellant] dient te betalen. Gesteld noch gebleken is dat [appellant] ooit een sept key vergezeld van kwitantie aan De Amer heeft aangeboden. De wettelijke rente over de terug te betalen borg kan dan ook slechts ingaan indien en zodra De Amer weigert om die borg terug te betalen, terwijl [appellant] die borg heeft teruggevraagd onder gelijktijdige aanbieding van sept key en kwitantie. De vordering van [appellant] ter zake zal aldus worden toegewezen. De door [appellant] ter zake gevorderde dwangsom zal worden gemaximeerd tot € 150,- in totaal.

4.9

Het hof komt, gelet op al het vorenstaande, niet toe aan bewijslevering.
4.10

Uit het vorenstaande volgt dat het vonnis zal worden bekrachtigd, met dien verstande dat De Amer zal worden veroordeeld ter zake de sept keys zoals hierna is bepaald. [appellant] heeft te gelden als de overwegend in het ongelijk gestelde partij en zal daarom worden veroordeeld in de kosten van dit hoger beroep.

5De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep met aanvulling van de volgende veroordeling:

veroordeelt De Amer om aan [appellant] te betalen € 15,- voor elke door [appellant] te overhandigen sept key met daarbij behorende kwitantie waaruit blijkt dat [appellant] voor die key € 15,- borg heeft betaald, met een maximum van € 60,- (dus maximaal vier sept keys + daarbij behorende kwitanties), te vermeerderen met de wettelijke rente over € 15,- met ingang van elke dag dat De Amer nadat dit arrest is gewezen in gebreke blijft met die betaling, indien [appellant] wel (telkens) sept key + kwitantie heeft aangeboden;

gebiedt De Amer om, binnen zeven dagen na betekening van het te wijzen arrest, van [appellant] retour te nemen de haar in eigendom toebehorende sept-keys met een maximum van vier en mits telkens vergezeld van de bij elke sept key behorende en door De Amer uitgegeven en door [appellant] te overhandigen kwitantie(s), op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10,- per dag, tot een maximum van € 150,-, dat De Amer in gebreke blijft aan dit gebod te voldoen,