Leden bestraffen voor gedragingen in de privé sfeer

Mr. Verlaan en Mr. Van de Beek van CMS heben een artikel over dit onderwerp geschreven in het Tijdschrift voor Sport & Recht 2019-1/2, p.1. Het kan hier worden gevonden.

Overigens deel ik hun conclusie niet helemaal: het feit dat de Hoge Raad heeft geoordeeld dat detentie van een werknemer op zich geen grond is voor ontslag op staande voet, zegt niet zoveel over de situatie dat het publiek bekend is dat een lid van een vereniging (of werknemer) een (en welk) strafbaar feit (mogelijk) heeft begaan.

Geen einde lidmaatschap van rechtswege

Twee bestuursleden van een lokale vereniging worden geroyeerd als lid door het hoofdbestuur van de bond. Zijn ze daarmee ook geen bestuurslid meer? De rechter oordeelt van niet. Het lidmaatschap van de lokale vereniging eindigt namelijk niet door het verlies van lidmaatschap van de bond. Dat volgt uit artikel 2:35 lid 1 BW. Je kan zelfs niet in een reglement van de lokale vereniging bepalen dat het lidmaatschap eindigt door verlies van lidmaatschap van de bond. Die bepaling is in strijd met de wet en geldt dus niet.
Opmerking: ik sluit niet uit dat er ook wel andere uitspraken zijn te vinden. Maar het systeem van de wet lijkt me inderdaad zoals de rechter het beschrijft.

” Artikel 2:35 lid 1 BW bepaalt dat het lidmaatschap van een vereniging eindigt door a) de dood van het lid (tenzij de statuten overgang krachtens erfrecht toelaten), b) opzegging door het lid, c) opzegging door de vereniging, en d) ontzetting. Het betreft een limitatieve opsomming. Dat betekent dat het lidmaatschap van een vereniging uitsluitend eindigt als een van de genoemde gevallen zich voordoet. Het niet langer voldoen aan een lidmaatschapsvereiste, zoals in dit geval het in artikel 4 lid 2 van het reglement van [naam club] neergelegde vereiste om lid te zijn van de KNPV, is niet genoemd in artikel 2:35 lid 1 BW en doet het lidmaatschap dus niet van rechtswege eindigen. Wel kan het, zo volgt uit het tweede lid van artikel 2:35 BW, een grond vormen voor opzegging door de vereniging. Artikel 2:35 lid 1 is een dwingendrechtelijke bepaling, waarvan niet in de statuten kan worden afgeweken (zo volgt uit artikel 2:25 BW). De in het reglement van [naam club] opgenomen bepaling dat het lidmaatschap van de club eindigt door verlies van het lidmaatschap van de KNPV (artikel 6 lid 1 sub c) is dus in strijd met de wet en geldt om die reden niet.”

Rb. Rotterdam 17.12.2018
ECLI:NL:RBROT:2018:10780

Vonnis in kort geding van 17 december 2018
in de zaak van

1[eiser 1] ,

wonende te Capelle aan den IJssel,
2. [eiser 2],
wonende te Capelle aan den IJssel,
eisers in conventie,
verweerders in reconventie,
tegen

1[gedaagde 1] ,

wonende te Schiedam,
2. [gedaagde 2],
wonende te Den Haag,
gedaagden in conventie,
eisers in reconventie,
Partijen zullen hierna [eiser 1] , [eiser 2] , [gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden genoemd.

2De feiten

2.1.

Partijen zijn allen betrokken bij [naam club] , een hondendressuurclub in Capelle aan den IJssel.
2.2.

Volgens artikel 3 van het reglement van [naam club] stelt de club zich ten doel de in de statuten van de Koninklijke Nederlandse Politiehond Vereniging (hierna: KNPV) vermelde doeleinden te bevorderen. Volgens artikel 4 van de statuten van de KNPV stelt deze vereniging zich onder meer ten doel het africhten van daartoe geschikte honden als politiehonden, bewakingshonden, speurhonden en reddingshonden, eventueel ook voor andere diensten en taken. Bij gebleken geschiktheid van de hond wordt deze door de eigenaar verkocht aan de politie en/of de rijksoverheid.
2.3.

Artikel 11 lid 3 sub a van de statuten van de KNPV bepaalt dat clubs, zoals [naam club] , jaarlijks de erkenning behoeven van het bestuur van de afdeling waaronder zij ressorteren.
2.4.

Eiser [eiser 1] is in 2014 penningmeester geworden van [naam club] . Gedaagde [gedaagde 2] is in hetzelfde jaar secretaris geworden van [naam club] . Gedaagde [gedaagde 1] is in 2015 voorzitter geworden van [naam club] .
2.5.

In 2017 heeft eiser [eiser 2] , als lid van [naam club] , het hoofdbestuur van de KNPV ingelicht over onregelmatigheden die volgens hem zouden hebben plaatsgevonden. De KNPV heeft vervolgens een onderzoek ingesteld. De onderzoekscommissie concludeerde op 28 november 2017 onder meer:
Op basis van dit onderzoek zijn wij van mening dat Dhr. [gedaagde 1] en Dhr. [gedaagde 2] de belangen van de KNPV in ernstige mate hebben geschaad. Het plegen van valsheid in geschrifte bij het laten wijzigen van de verenigingsstatuten en bij de notariële vastlegging hiervan. Het meerdere malen opmaken van valse vergaderverslagen. (…)
Het is opvallend dat Dhr. [gedaagde 1] en Dhr. [gedaagde 2] verklaren geen KNPV-honden af te richten en zij alleen geïnteresseerd zijn in het africhten van honden in het Globelring programma. Hieruit concluderen wij dat de heren de oefenlocatie op termijn in handen proberen te krijgen.
2.6.

Bij brieven van 20 december 2017 heeft het hoofdbestuur van de KNPV [naam club] bericht dat in de bestuursvergadering van 16 december 2017 is besloten dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] met onmiddellijke ingang worden ontzet uit het lidmaatschap van de KNPV.
2.7.

Bij e-mailbericht van 18 december 2018 heeft [eiser 1] [gedaagde 1] en [gedaagde 2] te kennen gegeven dat uit de artikelen 4.2, 6.1.C, 6.2 en 16 van het reglement van [naam club] volgt dat het lidmaatschap van de KNPV ‘randvoorwaardelijk’ is voor het lidmaatschap van [naam club] , dat, nu dit lidmaatschap hen is ontnomen, een continuering van het lidmaatschap van [naam club] niet meer mogelijk is, dat dit betekent dat het lidmaatschap van [naam club] per datum van het royement van het lidmaatschap van de KNPV is beëindigd, en dat dit weer betekent dat ook aan het bekleden van een functie binnen het bestuur een einde is gekomen.

2.8.

[eiser 1] heeft de Kamer van Koophandel (hierna: KvK) verzocht [gedaagde 1] en [gedaagde 2] uit te schrijven als bestuurders van [naam club] , en zijn eigen titel laten wijzigen in die van voorzitter.
2.9.

Bij brief van 28 december 2017 heeft de advocaat van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] [eiser 1] bericht dat de ontzetting pas ingaat na het onherroepelijk worden van de beslissing van het hoofdbestuur van de KNPV c.q. de beslissing op een tegen de ontzetting ingesteld beroep, dat de beroepstermijn nog niet is verstreken, en dat zij dus hun lidmaatschap niet hebben verloren en nog steeds in functie zijn als bestuurslid.
2.10.

Op 15 januari 2018 zijn [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tegen het besluit van de KNPV in beroep gekomen. Dat zij zich schuldig hebben gemaakt aan valsheid in geschrifte, wordt door hen betwist, net als de conclusie van de onderzoekscommissie dat zij de oefenlocatie in handen proberen te krijgen. Verder hebben zij de KvK verzocht de uitschrijving ongedaan te maken. De KvK heeft aan dat verzoek gehoor gegeven.
2.11.

Het beroep tegen het besluit van de KNPV is op 28 juni 2018 door de ereraad van de KNPV ongegrond verklaard.
2.12.

[eiser 1] en [eiser 2] hebben op hun beurt beroep ingesteld tegen het besluit van de KvK om gehoor te geven aan het hiervoor onder 2.10 bedoelde verzoek. Zij hebben de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven (CBB) verzocht om voorlopige voorzieningen te treffen. Dat verzoek is op 19 oktober 2018 afgewezen, omdat, naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter van het CBB, het besluit van het hoofdbestuur van de KNPV tot ontzetting van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet van rechtswege leidt tot verlies van het lidmaatschap van [naam club] en de brief van [eiser 1] van 18 december 2018 niet kan worden aangemerkt als opzegging.
2.13.

Bij brief van 13 juli 2018 hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] [eiser 2] bericht dat het bestuur voornemens is te besluiten tot vervallenverklaring van zijn lidmaatschap van [naam club] . Als reden daarvoor voerden zij aan dat [eiser 2] , door zich ten onrechte te hebben ingeschreven als bestuurder van [naam club] , en door het verspreiden van laster ten aanzien van bestuursleden, de belangen van [naam club] ernstig heeft geschaad. Zij hebben [eiser 2] in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op het voornemen van het bestuur, en hem uitgenodigd om zijn reactie mondeling toe te lichten tijdens een op 20 juli 2018 te houden bestuursvergadering.
2.14.

Bij de stukken bevindt zich geen brief van het bestuur aan [eiser 1] , houdende het voornemen om te besluiten tot vervallenverklaring van zijn lidmaatschap van [naam club] .
2.15.

Bij brief van 13 juli 2018 hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] [eiser 1] uitgenodigd voor de bestuursvergadering op 20 juli 2018. Op de bij die brief gevoegde agenda staan als agendapunten onder andere de beslissing omtrent vervallenverklaring van het clublidmaatschap van [eiser 2] , en de beslissing omtrent vervallenverklaring van het clublidmaatschap van [eiser 1] .
2.16.

Bij de bestuursvergadering van 20 juli 2018 waren aanwezig [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . [eiser 1] was niet aanwezig. [eiser 2] is ook niet verschenen. Hij heeft ook geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om schriftelijk te reageren op de brief van het bestuur van 13 juli 2018. Besloten is tot vervallenverklaring van het clublidmaatschap van [eiser 2] en [eiser 1] .
2.17.

Bij brieven van 21 juli 2018 hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] [eiser 2] en [eiser 1] ieder afzonderlijk bericht dat in de bestuursvergadering van 20 juli 2018 is besloten hen uit hun clublidmaatschap te ontzetten c.q. hun clublidmaatschap vervallen te verklaren met onmiddellijke ingang, op de gronden als vermeld in het voornemen, en dat binnen één maand na ontvangst van de kennisgeving beroep tegen het besluit kan worden ingesteld bij de algemene vergadering. [eiser 2] noch [eiser 1] heeft beroep ingesteld.
2.18.

Bij brief van 25 juli 2018 hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] [eiser 1] uitgenodigd voor een bestuursvergadering op 27 juli 2018. Op de bij die brief gevoegde agenda staat als agendapunt onder andere vaststelling van een datum en agenda voor een algemene ledenvergadering (hierna: ALV) waarop zal worden besloten over het ontslag van [eiser 1] als bestuurslid met onmiddellijke ingang.
2.19.

Bij de bestuursvergadering van 27 juli 2018 waren aanwezig [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . [eiser 1] was niet aanwezig. Besloten is dat de ALV zal worden gehouden op 17 augustus 2018.
2.20.

Bij brief van 1 augustus 2018 hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] [eiser 1] uitgenodigd voor de ALV van 17 augustus 2018. Op de bij die brief gevoegde agenda staan als agendapunten onder andere het ontslag van [eiser 1] als bestuurslid met onmiddellijke ingang, en de benoeming van een nieuw bestuurslid.
2.21.

Bij de ALV van 17 augustus 2018 waren aanwezig [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en een tweetal clubleden. [eiser 1] was niet aanwezig. Met meerderheid van stemmen is besloten om [eiser 1] met onmiddellijke ingang te ontslaan als bestuurder van [naam club] . Vervolgens is unaniem besloten om [naam 1] te benoemen tot bestuurder. Het bestuur van [naam club] heeft [naam 1] aangewezen als secretaris en besloten dat [gedaagde 2] (die secretaris was) voortaan de functie van penningmeester zal gaan vervullen.
2.22.

Bij e-mailbericht van 28 augustus 2018 heeft [naam 1] , namens het bestuur, [eiser 1] van het besluit van de ALV in kennis gesteld.
2.23.

Op 4 september 2018 heeft een door [eiser 1] bijeengeroepen ALV plaatsgevonden. Naast [eiser 1] en [eiser 2] waren daarbij aanwezig [naam 2] , die net als [eiser 1] en [eiser 2] bij besluit van het bestuur van 20 juli 2018 is ontzet uit zijn lidmaatschap, en [naam 3] . De vergadering is gehouden is het bijzijn van twee bestuursleden van de afdeling Zuid-Holland. Unaniem is gestemd vóór de stelling dat het lidmaatschap van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] van [naam club] terecht is beëindigd, en voor de stelling dat de bestuursfuncties van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] terecht zijn beëindigd. Daarnaast zijn nieuwe bestuursleden benoemd, te weten [eiser 1] , [eiser 2] en [naam 2] .
2.24.

In november 2018 hebben [eiser 1] en [eiser 2] een bodemprocedure aanhangig gemaakt. Daarin wordt onder meer gevorderd voor recht te verklaren dat [eiser 1] tot aan de ALV van 4 september 2018 de enige (functioneel) bestuurder was van [naam club] .
2.25.

[naam club] huurt een oefenterrein (met clubgebouw) in Capelle aan den IJssel. Dit oefenterrein is sinds enige tijd in gebruik bij [eiser 1] en [eiser 2] en enkele leden van [naam club] . [gedaagde 1] en [gedaagde 2] is de toegang daartoe door [eiser 1] ontzegd. De bankrekening van [naam club] wordt beheerd door [gedaagde 2] .

3Het geschil in conventie

3.1.

[eiser 1] en [eiser 2] vorderen – samengevat – bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
  1. [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] voor de duur van de bodemprocedure te verbieden handelingen te verrichten namens [naam club] alsof zij bestuurders zijn van [naam club] , althans zich voor te doen als bestuurslid van [naam club] ;
  2. [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] voor de duur van de bodemprocedure te bevelen aan eisers de bankbescheiden, sleutels (van het terrein en het clubgebouw), en boekhouding met betrekking tot [naam club] te overhandigen, althans goederen en gelden die zij van [naam club] onder zich hebben of aan het vermogen van [naam club] (onrechtmatig) hebben onttrokken, aan eisers te overhandigen;
  3. [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] voor de duur van de bodemprocedure te verbieden zich toegang te verschaffen tot het terrein van [naam club] en haar clubgebouw, althans zich aldaar op te houden, althans aldaar aanwezig te zijn, met bepaling dat handhaving van het te geven verbod zo nodig zal geschieden met de hulp van de sterke arm van politie of justitie;
  4. [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] te bevelen binnen 5 dagen na dit vonnis – als voorschot op hun (mogelijke) terugbetalingsverplichting – het banksaldo van [naam club] – zo nodig – aan te vullen tot een bedrag van € 3.500,-, althans tot een door de voorzieningenrechter te bepalen bedrag,
een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom en met veroordeling van [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] in de proceskosten.
3.2.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren verweer en concluderen tot ontzegging van de vorderingen aan [eiser 1] en [eiser 2] , met veroordeling van [eiser 1] en [eiser 2] in de proceskosten.
3.3.

Op de voor de beoordeling van de vorderingen van belang zijnde stellingen van partijen wordt hierna ingegaan.

4Het geschil in reconventie

4.1.

[eiser 3] en [eiser 4] vorderen – samengevat – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
  1. [verweerder 1] en [verweerder 2] te verbieden handelingen te verrichten namens [naam club] alsof zij bestuurslid zijn van [naam club] , althans zich te presenteren als bestuurslid van [naam club] en te doen voorkomen of zij lid zijn van [naam club] ;
  2. [verweerder 1] en [verweerder 2] te bevelen aan hen de bankbescheiden, sleutels (van het terrein en het clubgebouw en de hangsloten) en de boekhouding met betrekking tot [naam club] te overhandigen, althans alle goederen en gelden die zij van [naam club] onder zich hebben of aan het vermogen van [naam club] hebben onttrokken sedert december 2017 aan hen te overhandigen;
  3. [verweerder 1] en [verweerder 2] voor de duur van de bodemprocedure te verbieden zich toegang te verschaffen tot het door [naam club] gehuurde terrein en haar clubgebouw, althans zich daar op te houden, althans daar aanwezig te zijn, met bepaling dat handhaving van het gegeven verbod zo nodig zal geschieden met behulp van de sterke arm van politie en justitie;
  4. [verweerder 1] en [verweerder 2] te bevelen binnen vijf dagen na dit vonnis het banksaldo van [naam club] aan te vullen tot een bedrag van € 3.500,-, als voorschot op mogelijke terugbetatingsverplichtingen jegens [naam club] , althans tot een door de voorzieningenrechter te bepalen bedrag,
een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom en met veroordeling van gedaagden in de proceskosten.
4.2.

[verweerder 1] en [verweerder 2] voeren verweer en concluderen tot afwijzing van de vorderingen.
4.3.

Op de voor de beoordeling van de vorderingen van belang zijnde stellingen van partijen wordt hierna ingegaan.

5De beoordeling in conventie

5.1.

[eiser 1] en [eiser 2] leggen – samengevat – het volgende aan hun vorderingen ten grondslag. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn bij besluit van 16 december 2017 van het hoofdbestuur van de KNPV met onmiddellijke ingang geroyeerd uit het lidmaatschap van de KNPV. De redenen tot royement zijn frauduleus handelen als bestuurder van en ten nadele van [naam club] en de KNPV. In het besluit is vermeld dat het royement inhoudt dat gedaagden geen lid meer kunnen worden van de KNPV, dat zij zich moeten onthouden van KNPV activiteiten, en hieraan niet meer kunnen deelnemen, alsook dat het trainen op een KNPV terrein niet is toegestaan. Een expliciet royement door de ALV van [naam club] was daarom niet vereist. Artikel 6.1. C van het reglement van [naam club] bepaalt ook dat het lidmaatschap van de club eindigt door het verlies van het lidmaatschap van de KNPV. In de rede ligt dat een – wegens wangedrag – door het hoofdbestuur van de KNPV geroyeerd lid geen bestuurder van [naam club] kan zijn. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gedragen zich echter nog steeds alsof zij de rechtsgeldige (mede)bestuurders zijn van [naam club] . Zo weigeren zij zich tot op heden bij de KvK als (mede)bestuurders uit te schrijven. [eiser 1] en [eiser 2] zijn echter de enige rechtsgeldige (mede)bestuurders van [naam club] . Zij zijn immers op 4 september 2018 door de ALV benoemd tot bestuurder. Door dit alles is [naam club] momenteel vleugellam.
5.2.

Vooropgesteld wordt dat de voorzieningenrechter zich bij de beoordeling van een vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 254 Rv – bij wijze van uitgangspunt – dient te richten naar de waarschijnlijke uitkomst van een eventuele bodemprocedure. Dat betekent in dit geval dat de vorderingen in beginsel alleen kunnen worden toegewezen als met grote mate van waarschijnlijkheid valt te verwachten dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] geen bestuurder en geen lid meer zijn van [naam club] . Bovendien moeten de belangen van [eiser 1] en [eiser 2] bij de gevorderde voorzieningen zwaarder wegen dan de belangen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] bij afwijzing van de vorderingen.
5.3.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] stellen zich op het standpunt dat zij nog steeds lid zijn van [naam club] en dat zij, en niet [eiser 1] en [eiser 2] , bestuurders zijn van [naam club] . De voorzieningenrechter onderschrijft dit standpunt. Overwogen wordt het volgende.
5.4.

Artikel 2:35 lid 1 BW bepaalt dat het lidmaatschap van een vereniging eindigt door a) de dood van het lid (tenzij de statuten overgang krachtens erfrecht toelaten), b) opzegging door het lid, c) opzegging door de vereniging, en d) ontzetting. Het betreft een limitatieve opsomming. Dat betekent dat het lidmaatschap van een vereniging uitsluitend eindigt als een van de genoemde gevallen zich voordoet. Het niet langer voldoen aan een lidmaatschapsvereiste, zoals in dit geval het in artikel 4 lid 2 van het reglement van [naam club] neergelegde vereiste om lid te zijn van de KNPV, is niet genoemd in artikel 2:35 lid 1 BW en doet het lidmaatschap dus niet van rechtswege eindigen. Wel kan het, zo volgt uit het tweede lid van artikel 2:35 BW, een grond vormen voor opzegging door de vereniging. Artikel 2:35 lid 1 is een dwingendrechtelijke bepaling, waarvan niet in de statuten kan worden afgeweken (zo volgt uit artikel 2:25 BW). De in het reglement van [naam club] opgenomen bepaling dat het lidmaatschap van de club eindigt door verlies van het lidmaatschap van de KNPV (artikel 6 lid 1 sub c) is dus in strijd met de wet en geldt om die reden niet.
5.5.

Vaststaat dat het bestuur, dat volgens artikel 2:35 lid 2 BW het lidmaatschap van een lid kan opzeggen, het lidmaatschap van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet heeft opgezegd. Dat betekent, naar voorlopig oordeel, dat zij vooralsnog lid zijn van [naam club] .
5.6.

Resteert de vraag of [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ook nog bestuurder zijn van [naam club] . Die vraag moet, naar voorlopig oordeel, ook bevestigend worden beantwoord. Overwogen wordt het volgende.
5.7.

Artikel 2:37 lid 2 BW bepaalt dat benoeming van bestuursleden geschiedt door de algemene vergadering (tenzij de statuten iets anders bepalen). Het zesde lid van dat artikel bepaalt dat een bestuurslid te allen tijde door het orgaan dat hem heeft benoemd kan worden ontslagen.
5.8.

Op 4 september 2018 heeft een door [eiser 1] bijeengeroepen ALV plaatsgevonden. Op die vergadering is door vier personen, onder wie [eiser 1] , [eiser 2] en [naam 2] , gestemd over de stelling dat de bestuursfuncties van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] terecht zijn beëindigd.
5.9.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] stellen dat [eiser 1] op 17 augustus 2017, dus vóórdat de vergadering van 4 september 2018 plaatsvond, is ontslagen als bestuurder van [naam club] , en dat [eiser 1] , [eiser 2] en [naam 2] op 20 juli 2018, eveneens dus vóór 4 september 2018, zijn ontzet uit hun lidmaatschap van [naam club] . Vooralsnog lijkt dit een rechtsgeldig besluit. Het moet er daarom voorshands voor worden gehouden dat [eiser 1] , [eiser 2] en [naam 2] op 4 september 2018 geen lid meer waren van [naam club] . Nu alleen de leden van een vereniging een stem hebben in de ALV (zo volgt uit artikel 2:38 lid 1 BW), konden [eiser 1] , [eiser 2] en [naam 2] dus geen stem uitbrengen. Daarbij komt nog dat, zoals [gedaagde 1] en [gedaagde 2] terecht hebben opgemerkt, artikel 11 sub b van het reglement van [naam club] (welk reglement volgens partijen nog steeds geldt) voorschrijft – overeenkomstig het bepaalde in artikel 2:41 lid 1 BW – dat een ALV moet worden uitgeschreven door het bestuur, hetgeen niet is gebeurd. Een en ander betekent, naar voorlopig oordeel, dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] nog steeds bestuurders zijn van [naam club] en dat eerst, op initiatief van het clubbestuur of op initiatief van tenminste twee derde van het aantal clubleden, door het huidige bestuur een ALV moet worden uitgeschreven alvorens kan worden gestemd over het ontslag van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] als bestuurders.
5.10.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat er niet van uit kan worden gegaan dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] geen bestuurder en geen lid meer zijn van [naam club] . Deze conclusie brengt met zich dat de vorderingen moeten worden afgewezen. Aan een belangenafweging komt de voorzieningenrechter, bij deze stand van zaken, niet toe.
5.11.

[eiser 1] en [eiser 2] zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden begroot op:
– griffierecht € 291,00
– salaris advocaat € 980,00
Totaal € 1.271,00

6De beoordeling in reconventie

6.1.

[eiser 3] en [eiser 4] leggen – samengevat – het volgende aan hun vorderingen ten grondslag. Eind 2015 zijn zij benoemd tot bestuurder van [naam club] . [verweerder 1] kon op 18 december 2017 niet besluiten tot opzegging van het lidmaatschap of tot de opzegging van het bestuurslidmaatschap van hen, omdat daarvoor meer nodig is dan één enkel bestuurslid. Na 16 december 2017 zijn zij dan ook gewoon lid gebleven en bestuurder gebleven
naast [verweerder 1] . In de bestuursvergadering van 20 juli 2018 is besloten tot vervallenverklaring / ontzetting van [verweerder 1] en [verweerder 2] uit hun lidmaatschap. In de ALV van 17 augustus 2018 is besloten [verweerder 1] met onmiddellijke ingang te ontslaan uit zijn bestuurslidmaatschap. [verweerder 1] en [verweerder 2] zijn dus geen lid meer van [naam club] , en [verweerder 1] is geen bestuurslid meer. Zij hebben een spoedeisend belang bij beëindiging van het gedrag van [verweerder 1] en [verweerder 2] , zodat zij de zaken van [naam club] in het belang van de hondensport, waaronder begrepen de opleiding tot politiehond, kunnen behartigen.
6.2.

Overwogen wordt het volgende.
Artikel 256 Rv schrijft voor dat als de voorzieningenrechter oordeelt dat de zaak niet geschikt is om in kort geding te worden beslist, hij de gevraagde voorziening weigert. Volgens vaste rechtspraak is een zaak niet geschikt om in kort geding te worden beslist als de voorzieningenrechter zich het voor het geven van een verantwoorde beslissing vereiste inzicht in de zaak niet kan verschaffen, of als de voorzieningenrechter de gevolgen van een door hem te geven beslissing niet voldoende kan overzien. Dat laatste doet zich in dit geval voor.
6.3.

Zoals hiervoor in conventie uiteen is gezet, lijken [verweerder 1] en [verweerder 2] formeel niet te kunnen worden aangemerkt als bestuurders van [naam club] , en formeel geen lid meer te zijn van [naam club] . De vordering die strekt tot een aan [verweerder 1] en [verweerder 2] op te leggen verbod om handelingen te verrichten namens [naam club] alsof zij bestuurslid zijn van [naam club] , althans zich te presenteren als bestuurslid van [naam club] en te doen voorkomen of zij lid zijn van [naam club] , is daarom op het eerste oog toewijsbaar. Hetzelfde geldt voor de vordering die strekt tot, onder andere, overhandiging door [verweerder 1] en [verweerder 2] van de sleutels van het terrein aan [eiser 3] en [eiser 4] , en ook voor de vordering die strekt tot een aan [verweerder 1] en [verweerder 2] op te leggen toegangsverbod tot het door [naam club] gehuurde oefenterrein in Capelle aan den IJssel. [verweerder 1] en [verweerder 2] wijzen echter erop dat de statuten van de KNPV bepalen dat [naam club] jaarlijks de erkenning behoeft van het bestuur van de afdeling waaronder zij ressorteert. Zij stellen dat deze erkenning niet opnieuw zal worden verkregen als [eiser 3] en [eiser 4] lid zijn van [naam club] , omdat zij door het bestuur van de KNPV uit hun lidmaatschap van de KNPV zijn ontzet en – zo begrijpt de voorzieningenrechter – [naam club] daardoor handelt in strijd met het in artikel 4 lid 2 van het reglement van [naam club] neergelegde vereiste dat een lid van [naam club] ook lid moet zijn van de KNPV. [eiser 3] en [eiser 4] hebben dat niet weersproken. Dit betekent dat toewijzing van de vorderingen mogelijk ervoor zorgt dat de continuïteit van [naam club] in het gedrang komt. De vraag is vervolgens wat dit voor gevolgen heeft voor het behoud van het oefenterrein.
6.4.

Een en ander brengt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat de zaak niet geschikt is om in kort geding te worden beslist. Daarbij komt nog dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat [eiser 3] en [eiser 4] een spoedeisend belang hebben bij wijziging, op dit moment, van de situatie zoals die nu is. Hun stelling dat zij een spoedeisend belang hebben bij beëindiging van het gedrag van [verweerder 1] en [verweerder 2] , zodat zij de zaken van [naam club] in het belang van de hondensport, waaronder begrepen de opleiding tot politiehond, kunnen behartigen, is onvoldoende om een spoedeisend belang te kunnen aannemen. Niet is gesteld, laat staan aannemelijk geworden, dat [verweerder 1] en [verweerder 2] de zaken van [naam club] niet goed behartigen. Bovendien is onweersproken door [verweerder 1] en [verweerder 2] gesteld dat de jaarlijkse erkenning van de KNPV niet opnieuw zal worden verkregen zo lang [eiser 3] en [eiser 4] lid zijn van [naam club] , als gevolg waarvan het waarborgen van de opleiding tot politiehond niet mogelijk lijkt.

Opzegging lidmaatschap bestuurslidmaatschap

Een moskeevereniging zegt het lidmaatschap op van een (kritisch) bestuurslid dat daarmee ook uit het bestuur wordt gezet. De rechter laat dit besluit in stand.
Het besluit is procedureel geldig tot stand gekomen (in een bestuursvergadering waar ook het lid aanwezig was). In de opzeggingsbrief staat dat het lid “zich meerdere malen schuldig heeft gemaakt aan provocerende en beledigende uitspraken, agressief gedrag, intimidatie en verbaal geweld jegens andere leden en bezoekers van de vereniging” met een gedetailleerde onderbouwing met voorbeelden. De verening heeft verder in de rechtszaak bewijs geleverd met emails en verklaringen en videobeelden en geluidsopnames van een uit de hand gelopen ALV.

” Met name uit de geluidsfragmenten komt het beeld naar voren dat de vergadering inderdaad (verder) escaleert door de uitlatingen van [eiser] zoals de vereniging stelt. Te horen is dat het bestuur hem probeert te kalmeren maar dat [eiser] op zeer luide en boze toon blijft praten en dingen roept als “ben je gek geworden ofzo?“. Dat een vereniging gelet op al het voorgaande meent dat redelijkerwijs niet van haar gevergd kan worden het lidmaatschap te laten voortduren, acht de voorzieningenrechter niet onbegrijpelijk.” 



Mij lijkt het opzeggen van het lidmaatschap van bestuursleden toch wel problematisch. Voorkomen moet worden dat de meerderheid van het bestuur andere bestuursleden uit het bestuur kunnen zetten onder het voorwendsel van misdragingen van die andere bestuursleden, juist omdat (in beginsel) alleen de ALV bevoegd is om bestuursleden te ontslaan (art. 2:37 lid 6 BW). De problematiek lijkt in de literatuur slechts beperkt te worden gesignaleerd.
In de uitspraak Rb. Leeuwarden (pres.) 21.02.2001, 

Zoekresultaat – inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2001:AB0170 (ook: KG 2001/103) is overwogen dat:

” Het zesde lid van artikel 2:37 BW schrijft dwingend voor dat het orgaan dat een bestuurder benoemt, deze te allen tijde kan schorsen. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat – onder meer – deze bepaling dwingendrechtelijk is voorgeschreven omdat de zeggenschap van de algemene ledenvergadering bij zaken als een schorsing karakteristiek voor de vereniging is en een van de waarborgen voor het democratische karakter van de vereniging vormt (MvA II, PG 2, blz. 422). Met dat voor de vereniging typerende democratische karakter verdraagt zich naar het oordeel van de president niet een statutaire bepaling op grond waarvan naast de algemene ledenvergadering ook het bestuur bevoegd is om tot schorsing van een medebestuurder over te gaan, ook niet als het bestuur alleen met een 2/3 meerderheid een schorsingsbesluit kan nemen. Praktische argumenten als de extra hoeveelheid tijd en geld die het uitroepen van een algemene ledenvergadering met zich brengt, leiden niet tot een ander oordeel.” 

Het lijkt mij dat deze overweging ook van toepassing is op de in principe aanwezige wettelijke bevoegdheid van het bestuur om het lidmaatschap van leden op te zeggen: mij lijk een dat onder artikel 2:8 onaanvaardbare doorkruising van de bevoegdheid van de ALV onder artikel 2:37 BW; behoudens mogelijk zeer evidente gevallen waarbij er groot spoedeisend belang is (bijv. een bestuurslid draait volledig door en valt andere leden fysiek aan).

ECLI:NL:RBDHA:2018:15155

Vonnis in kort geding van 21 december 2018

in de zaak van

[eiser] te [plaats] ,

tegen:

HAAGSE MOSLIM-VERENIGING [de vereniging] te [plaats] ,
gedaagde,

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘de vereniging’.

1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:
– de dagvaarding met de daarbij en nadien overgelegde producties;
– de door de vereniging overgelegde producties;
– de op 15 november 2018 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd. Ter zitting is vonnis bepaald op 29 november 2018.
1.2.

De voorzieningenrechter heeft op 21 november 2018 een kort geding behandeld van een andere eiser tegen de vereniging. In die procedure zijn door de vereniging desgevraagd na de zitting nog beelden overgelegd van de algemene ledenvergadering, zoals vermeld onder 2.3, met daarbij een toelichting. Aangezien dit ook de oordeelsvorming van de voorzieningenrechter in het onderhavige kort geding kan beïnvloeden, heeft zij het aangewezen geacht dat deze beelden met de toelichting door de advocaat van de vereniging ook zouden worden verstrekt aan (de advocaat van) [eiser] . [eiser] is in de gelegenheid gesteld om nog een korte reactie daarop te geven.
1.3.

[eiser] heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt bij brief van 5 december 2018, met bijlagen. Die zal worden meegenomen bij de beoordeling van deze zaak.
1.4.

De vonnisdatum is vervolgens gepland op (eerst 6 december 2018 en daarna) heden.

2De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

[eiser] is sinds 20 mei 2017 een van de bestuurders van de vereniging. Deze is opgericht in 1975 en heeft onder andere tot doel heeft het bevorderen van godsdienstige, culturele en sociale belangen van moslims, het bevorderen van de studie van de islam en het oprichten en in stand houden van moskeeën.
2.2.

In de thans geldende statuten van de vereniging, zoals neergelegd in een notariële akte van statutenwijziging van 22 november 1991 staat, voor zover thans relevant, vermeld:
in artikel 13 over het lidmaatschap:
“Het lidmaatschap gaat verloren door:
1. (…)
c. opzegging namens de vereniging;
d. royering (ontzetting).
(…)
3. Opzegging van het lidmaatschap namens de vereniging kan evenwel te allen tijde geschieden door het bestuur, met inachtneming van de opzeggingstermijn van tenminste één maand, wanneer (…)
De opzegging door het bestuur kan onmiddellijke beëindiging van het lidmaatschap tot gevolg hebben, wanneer redelijkerwijs van de vereniging niet gevergd kan worden het lidmaatschap te laten voortduren.
De opzegging geschiedt steeds schriftelijk met opgave van de reden(en).
4. Leden wier gedrag in strijd is met deze statuten en de op grond daarvan vastgestelde reglementen kunnen door het bestuur of de Algemene ledenvergadering worden geroyeerd.
5. In geval van royement door het bestuur vereist die bestuursdaad op de eerstvolgende ledenvergadering de goedkeuring van de Algemene ledenvergadering. (…)
6. Degenen ten aanzien van wie een besluit tot royement is genomen worden ten spoedigste hiervan schriftelijk en met opgaaf van reden(en) door het bestuur in kennis gesteld.
(…)
In artikel 14 over het bestuur
“(…)
2. De bestuurders worden door de Algemene ledenvergadering gekozen, welke verkiezing alleen leden der vereniging kan betreffen.
(…)
4. De Algemene ledenvergadering kan een bestuurslid schorsen of ontslaan indien zij daartoe termen aanwezig acht. Voor een besluit daartoe is een meerderheid van stemmen nodig.
(…)
7. Het bestuur vergadert zo dikwijls als de voorzitter of tenminste twee bestuursleden zulks wenst/wensen. Bestuursbesluiten dienen te worden genomen met een meerderheid van uitgebrachte stemmen in een vergadering waar tenminste drie/vierde deel van de in functie zijnde bestuursleden aanwezig is.
(…)
10. Alleen die leden der vereniging die van onbesproken gedrag zijn, de leeftijd van eenentwintig jaar hebben bereikt en tenminste twee jaar onafgebroken lid van de vereniging zijn, kunnen tot bestuurlid der vereniging worden gekozen, een en ander tenzij de Algemene ledenvergadering anders beslist.
(…)”
2.3.

Op 24 juni 2018 heeft er een algemene ledenvergadering (hierna: alv) van de vereniging plaatsgevonden. Deze is geëscaleerd in die zin dat er direct na de start een verhitte discussie is ontstaan over een onderwerp dat [eiser] op de agenda behandeld wilde zien en over de aanwezigheid van een oud-bestuurslid. Uit de stellingen van beide partijen volgt dat dit een en ander heeft geleid tot een grimmige sfeer, tot een handgemeen tussen meerdere personen, waarbij ook is gescholden, provocerende opmerkingen zijn gemaakt en bedreigingen zijn geuit. De politie is op enig moment ingeschakeld, waarna de zaal is ontruimd.
2.4.

Op 1 juli 2018 heeft er een bestuursvergadering plaatsgevonden, waar zes bestuursleden aanwezig waren. Volgens het concept-verslag van deze vergadering was [eiser] afwezig met kennisgeving. In het concept-verslag staat vermeld dat op deze bestuursvergadering de gang van zaken op de alv is besproken. Verder is onder meer opgenomen i) dat aan één persoon een verbod is opgelegd en aan diverse personen waarschuwingen zijn opgelegd, ii) dat het bestuur concludeert dat, verkort weergegeven, [eiser] een belangrijke rol heeft gespeeld in de escalatie, hij als (mede)veroorzaker wordt gezien, hij een microfoon grof uit handen heeft genomen en heeft beledigd, uitgedaagd en geduwd, iii) dat gelet op eerdere escalaties met bestuurders en de genoemde feiten ten aanzien van de alv het bestuur [eiser] niet geschikt acht als bestuurder, geen vertrouwen meer in hem heeft en de samenwerking met hem wil stoppen, maar nog wil onderzoeken hoe hiermee verder te gaan en iv) dat gezien het handelen en de negativiteit die de escalatie met zich mee heeft gebracht wordt besloten dat [eiser] geen programma’s meer mag leiden en geen toespraken meer mag houden.
2.5.

Op 27 september 2018 heeft de volgende bestuursvergadering plaatsgevonden, waarbij alle bestuursleden aanwezig waren. In het concept-verslag van deze vergadering staat vermeld dat door een bestuurslid opnieuw melding wordt gemaakt van de zaken als vermeld onder 2.4 waarna deze stelt: ”Er is geen vertrouwen meer in de onderlinge samenwerking en de kwetsende uitingen bewijst uw gedrag en de handelingen dat u als persoon niet past binnen de vereniging. Mede daarom wordt voorgesteld te besluiten uw lidmaatschap op te zeggen.” Nadat de overige bestuursleden, inclusief [eiser] , zich daarover hebben (kunnen) uit(ge)laten, is op deze vergadering het besluit genomen overeenkomstig het daartoe gedane voorstel.
2.6.

Bij brief van diezelfde datum (hierna: de opzeggingsbrief) is schriftelijk namens het bestuur van de vereniging aan [eiser] meegedeeld dat zijn lidmaatschap van de vereniging wordt opgezegd op grond van artikel 13 lid 3 van de statuten, omdat van de vereniging redelijkerwijs niet gevergd kan worden het lidmaatschap te laten voortduren, hetgeen een onmiddellijke beëindiging van het lidmaatschap tot gevolg heeft (hierna: het opzeggingsbesluit). 
Hieraan wordt toegevoegd dat, aangezien het lidmaatschap van [eiser] is beëindigd, dit ingevolge artikel 14 lid 10 van de statuten tot gevolg heeft dat het bestuurslidmaatschap van [eiser] ook per direct is beëindigd. In de brief worden de redenen van het besluit weergegeven. 
Op pagina 1 wordt, verkort weergegeven, gesteld dat [eiser] zich meerdere malen schuldig heeft gemaakt aan provocerende en beledigende uitspraken, agressief gedrag, intimidatie en verbaal geweld jegens andere leden en bezoekers van de vereniging. Daaronder volgt een niet-limitatieve opsomming van kwalijke en onrechtmatige uitlatingen van [eiser] jegens andere leden van de vereniging. Op pagina 2 staat vermeld, verkort weergegeven, dat het wangedrag van [eiser] op de alv de spreekwoordelijke druppel was die de emmer deed overlopen. Aan [eiser] wordt volgens de brief met name verweten i) dat hij de voorzitter agressief heeft benaderd en de microfoon hardhandig uit zijn handen heeft getrokken, ii) dat hij de tweede secretaris agressief heeft benaderd en de telefoon uit zijn handen heeft geslagen, iii) dat hij fysiek geweld heeft gebruikt tegen de eerste secretaris onder meer door hem te duwen en iv) dat hij een vrouwelijk ouder lid agressief heeft benaderd en haar verbaal heeft aangevallen. Verder wordt nog melding gemaakt van een incident na de alv, waarmee [eiser] het bestuur onterecht in een kwaad daglicht zou hebben gesteld en onnodig verwarring zou hebben gezaaid over een rechtsgeldig genomen besluit. Het bestuur stelt dat [eiser] met zijn handelen tot onverdraagzaamheid oproept in de vereniging wat niet langer getolereerd kan en zal worden.

3Het geschil

3.1.

[eiser] vordert, zakelijk weergegeven:
  1. het opzeggingsbesluit te schorsen;
  2. het aan [eiser] opgelegde spreekverbod en/of de besluiten genomen op de bestuursvergadering van 1 juli 2018 betreffende informatieverschaffing of -beperking te schorsen;
  3. de vereniging dan wel haar bestuur te verbieden om [eiser] het recht op inzage te ontzeggen/beperken;
  4. de vereniging dan wel haar bestuur te verbieden om [eiser] dan wel diens goede naam te diffameren;
  5. de vereniging te gebieden om te rectificeren wat het bestuur over [eiser] heeft rondgestuurd via multimedia, waaronder WhatsApp;
  6. de vereniging te gebieden om aan [eiser] steeds volledige en onbelemmerde toegang te verschaffen tot en inzage te verschaffen in alle voorzieningen van de vereniging, inclusief alle online-systemen, documenten en administratie, waaronder de financiën, het wachtwoord van het camerasysteem inclusief de opnamen en de ledenadministratie;
  7. de vereniging te veroordelen om [eiser] minstens veertien dagen voor een bestuursvergadering daarvoor uit te nodigen en alle stukken daarvan toe te zenden en hem te betrekken bij de besluitvorming binnen het bestuur;
een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom en met veroordeling van de vereniging in de proceskosten.
3.2.

Daartoe voert [eiser] – verkort en samengevat weergegeven – het volgende aan. Het opzeggingsbesluit is formeel en materieel nietig en/of vernietigbaar en/of niet rechtsgeldig. Het dient daarom te worden geschorst zodat [eiser] direct weer zijn lidmaatschapsrechten kan uitoefenen, zijn bestuurstaken kan vervullen en inzage kan krijgen in alle systemen en administratie. Hij vraagt al sinds zijn aantreden als bestuurder om die inzage, maar hij krijgt dit – ten onrechte – niet. Naast dat er diverse formele gebreken kleven aan het opzeggingsbesluit, is dat besluit om oneigenlijke redenen genomen. De overige bestuurders willen hem kennelijk niet in het bestuur omdat hij kritisch is, een afwijkende mening heeft en transparantie nastreeft. [eiser] neemt zijn taak echter serieus en hij wil dat er sprake is van een objectief en verifieerbaar bestuur. Door hem nu op deze wijze te weren, maakt het bestuur misbruik van haar opzeggingsbevoegdheid en handelt het bestuur onrechtmatig jegens hem, aldus [eiser] .
3.3.

De vereniging voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4De beoordeling van het geschil

Spoedeisend belang

4.1.

De voorzieningenrechter stelt het volgende voorop. De vereniging heeft er in het kader van haar verweer onder meer op gewezen dat de opzegging van het lidmaatschap weliswaar tot gevolg heeft dat [eiser] niet meer kan stemmen op een alv, maar dat dit niet betekent dat hij de moskee niet meer kan blijven bezoeken. Volgens de vereniging blijft [eiser] daar welkom, zodat hij geen spoedeisend belang heeft bij toewijzing van zijn vorderingen. Daaraan gaat de voorzieningenrechter voorbij. Daargelaten de vraag hoe dit in de praktijk zal uitpakken ( [eiser] heeft gesteld zijn twijfels te hebben bij deze toezegging) heeft te gelden dat het besluit tot opzegging van het lidmaatschap in dit geval meer gevolgen heeft. [eiser] kan hierdoor ook zijn bestuurstaken niet meer uitoefenen, terwijl het volgens hem dringend noodzakelijk is dat hij hierin zijn verantwoordelijk neemt. Ook is aan [eiser] onder meer het verbod opgelegd om toespraken te houden. Onder deze omstandigheden heeft [eiser] naar het oordeel van de voorzieningenrechter een voldoende spoedeisend belang om in zijn vorderingen in dit geding te kunnen worden ontvangen. De vraag of de verhoudingen tussen partijen zodanig zijn verstoord dat de vorderingen op grond van een belangenafweging moeten worden afgewezen, zoals de vereniging ook nog heeft opgemerkt bij haar betwisting van het spoedeisend belang, betreft een inhoudelijke beoordeling die zo nodig hierna aan de orde zal komen.
Het opzeggingsbesluit

4.2.

De voorzieningenrechter stelt vast dat op grond van artikel 13 lid 3 van de statuten een lidmaatschap onmiddellijk kan worden beëindigd namens de vereniging door een opzegging door het bestuur wanneer redelijkerwijs van de vereniging niet gevergd kan worden het lidmaatschap te laten voortduren. Dit betreft een regeling overeenkomstig artikel 2:36 BW. Daarbij is in de statuten bepaald dat deze opzegging schriftelijk moet geschieden met opgave van de reden(en). In de opzeggingsbrief wordt op deze opzeggingsgrond een beroep gedaan met opgave van de redenen, zodat aan deze formele vereisten is voldaan. Dat is op zichzelf door [eiser] ook niet gemotiveerd weersproken. Dat geldt ook voor de stellingen van de vereniging dat bestuurders lid moeten zijn van de vereniging – zoals ook volgt uit de statuten – en dat de opzegging van het lidmaatschap daarom tot gevolg heeft dat [eiser] per direct ook geen bestuurslid meer is.
4.3.

[eiser] meent echter dat er bij het opzeggingsbesluit sprake is van diverse formele gebreken. Dat zal hierna als eerste worden beoordeeld. Daarna komt het standpunt van [eiser] aan de orde dat er op neer komt dat het besluit ook materieel gezien geen stand kan houden.
Formele gebreken

4.4.

[eiser] meent dat niet is voldaan aan de eis dat hij ten spoedigste in kennis moet worden gesteld van het besluit. Die eis is echter in artikel 13 lid 6 van de statuten opgenomen voor de situatie dat er een besluit tot royement is genomen. Ook in de wet wordt deze eis alleen gesteld bij ontzetting uit en niet bij opzegging van een lidmaatschap. Waarom deze eis (analoog) van toepassing zou zijn op de onderhavige situatie van opzegging van het lidmaatschap van [eiser] is door hem niet dan wel onvoldoende onderbouwd. Reeds daarom wordt aan zijn stellingname voorbij gegaan. Overigens ziet het ‘ten spoedigste’ op het in kennis stellen van iemand over een genomen besluit en dus op de periode ná het nemen van het besluit. Het ziet niet op de periode daarvóór, zoals [eiser] kennelijk veronderstelt nu hij wijst op de periode tussen hetgeen is voorgevallen tijdens de alv en het nemen van het besluit. In dit geval is [eiser] op de dag van het nemen van het besluit tevens schriftelijk daarvan op de hoogte gesteld, hetgeen zonder meer kan worden beschouwd als ‘ten spoedigste’.
4.5.

De voorzieningenrechter gaat ook voorbij aan de stelling van [eiser] dat het besluit nietig is omdat [eiser] nooit is uitgenodigd voor een bestuursvergadering waarbij de ontzegging van het lidmaatschap van [eiser] was geagendeerd.
4.6.

De voorzieningenrechter overweegt daartoe op de eerste plaats dat ter zitting is gebleken dat [eiser] wel degelijk een dergelijke uitnodiging heeft ontvangen, namelijk op 26 september 2018 voor de vergadering van 27 september 2018, met de vermelding van het agendapunt “besluit omtrent lidmaatschap vvz (mede) n.a.v. escalatie ALV d.d. 24-6-2018”. Dit blijkt uit een door de vereniging overgelegd e-mailbericht van 26 september 2018, dat mede is gericht aan [eiser] . De vereniging heeft er daarbij op gewezen dat [eiser] ook aanwezig was op de vergadering. Dit is door [eiser] erkend, waarna hij heeft verklaard dat zijn stelling aldus moet worden begrepen dat een uitnodiging een dag van tevoren redelijkerwijs niet kan worden aangemerkt als een uitnodiging.
4.7.

De voorzieningenrechter overweegt op de eerste plaats dat onder deze omstandigheden de – deels onderstreepte en zonder enige nuancering opgenomen – stelling in de dagvaarding dat [eiser] “nooit [is] uitgenodigd voor een bestuursvergadering waarvoor het nemen van een bestuursbesluit inhoudende het opleggen van een sanctie jegens [eiser] was geagendeerd” een onjuiste voorstelling van zaken betreft en een verkeerde voorlichting van de voorzieningenrechter. De voorzieningenrechter ziet gezien het navolgende echter geen aanleiding om daaraan een gevolgtrekking te verbinden.
4.8.

Voor het standpunt van [eiser] dat bestuursbesluiten niet rechtsgeldig zijn, indien deze zijn genomen in een vergadering waar niet iedereen voor is uitgenodigd – of te kort van te voren – kan geen bevestiging worden gevonden in de statuten. In de statuten wordt alleen bepaald dat bestuursbesluiten dienen te worden genomen met een meerderheid van uitgebrachte stemmen in een vergadering waar tenminste drie/vierde deel van de in functie zijnde bestuursleden aanwezig is. Dat was op 27 september 2018 het geval. Zoals voormeld was iedereen daarbij aanwezig, inclusief [eiser] ondanks de late uitnodiging. Op hem na heeft iedereen voor het besluit gestemd.
4.9.

Dat het bestuur met elkaar heeft afgesproken dat uitnodigingen veertien dagen van tevoren moeten worden verstuurd, dan wel in ieder geval meer dan een dag van te voren – zoals [eiser] ter zitting heeft toegevoegd – heeft [eiser] in het licht van de gemotiveerde betwisting door de vereniging niet aannemelijk gemaakt. De voorzieningenrechter heeft hierbij acht geslagen op de verklaring van de vereniging die er op neerkomt dat het gebruik was om ad hoc te kijken wie er wanneer aanwezig zou kunnen zijn. Als iedereen op korte termijn aanwezig bleek te kunnen zijn behoorde een uitnodiging en vergadering op kortere termijn ook tot de mogelijkheden, aldus de vereniging. Dat het bestuur bovendien met elkaar zou hebben afgesproken dat bij een uitnodiging een dag van te voren geen rechtsgeldige besluiten zouden kunnen worden genomen, is overigens niet gesteld. Van enig formeel gebrek is in zoverre dan ook geen sprake.
4.10.

De voorzieningenrechter begrijpt dat de bezwaren van [eiser] ook zien op de bestuursvergadering van 1 juli 2018, waar hij niet bij aanwezig was. Daaraan wordt gezien het vorenstaande echter ook voorbij gegaan. Overigens is op die vergadering niet het besluit tot opzegging van zijn lidmaatschap genomen en heeft [eiser] onvoldoende onderbouwd waarom de daar wel ten aanzien van hem genomen besluiten onder de huidige omstandigheden, te weten waarin hij geen bestuurslid en geen lid meer is van de vereniging, zouden moeten worden geschorst.
4.11.

Het beroep van [eiser] op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur gaat niet op, omdat deze beginselen van toepassing zijn op de verhouding tussen de overheid en de burger. Daarvan is hier geen sprake.
Misbruik van bevoegdheid en onrechtmatig handelen

4.12.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat de vereniging bij het nemen van het opzeggingsbesluit een vrijheid toekomt, die meebrengt dat dit besluit jegens [eiser] slechts ontoelaatbaar is indien de vereniging in de gegeven omstandigheden, waaronder de door haar behartigde belangen, in redelijkheid jegens [eiser] niet tot een zodanige maatregel had kunnen komen. [eiser] meent dat hier sprake is van een dergelijke ontoelaatbaarheid en dat de vereniging haar opzeggingsbevoegdheid daardoor heeft misbruikt en onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld. Dit is door de vereniging betwist. Beoordeeld moet worden of zeer aannemelijk is dat in een eventuele bodemprocedure zal worden geoordeeld dat het besluit geen stand zal houden.
4.13.

Voor zover [eiser] aan zijn standpunt ten grondslag legt dat het bestuur eigenlijk een royement van zijn lidmaatschap wenste, maar heeft gekozen voor de mogelijkheid van opzegging van het lidmaatschap om op die wijze de alv te passeren, wordt daaraan voorbij gegaan. [eiser] stelt zelf dat niet is voldaan aan de vereisten voor royement, waarmee de vereniging het kennelijk eens is. De vereniging heeft zich immers nooit op het standpunt gesteld dat [eiser] het voor een royement bedoelde gedrag (handelen in strijd met de statuten en reglementen) heeft vertoond. Gelet daarop valt niet in te zien dat en waarom de vereniging voor die optie had moeten kiezen.
4.14.

[eiser] heeft in dit kader verder betoogd dat, kort gezegd, het bestuur met de opzegging feitelijk een weldenkend bestuurder heeft willen weren, die zijn taak goed en serieus vervult en het als zijn taak ziet om te bewerkstelligen dat het bestuur transparant handelt. Het bestuur wil hem echter kennelijk kwijt, omdat hij kritisch is en vaak een afwijkend mening heeft, aldus [eiser] . Op basis van deze enkele stellingname, mede bezien in het licht van de gemotiveerde weerspreking hiervan door de vereniging en haar uitvoerige toelichting van aan het besluit ten grondslag liggende redenen, kan in dit geding niet worden uitgegaan van de juistheid van dat betoog.
4.15.

De voorzieningenrechter slaat daarbij acht op de toelichting van de vereniging die er op neerkomt dat [eiser] zich in het verleden regelmatig provocerend, beledigend en beschuldigend heeft uitgelaten jegens medebestuursleden. Daar is bijgekomen het door de vereniging beschreven gedrag van [eiser] op de alv en dat was volgens de vereniging de druppel die de emmer diep overlopen. De vereniging heeft beide onderdelen nader geconcretiseerd met voorbeelden en beschrijvingen. Zij heeft voorts ter onderbouwing onder andere e-mails en verklaringen overgelegd en (concept)-verslagen van vergaderingen. Daarmee heeft zij haar stellingen aannemelijk weten te maken. Deze stellingen worden voorts ondersteund door de videobeelden en geluidsfragmenten van de alv die in de procedure van een andere eiser tegen de vereniging zijn overgelegd en waarop ook [eiser] is te horen en te zien. Met name uit de geluidsfragmenten komt het beeld naar voren dat de vergadering inderdaad (verder) escaleert door de uitlatingen van [eiser] zoals de vereniging stelt. Te horen is dat het bestuur hem probeert te kalmeren maar dat [eiser] op zeer luide en boze toon blijft praten en dingen roept als “ben je gek geworden ofzo?“. Dat een vereniging gelet op al het voorgaande meent dat redelijkerwijs niet van haar gevergd kan worden het lidmaatschap te laten voortduren, acht de voorzieningenrechter niet onbegrijpelijk. Gelet hierop leidt de marginale toets als weergegeven onder 4.12 ertoe dat in dit geding niet kan worden geconcludeerd dat zeer aannemelijk is dat een bodemrechter in een eventuele bodemprocedure zal oordelen dat sprake is van een ontoelaatbaar opzeggingsbesluit. Gelet daarop ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om vooruitlopend op een eventuele bodemprocedure over te gaan tot het treffen van de door [eiser] gevorderde voorzieningen.
4.16.

Dat er sprake zou zijn van strijd met de (grond)wet, met de (geest van) de statuten en met de redelijkheid en billijkheid, heeft [eiser] niet alleen niet nader geconcretiseerd, maar ook niet anders onderbouwd dan met een verwijzing naar de oneigenlijke redenen die volgens hem ten grondslag liggen aan het opzeggingsbesluit. Gezien het vorenstaande kan [eiser] daarin niet worden gevolgd.
4.17.

Nog afgezien daarvan heeft de vereniging ook uitvoerig betoogd dat de verhoudingen tussen [eiser] en (het bestuur van) de vereniging inmiddels zodanig zijn verstoord dat het onmogelijk is geworden om in de toekomst nog op een vruchtbare manier samen te werken in het belang van de vereniging. [eiser] heeft weliswaar betoogd dat hij handelt in het belang van de vereniging, de vereniging vooruit wil helpen en met de overige bestuursleden wil samenwerken, maar hoe dat vorm zou moeten krijgen onder deze geëscaleerde omstandigheden waarin de overige bestuursleden stellen geen enkel vertrouwen meer te hebben in [eiser] , heeft hij niet duidelijk weten te maken. Dit is ook een factor die maakt dat terughoudendheid moet worden betracht bij het treffen van de door [eiser] gewenste tijdelijke ordemaatregelen die er toe zouden leiden dat [eiser] vooruitlopend op de uitkomst van een bodemprocedure voorlopig weer lid en bestuurslid zal zijn.
Conclusie

4.18.

Voor de gevorderde schorsing van het opzeggingsbesluit en van de op 1 juli 2018 genomen besluiten is in dit geding gezien het vorenstaande geen plaats. Nu het opzeggingsbesluit in dit geding in stand wordt gelaten, is van een recht van [eiser] op inzage in en toegang tot voorzieningen betreffende de vereniging thans geen sprake. Ook kan hij er daarom nu geen aanspraak op maken dat hij wordt betrokken bij besluitvorming binnen het bestuur. De vorderingen die daarop zien zijn daarom niet toewijsbaar. Ten slotte heeft [eiser] de vorderingen om de vereniging dan wel haar bestuur te verbieden om hem dan wel diens goede naam te diffameren en om de vereniging te gebieden om te rectificeren wat het bestuur over hem heeft rondgestuurd via multimedia niet voldoende nader onderbouwd en geconcretiseerd om voor toewijzing in aanmerking te kunnen komen. Het gevorderde zal daarom in zijn geheel worden afgewezen.
4.19.

[eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst het gevorderde af;

Wangedrag van ouder van lid

Een voetbalvereniging zegt het lidmaatschap van een lid op (een jeugdspeler van 8 jaar) vanwege wangedrag van diens vader. De rechter moet beoordelen (in kort geding) of de vereniging dit besluit had mogen nemen.

” Vooropgesteld wordt dat het gaat om de opzegging van het lidmaatschap van [het kind] , en niet die van zijn vader, [] . 
Er valt, zo heeft de voetbalvereniging tijdens de zitting bevestigd, niets aan te merken op het sportieve en sociale gedrag van [het lid] . [Het lid] voetbalt al vier jaar bij de voetbalvereniging en heeft daar ook vriendjes gemaakt. [Het lid] is een (jong) kind van 8 jaar en heeft er een groot belang bij om nog geruime tijd samen met zijn vriendjes bij de voetbalvereniging lekker te kunnen voetballen. [Het lid] wordt door de opzegging van zijn lidmaatschap in feite “gestraft” voor het (aangenomen) bedreigende en intimiderende gedrag van zijn vader, waaraan hij niets kan doen.” 

De rechter overweegt de de vereniging de toegang kan verbieden aan de vader, en dat de moeder dan het lid kan wegbrengen en begeleiden (en dat ook al eerder heeft gedaan). De rechter oordeelt dat het aannemelijk is dat het besluit tot opzegging van het lidmaatschap ongeldig is.

Rechtbank Midden-Nederland 13 juli 2018
ECLI:NL:RBMNE:2018:3217

2Het geschil en de beoordeling daarvan

2.1.

Heeft de voetbalvereniging het besluit mogen nemen om het lidmaatschap van [eiser sub 2] op te zeggen vanwege het volgens haar ontoelaatbare gedrag van zijn vader ( [eiser sub 1] )? Dat is de vraag waar het in dit kort geding in de kern genomen om draait.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het aannemelijk is dat deze vraag door de bodemrechter met “nee” zal worden beantwoord.
2.2.

Allereerst een korte weergave van de feiten.
De achtjarige zoon van [eiser sub 1] is al vier jaar lid van de voetbalvereniging en speelt in dit seizoen, dat loopt tot 30 juni 2018 in JO9-1. [eiser sub 1] is (als ouder) betrokken bij de club en is jeugdtrainer geweest van onder andere het team waarin [eiser sub 2] speelde. [eiser sub 1] brengt [eiser sub 2] naar de trainingen en gaat mee naar de thuis- en uitwedstrijden.

Op 11 november 2017 heeft het team van [eiser sub 2] een uitwedstrijd gespeeld.
[eiser sub 1] was daarbij aanwezig om [eiser sub 2] aan te moedigen. Tijdens deze wedstrijd werd [eiser sub 2] gewisseld. [eiser sub 1] was het daarmee niet eens en heeft tegenover de jeugdcoach van het team daarover zijn ongenoegen geuit en is daarna met [eiser sub 2] , terwijl de wedstrijd nog niet was afgelopen, vertrokken.


Naar aanleiding hiervan heeft (het bestuur van) de voetbalvereniging [eiser sub 1] een afkoelingsperiode opgelegd. [eiser sub 1] is daarbij verboden om vanaf 14 november 2017 tot
1 maart 2018 het complex van de voetbalvereniging te betreden en thuis- en uitwedstrijden van [eiser sub 2] bij te wonen. Ook is hem verzocht om gedurende deze afkoelingsperiode geen contact te zoeken met teamleden, ouders van teamleden of het teamkader.
[eiser sub 1] heeft zich hieraan gehouden.
[eiser sub 1] en het bestuur van de voetbalvereniging zijn in de afkoelingsperiode met elkaar in gesprek gegaan over hoe nu verder. Het bestuur van de voetbalvereniging heeft aan [eiser sub 1] laten weten dat de ouders van de teamgenootjes van [eiser sub 2] , de teamgenootjes zelf en het teamkader zich door het fanatieke gedrag van [eiser sub 1] , dat zich voor 11 november 2018 ook al had voorgedaan, bedreigd en geïntimideerd voelen en dat daarvoor een oplossing moet komen. [eiser sub 1] heeft aangegeven dat hij bij de voetbalvereniging en het voetbal van [eiser sub 2] betrokken wil zijn en heeft mediaton voorgesteld. Ook heeft hij laten weten in gesprek te willen gaan met ouders van de teamgenootjes van [eiser sub 2] . De ouders voelden echter niet voor een gesprek. Tot een oplossing is het niet gekomen.

Het bestuur van de voetbalvereniging heeft vervolgens twee besluiten genomen, namelijk:
– de opzegging van het lidmaatschap van [eiser sub 2] per 30 juni 2018 (hierna: het
opzeggingsbesluit), en
– de oplegging van een (nieuw) verbod aan [eiser sub 1] voor de duur van het nog lopende
voetbalseizoen van [eiser sub 2] ; [eiser sub 1] is daarbij verboden om zich tot 30 juni 2018
i) op het complex van de club te begeven, ii) uitwedstrijden van het team van [eiser sub 2] te
bezoeken en iii) contact te zoeken met teamleden, ouders van teamleden of het teamkader.
Doet [eiser sub 1] dat toch dan wordt het lidmaatschap van [eiser sub 2] per direct opgezegd (en dus
niet per 30 juni 2018).
Het bestuur van de voetbalvereniging heeft deze besluiten door middel van twee brieven beiden gedateerd 26 februari 2018 aan [eiser sub 1] kenbaar gemaakt (meegedeeld).

2.3.

[eiser sub 1] en [eiser sub 2] komen in dit kort geding op tegen deze besluiten. Zij voeren aan dat deze besluiten op grond van artikel 2:15 Burgerlijk Wetboek (BW) vernietigbaar zijn omdat de inhoud van deze besluiten in strijd is met de redelijkheid en billijkheid die het bestuur van de voetbalvereniging op grond van artikel 2:8 lid 1 BW jegens hen in acht moet nemen. Zij vorderen daarom primair een verbod om uitvoering te geven aan deze besluiten en subsidiair – na wijziging van eis – schorsing van deze besluiten. Beide vorderingen komen erop neer dat de besluiten vooralsnog moeten worden genegeerd als ware zij niet genomen.
De voetbalvereniging voert gemotiveerd verweer.
Vernietigbaarheid opzeggingsbesluit?
2.4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het aannemelijk is dat de bodemrechter zal oordelen dat het opzeggingsbesluit van het bestuur van de voetbalvereniging ongeldig (vernietigbaar) is. Hierna zal worden uitgelegd waarom dit zo is.

2.5.

De vereniging (in dit geval het bestuur van de voetbalvereniging) kan op grond van artikel 2:35 BW het lidmaatschap van één van haar leden opzeggen:
– in de gevallen in de statuten genoemd
– wanneer een lid heeft opgehouden aan de vereisten door de statuten voor het lidmaatschap
gesteld te voldoen
– wanneer redelijkerwijs van de vereniging niet kan worden gevergd het lidmaatschap te
laten voortduren.
2.6.

De voetbalvereniging stelt zich op het standpunt dat haar besluit om het lidmaatschap van [eiser sub 2] op te zeggen rechtsgeldig is, omdat redelijkerwijs niet van haar kan worden gevergd het lidmaatschap van [eiser sub 2] te laten voortduren. Als reden hiervoor voert zij aan dat de vader van [eiser sub 2] zich herhaaldelijk, voor het laatst tijdens het incident van
11 november 2018, bedreigend en intimiderend bij wedstrijden van [eiser sub 2] heeft uitgelaten en dat daardoor binnen de voetbalvereniging onrust is ontstaan. De ouders van de teamgenootjes van [eiser sub 2] , de teamgenootjes zelf en het teamkader van de voetbalvereniging zouden volgens de voetbalvereniging vanwege het gedrag van [eiser sub 1] op eieren lopen waardoor het plezier dat zij met elkaar op de voetbalclub zouden moeten hebben in het geding is. [eiser sub 1] is niet bereid gebleken om excuses voor zijn gedrag te maken, wat een oplossing in de weg staat. De voetbalvereniging heeft zich niet alleen de belangen van [eiser sub 2] aan te trekken, maar ook die van haar andere leden. De voetbalvereniging is daarom van mening dat zij niets anders kon dan het besluit te nemen om het lidmaatschap van
[eiser sub 2] op te zeggen.
2.7.

[eiser sub 1] herkent zich niet in dit door de voetbalvereniging gestelde gedrag. Hij is, zo heeft hij tijdens de mondelinge behandeling bevestigd, weliswaar erg fanatiek en betrokken bij de voetbalvereniging en het voetbalteam van [eiser sub 2] , maar hij betwist dat hij bedreigend en intimiderend is en dat ouders, teamkaderleden en kinderen bang voor hem zijn. Hij heeft dit team ook getraind en tot het niveau gebracht waar ze nu zijn, en de kinderen begroeten hem altijd enthousiast. Ook de ouders hebben hem complimenten gemaakt.
2.8.

Partijen verschillen dus van mening over de vraag of [eiser sub 1] zich bedreigend en intimiderend op de voetbalvereniging en bij wedstrijden van [eiser sub 2] heeft gedragen en
en voor angst en onrust binnen de voetbalvereniging zorgt.
De voorzieningenrechter kan de beoordeling van deze vraag in het midden laten, omdat ook wanneer de voetbalvereniging wordt gevolgd in haar standpunt over het gedrag van [eiser sub 1] dit, zoals hierna zal worden uitgelegd, niet de conclusie kan dragen dat er een rechtsgeldig opzeggingsbesluit is genomen.

2.9.

Vooropgesteld wordt dat het gaat om de opzegging van het lidmaatschap van [eiser sub 2] , en niet die van zijn vader, [eiser sub 1] .
Er valt, zo heeft de voetbalvereniging tijdens de zitting bevestigd, niets aan te merken op het sportieve en sociale gedrag van [eiser sub 2] . [eiser sub 2] voetbalt al vier jaar bij de voetbalvereniging en heeft daar ook vriendjes gemaakt. [eiser sub 2] is een (jong) kind van 8 jaar en heeft er een groot belang bij om nog geruime tijd samen met zijn vriendjes bij de voetbalvereniging lekker te kunnen voetballen. [eiser sub 2] wordt door de opzegging van zijn lidmaatschap in feite “gestraft” voor het (aangenomen) bedreigende en intimiderende gedrag van zijn vader, waaraan hij niets kan doen.
2.10.

Het is voor (het bestuur van) de voetbalvereniging mogelijk om [eiser sub 1] , wanneer hij zich na de voortzetting van het lidmaatschap van [eiser sub 2] nog steeds bedreigend en intimiderend of anderszins ontoelaatbaar gedraagt, van de voetbalvereniging te weren en hem te verbieden de thuis- en uitwedstrijden van [eiser sub 2] bij te wonen. Het bestuur van de voetbalvereniging kan daartoe, wanneer het gedrag van [eiser sub 1] daartoe aanleiding biedt, een (nieuw) aan [eiser sub 1] gericht besluit nemen.
De voetbalvereniging heeft zo’n besluit al twee keer eerder genomen. De eerste keer in
het kader van een afkoelingsperiode en de tweede keer in het kader van de opzegging van het lidmaatschap van [eiser sub 2] .
[eiser sub 1] heeft zich toen aan deze besluiten gehouden, hoe moeilijk dit ook voor hem was.
De moeder van [eiser sub 2] heeft toen de rol van [eiser sub 1] overgenomen; zij heeft [eiser sub 2] naar zijn trainingen gebracht en is ook verschillende keren meegegaan naar zijn thuis- en uitwedstrijden. De moeder heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat zij dit wat haar betreft kan blijven doen. Het is een belasting voor haar, maar niet onmogelijk.
De voetbalvereniging heeft opgemerkt dat vanaf de afkoelingsperiode de rust binnen de voetbalvereniging is wedergekeerd. Het aan [eiser sub 1] opgelegde verbod heeft dus effect gehad. Er zijn geen concrete aanknopingspunten dat als het lidmaatschap van [eiser sub 2] wordt voortgezet en aan [eiser sub 1] een verbod zoals hiervoor bedoeld wordt opgelegd, [eiser sub 1] zich daaraan niet zal houden.

Dat het volgens de voetbalvereniging onwenselijk is om het lidmaatschap van [eiser sub 2] voort te zetten en tegelijkertijd zijn vader, [eiser sub 1] , structureel van de voetbalvereniging te weren, omdat dan wordt ingegrepen in de ouder-kind relatie, is misschien zo, maar maakt niet dat redelijkerwijs niet van haar kan worden gevergd het lidmaatschap van [eiser sub 2] te laten voortduren. Het is aan de ouders om hierover een beslissing te nemen en te bepalen of zij dan het lidmaatschap van [eiser sub 2] bij de voetbalvereniging willen opzeggen of niet.
Het is dus mogelijk dat het lidmaatschap van [eiser sub 2] wordt voortgezet desnoods, voor zover daarvoor een feitelijke grondslag is, in combinatie met een besluit dat [eiser sub 1] wordt geweerd van de voetbalvereniging en de thuis- en uitwedstrijden. Van (het bestuur van) de voetbalvereniging kan worden verlangd dat zij gebruik maakt van deze voor [eiser sub 2] minder bezwarende mogelijkheid. De redelijkheid en billijkheid die de voetbalvereniging ten opzichte van [eiser sub 2] (haar lid) in acht moet nemen brengen dit met zich mee.

2.11.

Alle hiervoor in 2.9. en 2.10. genoemde omstandigheden in onderliggende samenhang wegend, komt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat het aannemelijk is dat de bodemrechter zal oordelen dat (het bestuur van) de voetbalvereniging niet kon besluiten om het lidmaatschap van [eiser sub 2] per 30 juni 2018 op te zeggen, vanwege de door haar aangevoerde grond dat van de voetbalvereniging in redelijkheid niet kan worden verlangd zijn lidmaatschap te laten voortduren. Het is in lijn daarmee ook aannemelijk dat de bodemrechter zal oordelen dat het opzeggingsbesluit op grond van artikel 2:15 BW vernietigbaar (ongeldig) is, omdat (het bestuur van) de voetbalvereniging door zonder geldige opzeggingsgrond het opzeggingsbesluit te nemen in strijd heeft gehandeld met de redelijkheid en billijkheid die zij tegenover [eiser sub 2] in acht moet nemen op grond van artikel 2:8 BW.
2.12.

Nu het aannemelijk is dat er een ongeldig opzeggingsbesluit is genomen en het lidmaatschap van [eiser sub 2] van de voetbalvereniging dus voortduurt, is een ordemaatregel op zijn plaats, totdat de bodemrechter heeft geoordeeld over de rechtsgeldigheid van het opzeggingsbesluit of partijen in overleg met elkaar een andere oplossing hebben bereikt.
De voetbalvereniging zal, zoals [eiser sub 2] primair vordert, worden verboden om uitvoering te geven aan het opzeggingsbesluit. Dit betekent dat de voetbalvereniging het lidmaatschap van [eiser sub 2] moet respecteren en [eiser sub 2] ook voor het komende voetbalseizoen (vanaf 30 juni 2018) als spelend lid, en niet zoals zij meent als niet-spelend lid, in een team zal moeten indelen.
Het verweer van de voetbalvereniging dat een dergelijke vordering in kort geding niet kan worden toegewezen, gaat niet op. De voorzieningenrechter is in kort geding bevoegd om een ordemaatregel te treffen en dat is wat hij doet. De voorzieningenrechter beseft dat de voetbalvereniging dit zeer onwenselijk vindt, maar acht het belang van [eiser sub 2] om samen met zijn vriendjes te kunnen blijven voetballen totdat er duidelijkheid is over de rechtsgeldigheid van het opzeggingsbesluit van doorslaggevende betekenis.
De door [eiser sub 2] in verband met deze vordering gevorderde dwangsom zal op de in de beslissing te noemen manier worden toegewezen. De omvang van deze dwangsom zal daarbij worden beperkt.
De voetbalvereniging wordt ook niet gevolgd in haar verweer dat [eiser sub 2] onvoldoende belang heeft bij toewijzing van deze vordering. Het is, anders dan de voetbalvereniging lijkt te betogen, voldoende aannemelijk dat het nog mogelijk is om [eiser sub 2] bij een team in te delen. De zomervakantie dient zich aan en pas na deze vakantie zal het seizoen starten. Het verweer dat [eiser sub 2] geen belang bij deze vordering zou hebben, gaat daarom niet op.
Ook het argument van de voetbalvereniging dat een nieuw conflict zich aandient wanneer [eiser sub 2] wordt ingedeeld in een team dat [eiser sub 1] niet bevalt, staat niet aan toewijzing van de vordering in de weg. Eerst maar eens zien of dat het geval zal zijn.
De voorzieningenrechter geeft [eiser sub 1] en de voetbalvereniging mee dat zij vooral het belang van [eiser sub 2] voor ogen moeten houden.
Vernietigbaarheid besluit dat aan [eiser sub 1] is gericht
2.13. [eiser sub 1] vordert ook nog een verbod tot tenuitvoerlegging c.q. schorsing van het aan hem gerichte besluit van 26 februari 2018. Deze vordering zal worden afgewezen, omdat hij daarbij, zoals de voetbalvereniging ook aanvoert, onvoldoende belang heeft.
Bij besluit van 26 februari 2018 is aan [eiser sub 1] een verbod opgelegd om zich tijdens het tot 30 juni 2018 lopende voetbalseizoen op het complex van de club te begeven, uitwedstrijden van het team van [eiser sub 2] te bezoeken en contact te zoeken met teamleden, ouders van teamleden of het teamkader. Dit besluit ziet dus alleen op de periode van het huidige voetbalseizoen. Dit seizoen, dat loopt tot 30 juni 2018, is op de datum dat dit vonnis wordt gewezen afgelopen. Dit betekent dat het bij dit besluit genomen verbod is uitgewerkt.
Er geldt op dit moment dus geen verbod meer. [eiser sub 1] heeft onvoldoende uitgelegd welk belang hij heeft bij een verbod tot tenuitvoerlegging c.q. schorsing van dit al uitgewerkte besluit. Hij kan met deze vorderingen in ieder geval niet bewerkstelligen dat hij voor het komende voetbalseizoen bij de voetbalvereniging betrokken kan zijn. Wanneer de voetbalvereniging [eiser sub 1] wil blijven weren dan zal zij daartoe een nieuw besluit moeten nemen. Op dit moment is er geen verbod van kracht.
Aan de beoordeling van de vraag of het aannemelijk is dat de bodemrechter zal oordelen dat dit besluit vernietigbaar is, wordt daarom niet toegekomen.

Royement en uitschrijven

In deze uitspraak in kort geding geeft de rechtbank diverse overwegingen over de verenigingsrechtelijke gang van zaken bij royement en “uitschrijving van leden”. De rechter geeft aan dat de vereniging duidelijk moet weergeven wat de reden is van het royement of de uitschrijving.

De rechter overweegt dat:

” Een zorgvuldige handelwijze brengt mee dat DWS bij uitschrijving of royement daarvan duidelijk de reden (schriftelijk) weergeeft, bijvoorbeeld: wanbetaling, niet geselecteerd zijn of andere redenen (wangedrag), en dat zij een opzegtermijn van twee maanden hanteert. Het bestuur c.s. heeft aangevoerd dat de grond van uitschrijving in alle hier aan de orde zijnde gevallen is dat van DWS niet kan worden gevergd het lidmaatschap te laten voortduren, zodat per direct kan worden opgezegd. Als die grond zich inderdaad zou voordoen, is het aan DWS om dat in de opzeggingsbrief expliciet op te nemen en te motiveren. Dat is tot nu toe niet gebeurd, wat begrijpelijkerwijs voor onrust heeft gezorgd en waarmee het bestuur c.s. onzorgvuldig heeft gehandeld jegens meerdere eisers. ” 



De rechtbank heeft gelijk dat een opzegging door de vereniging vanwege “redelijkerwijs niet gevergd kunnen worden om het lidmaatschap te laten voortduren”, gemotiveerd dient te worden gedaan door het bestuur. Het is echter jammer dat de rechter spreekt van “uitschrijven”  en “royeren” . Beide termen kent te wet namelijk niet. De wet spreekt slechts van opzegging van het lidmaatschap (door de vereniging) en ontzetting uit het lidmaatschap, en geeft voor beiden duidelijke, aparte, regels. Een rechter die het bestuur aanspoort om juridisch zorgvuldiger te handelen, had kunnen beginnen met het (zelf) hanteren van de juiste terminologie. 

Rb. Amsterdam 25 juli 2018
ECLI:NL:RBAMS:2018:5366

2De feiten

2.1.

DWS is een voetbalclub die in 1907 is opgericht. [gedaagde 4] en de broers
[gedaagde 3] en [gedaagde 2] ma(a)k(t)en deel uit van het bestuur van DWS, [gedaagde 3] sinds februari 2016, en [gedaagde 2] sinds december 2016.

2.2.

Drie van eisers zijn lid van DWS, de andere drie hebben een of meer kind(eren) die lid zijn (geweest).
2.3.

In de statuten van DWS staat onder meer:
Artikel 2.
(…)
2. Het verenigingsjaar (boekjaar) loopt van één juli tot en met dertig juni
(…)
EINDE LIDMAATSCHAP
Artikel 10.
(…)
2. Opzegging namens de vereniging geschiedt door het bestuur. Opzegging namens de vereniging kan geschieden wanneer een lid heeft opgehouden aan de in deze statuten vermelde vereisten voor het lidmaatschap te voldoen, wanneer hij zijn verplichtingen jegens de vereniging niet nakomt, wanneer van de vereniging redelijkerwijs niet gevergd kan worden het lidmaatschap te laten voortduren of wanneer het lid na sommatie nalatig blijft zijn contributie te voldoen.
3. Opzegging van het lidmaatschap door het lid of namens de vereniging kan slechts geschieden tegen het einde van het verenigingsjaar en met inachtneming van een opzegtermijn van twee maanden. Echter kan het lidmaatschap onmiddellijk worden beëindigd indien van de vereniging of van het lid redelijkerwijs niet gevergd kan worden het lidmaatschap te laten voortduren.
(…)
BESTUUR
Artikel 12.
1. het bestuur bestaat uit tenminste vijf meerderjarige personen (…) die door de algemene vergadering uit de leden (…) worden gekozen.
(…)
6. De algemene vergadering kan een bestuurslid schorsen of ontslaan, indien zij daartoe termen aanwezig acht. Voor een besluit daartoe is een meerderheid vereist van tenminste tweederde van de uitgebrachte stemmen.
(…)


REKENING EN VERANTWOORDING
Artikel 15
(…)
2. Het bestuur brengt – behoudens verlenging door de algemene vergadering – binnen zes maanden na afloop van het verenigingsjaar op een algemene vergadering zijn jaarverslag uit en doet, onder overlegging van een balans en een staat van baten en lasten, rekening en verantwoording over zijn in het afgelopen boekjaar gevoerde bestuur
(…)
ALGEMENE VERGADERINGEN (…)
Artikel 16
(…)
2. Jaarlijks zal uiterlijk zes maanden na afloop van het verenigingsjaar een algemene vergadering (jaarvergadering) worden gehouden.
3. De agenda van deze vergadering bevat onder meer:
(…)
g. Verkiezing bestuursleden
(…)
i. Verkiezing commissie van beroep;
(…)
4. Andere algemene vergaderingen worden bijeengeroepen door het bestuur (…) zulks onder gelijktijdige vermelding van de agenda.
(…)
6. Voorts is het bestuur op schriftelijk verzoek van tenminste een zodanig aantal leden als bevoegd is tot het uitbrengen van één tiende gedeelte der stemmen verplicht tot het bijeenroepen van een algemene vergadering (…) Indien aan het verzoek binnen veertien dagen geen gevolg is gegeven kunnen de verzoekers zelf tot die bijeenroeping overgaan
(…)
TOEGANG EN BESLUITVORMING ALGEMENE VERGADERING
Artikel 17.
1. Alle leden hebben toegang tot de algemene vergadering. Leden tot 16 jaar brengen in deze vergadering bij iedere stemming telkens één stem uit, leden van zestien en zeventien jaar telkens twee stemmen en leden van achttien jaar en ouder telkens drie stemmen.
2. Stemmen bij volmacht is niet toegestaan.
2.4. (

Het bestuur van) DWS heeft op een zeker moment in 2017 ervoor gekozen om leden vanaf 13 jaar alleen nog te handhaven als zij door een selectiecommissie waren uitgekozen voor een bepaald team. In notulen van een overleg tussen de Gemeente en (een delegatie van) DWS van 28 september 2017 is daarover vermeld:
DWS is van oudsher een opleidingsclub. Nu is iedereen tot 12 jaar welkom. Vanaf 13 jaar alleen selectie. Van de rest wordt afscheid genomen. Dat is niet altijd makkelijk, maar de club kiest hier toch voor. Vooral ook om het wangedrag dat vaak voorkomt bij oudere niet selectieteams uit te bannen.”

2.5.

Onder de gedingstukken (productie 3 van eisers) bevinden zich 13 handtekeningenlijstjes. Boven vier van die lijstjes staat de volgende tekst:
Hierbij verklaren onderstaande leden volmacht te geven aan advocaat Mr. Rick van Viersen een kortgeding te starten tegen het huidige bestuur van D.W.S. A.F.C.
Ondergetekenden willen dat het bestuur aftreed omdat:
– het al 2 jaar geen ALV heeft gehouden
– 2 jaar geen inhoud van financiële zaken heeft gegeven
– Wanbeleid waaronder o.a. het bestuur meer dan 10.000 euro moet betalen in een verloren arbitrage zaak mbt tot 1 of meerdere trainers. Dit omdat het bestuur haar afspraken niet is nagekomen en dit niet naar behoren heeft afgehandeld.
– Geen goed beleid heeft gevoerd en geen leiding heeft geven om alle zaken in goede banen te leiden waardoor er veel onnodige onrust en onduidelijkheid bij de leden is ontstaan
– Bezig is om statuten en andere zaken te veranderen tegen de zin van vele leden
– Het bestuur tegen de regels van de statuten van 5 bestuursleden naar 3 bestuursleden is gegaan en heeft geen maatregelen genomen om spoedig een ALV te organiseren om resterende ontbrekende bestuursleden toe te voegen.”
Onder deze tekst staan op de vier lijstjes in totaal 42 handtekeningen. Op de andere lijstjes waar boven staat ‘Handtekeningenactie leden AFC DWS’ staan in totaal ongeveer 80 handtekeningen. Een deel van de lijstjes dateert uit april 2018.
2.6.

Onder de gedingstukken (productie 21 van het bestuur c.s.) bevinden zich lijstjes met 13, respectievelijk 12 handtekeningen van spelers van het 1e en 2e elftal, waarboven staat: “Wij willen dat het huidige bestuur blijft”.
2.7.

In een anonieme brief van 23 mei 2018 ‘namens de leden van A.F.C. D.W.S.’, en volgens de aanhef ‘namens de wettelijk gestelde meerderheid leden’ is aan het bestuur verzocht om tijdens de voor 31 mei 2018 geplande Algemene Ledenvergadering (ALV) (onder meer) de volgende agendapunten te behandelen:
– overzicht, zaken rondom het functioneren van huidig bestuur
– afdracht financiële stukken huidige bestuur
– voorstel ontslag huidige bestuur
– voorstel nieuwe verkiesbare bestuursleden.
2.8.

Op 25 mei 2018 is per e-mail en aangetekende post een brief gestuurd aan het bestuur, waarin onder meer staat dat ‘namens de meerderheid van de leden’ aan het bestuur wordt meegedeeld dat zij per 25 mei 2018 tot aan de ALV geschorst is en dat de taken tot die tijd zullen worden waargenomen door een ‘interim bestuur, gekozen door de meerderheid van de leden’.
2.9.

Eveneens op 25 mei 2018 heeft het bestuur via de website van DWS de leden over een aantal zaken geïnformeerd. In dit bericht staat onder meer:
(…) dit bestuur heeft niets te verbergen. Ook financieel niet. We proberen met een kleine groep vrijwilligers de club draaiende te houden. Elke dag weer. En dat is een enorme uitdaging. (…) natuurlijk zullen we openheid van zaken geven omtrent de financiën. Echter gezien de velen bestuurswisselingen van de afgelopen jaren zijn er nog wat hiaten binnen de overdracht van de financiële boekhouding en dat is een hoop werk (…)
het ergste is nog dat in de brief gesuggereerd wordt dat het huidige bestuur geschorst is. Dat is onzin. Volgens de huidige statuten kan dat helemaal niet en het is ook niet rechtsgeldig. Het kiezen van een nieuw bestuur staat niet op de agenda van de aankomende ALV en indien dat wel zo was geweest, moeten de kandidaten zich vooraf kenbaar maken zoals in de statuten staat.

2.10.

Op 30 mei 2018 heeft het bestuur een e-mail naar de leden gestuurd met de mededeling dat de voor 31 mei 2018 aangekondigde ALV was uitgesteld tot een nader tijdstip vóór 1 juli 2018. Veiligheidsredenen waren volgens dit bericht de aanleiding voor het uitstel, omdat sprake zou zijn (geweest) van intimidatie en dreigementen door ‘stemmingmakers’ die inmiddels geroyeerd of zelfs geen lid zouden zijn.
2.11.

Op 2 juni 2018 heeft [gedaagde 3] aangifte gedaan van bedreiging door één van de vaders van twee jeugdspelers van DWS, gepleegd op 23 mei 2018.
2.12.

Het bestuur heeft met name in de maand juni een aantal (tenminste tien) (veelal minderjarige) jeugdleden uitgeschreven. Aan hen (en/of hun ouders) is op of rond 5 juni 2018 het volgende bericht gestuurd:
Beste speler/ouder,
Helaas delen we je hierbij mee dat (…) voor het seizoen 2018/2019 niet in aanmerking komt voor een (selectie)team bij afc DWS.
Om het voor (…) zo soepel mogelijk te maken een nieuwe club te vinden, hebben we je uitgeschreven als lid bij DWS, zodat je je meteen bij een nieuwe club kunt inschrijven zonder dat je op actie van DWS als club wordt verwacht. (…)Aangezien het einde van het seizoen is en er vanaf nu alleen getraind wordt met de spelers die volgend seizoen wel verder gaan houdt jouw lidmaatschap van afc DWS per direct op.”
De leden (en/of hun ouders) waren het er veelal niet mee eens en hebben gevraagd om heroverweging van de uitschrijvingen.

2.13.

Bij brief van 14 juni 2018 heeft [naam vader] mede namens een aantal andere ouders van uitgeschreven jeugdleden bij de KNVB Arbitragecommissie gevraagd om voorzieningen te treffen.
2.14.

In een e-mail van 26 juni 2018 heeft de advocaat van eisers aan de advocaat van het bestuur c.s. geschreven dat deze de statuten (blijven) schenden door leden ten onrechte en zonder inachtneming van de opzegtermijn uit te schrijven, om hen daarmee monddood te maken en dat deze kwestie inmiddels is voorgelegd aan de KNVB. Verder wordt een bespreking met de leden bevestigd die de dag erna zou plaatsvinden. Deze bespreking is echter niet doorgegaan.
2.15.

Eisers (althans aan hen gelieerde personen) hebben het bestuur, onder meer via een deurwaardersexploot, verzocht om op de ALV, die uiteindelijk heeft plaatsgevonden op 29 juni 2018, de volgende agendapunten te agenderen:
1. inzage financiële jaarstukken 2016 en 2017
2. Behandeling royement geroyeerde leden
3. Op gegronde redenen voorstel ontslag volledige huidige bestuur.
Het bestuur c.s. heeft aan dat verzoek niet voldaan.
2.16.

In de notulen van de ALV van 29 juni 2018 is vermeld dat [gedaagde 4] formeel is afgetreden als secretaris en [naam 1] zijn taken overneemt. Verder staat erin dat [gedaagde 3] [naam 2] als penningmeester voorstelt, [naam 3] als algemeen bestuurslid en voor de ouderraad [naam 4] . Uit de notulen blijkt verder dat (alleen) gestemd is over de onderwerpen “verplicht uitvoeren van vrijwilligerswerk” en over de vraag of naast contributie een bedrag voor kleding moet worden betaald. Volgens een door DWS in het geding gebrachte presentielijst waren tijdens de ALV 61 mensen aanwezig. De leden [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 4] (eisers sub 1, 2 en 4) waren tijdens die ALV niet aanwezig.

3Het geschil

3.1.

Eisers vorderen, samengevat, dat het bestuur c.s. wordt bevolen om
A. op zo kort mogelijke termijn een nieuwe ALV te plannen, waartoe alle leden toegang krijgen, ook de leden die ten onrechte zijn uitgeschreven/geroyeerd;
B. te stoppen met het royeren en uitschrijven van leden, tenzij daar een gegronde reden voor is, in lijn met de statuten;
C. de reeds geroyeerde en uitgeschreven leden weer lid te maken van DWS, als zij DWS daartoe verzoeken;
D. de leden inzicht te geven in de financiële boekhouding van DWS, door deze binnen zeven dagen na het te wijzen vonnis ter inzage te leggen op een plaats in het clubhuis die voor de leden toegankelijk is;
verder het bestuur te bevelen:
E. onmiddellijk af te treden;
F. de bestuurstaken binnen vijf dagen na het te wijzen vonnis neer te leggen, op straffe van een dwangsom, en over te dragen aan een nieuw bestuur.
Dit alles met veroordeling van het bestuur c.s. in de proceskosten.

3.2.

Het bestuur c.s. voert verweer.
3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

4De beoordeling

4.1.

Eisers leggen aan hun vorderingen ten grondslag dat het bestuur c.s. handelt in strijd met de statuten, zich schuldig maakt aan wanbeleid en daarmee kennelijk onrechtmatig handelt jegens eisers. Eisers hebben hun geschil (ook) voorgelegd aan de arbitragecommissie van de KNVB, maar voorshands is onvoldoende aannemelijk dat daarmee voorzien is in een met voldoende waarborgen omklede procedure die tot een snelle maatregel, vergelijkbaar met een vonnis in kort geding, zal leiden. Bovendien is het niet aan de arbitragecommissie om te oordelen over royementen van individuele leden. Verder hebben eisers, anders dan het bestuur c.s. aanvoert, bij hun vorderingen op zichzelf een voldoende spoedeisend belang, nu het nieuwe voetbalseizoen weer voor de deur staat. Dit leidt ertoe dat de burgerlijke rechter bevoegd is om kennis te nemen van het geschil en dat eisers dus ontvankelijk zijn in hun vorderingen. De formele verweren van het bestuur c.s. slagen dan ook niet.
4.2.

In de statuten van de vereniging DWS staat dat de ALV beslist over de benoeming, de schorsing en het ontslag van het bestuur. Een besluit tot schorsing of ontslag is niet genomen, zodat het bestuur terecht heeft aangevoerd dat het nog steeds rechtsgeldig het bestuur van DWS vormt. Er is voorshands ook geen grond aanwezig om het bestuur te dwingen tot aftreden, laat staan onmiddellijk. Ook kan ervan worden uitgegaan dat de ALV heeft ingestemd met de uitbreiding van het bestuur zoals die is voorgesteld op de ALV van 29 juni jl. (en is vermeld bij 2.16), al had de besluitvorming daarover transparanter gekund. Uit de notulen van die ALV blijkt namelijk niet dat het voorstel om deze bestuursleden te benoemen in stemming is gebracht en is aangenomen. Ter zitting heeft het bestuur c.s. dat erkend en ter toelichting verklaard dat er geen tegenkandidaten waren en dat er geen tegengeluiden zijn gekomen, zodat de ALV geacht moet worden met de nieuwe bestuursleden te hebben ingestemd. Dat kan zo zijn, maar dat is niet de gang van zaken zoals in de statuten vastgelegd. Aan het bestuur wordt dringend in overweging gegeven, zeker in het licht van de recente onrust bij de club, om de verkiezing van
nieuwe bestuursleden of de uitbreiding van het bestuur in het vervolg duidelijk op de agenda te zetten en daarover te laten stemmen. Vooralsnog voldoet het zittende bestuur echter aan de in de statuten vermelde eisen.

4.3.

Eisers menen verder dat het bestuur ten onrechte niet zijn eigen functioneren en/of aftreden op de agenda heeft gezet en ten onrechte de afgelopen twee jaar geen ALV heeft georganiseerd. Niet in geschil is dat op grond van de statuten tenminste eenmaal per jaar een ALV dient plaats te vinden. Als dat niet gebeurt en de leden van mening zijn dat er extra vergaderingen moeten worden georganiseerd om de door hen gewenste agendapunten te bespreken, kunnen zij het bestuur daartoe verplichten, en als dat niet het gewenste resultaat heeft, zelf een ALV bijeenroepen. Daarvoor is nodig dat een verzoek wordt ingediend door tenminste een zodanig aantal leden dat bevoegd is tot het uitbrengen van tien procent van de stemmen. Deze weg hebben eisers niet gevolgd. Zij hebben verklaard dat zij een dergelijk aantal leden niet bereid hebben kunnen vinden om deze stap te zetten. Voorshands hebben zij onvoldoende aannemelijk gemaakt, dat dit, zoals zij stellen, komt doordat het bestuur c.s. kritische leden monddood maakt door hen uit te schrijven of te intimideren. Er is dan ook geen aanleiding om aan te nemen dat de in de statuten voorgeschreven weg geen reële mogelijkheid zou bieden. Gelet op het aantal handtekeningen dat eisers in het geding hebben gebracht ter ondersteuning van hun stellingen zouden zij het benodigde aantal stemmen moeten kunnen halen. Als dat niet het geval is, zou dat kunnen wijzen op de juistheid van de stelling van het bestuur c.s. dat een groot deel van de handtekeningen een heel andere kwestie (rond het hoofd van de jeugdopleiding) betrof, die zich in april 2018 heeft voorgedaan. Daar komt bij dat eisers niet hebben betwist dat eisers sub 1, 2 en 4 als leden voor de ALV waren uitgenodigd en de vergadering hadden kunnen bezoeken om hun zienswijze onder de aandacht te brengen. Ook dat hebben zij nagelaten. Voor ingrijpen van de voorzieningenrechter in de vorm van toewijzing van het gevorderde onder A, E en/of F, is onder deze omstandigheden geen plaats.
4.4.

Eisers hebben wel aannemelijk gemaakt dat bij een niet te verwaarlozen aantal leden en ouders van jeugdleden onvrede bestaat met het huidige selectiebeleid en met de wijze en de termijn waarop (jeugd)leden worden geschorst en/of uitgeschreven. Eisers hebben een punt als zij zeggen dat de werkwijze en de communicatie hierover niet duidelijk zijn. Uit het bij 2.12 aangehaalde briefje blijkt niet waarom de opzegtermijn van twee maanden niet in acht is genomen en een uitschrijving per 8 juni is wel erg kort dag als een inschrijving bij een nieuwe club op 15 juni binnen moet zijn. Verder hebben eisers erop gewezen dat ook jeugdleden zijn uitgeschreven die in de belangstelling stonden van clubs als FC Twente en Ajax. Het uitschrijvingsbeleid roept dus in elk geval de nodige vragen op. Daarnaast kunnen geroyeerde/uitgeschreven leden tegen een dergelijke beslissing niet in beroep, aangezien er geen commissie van beroep bestaat, terwijl de verkiezing daarvan volgens de statuten ook ieder jaar op de agenda van de ALV zou moeten staan.
4.5.

Een zorgvuldige handelwijze brengt mee dat DWS bij uitschrijving of royement daarvan duidelijk de reden (schriftelijk) weergeeft, bijvoorbeeld: wanbetaling, niet geselecteerd zijn of andere redenen (wangedrag), en dat zij een opzegtermijn van twee maanden hanteert. Het bestuur c.s. heeft aangevoerd dat de grond van uitschrijving in alle hier aan de orde zijnde gevallen is dat van DWS niet kan worden gevergd het lidmaatschap te laten voortduren, zodat per direct kan worden opgezegd. Als die grond zich inderdaad zou voordoen, is het aan DWS om dat in de opzeggingsbrief expliciet op te nemen en te motiveren. Dat is tot nu toe niet gebeurd, wat begrijpelijkerwijs voor onrust heeft gezorgd en waarmee het bestuur c.s. onzorgvuldig heeft gehandeld jegens meerdere eisers. Het zal DWS daarom worden verboden om tot het uitschrijven van leden over te gaan op een wijze die niet aan de eisen voldoet. De vordering onder B is in die zin toewijsbaar.
4.6.

Voor verdergaande verboden of veroordelingen is echter geen plaats. Het bestuur c.s. heeft op de zitting toegezegd dat binnen drie weken een commissie van beroep wordt ingesteld die de recent beëindigde lidmaatschappen zal onderzoeken en dat deze besluiten zullen worden heroverwogen, als die commissie van oordeel is dat DWS daarbij niet zorgvuldig heeft gehandeld. Aangenomen wordt dat het bestuur c.s. deze toezegging gestand zal doen.
4.7.

Het bestuur c.s. heeft aangevoerd dat de financiële bescheiden momenteel in kaart worden gebracht, dat die klus nog niet is afgerond en dat dit nog enige tijd vergt, mede in verband met het aantreden van de nieuwe penningmeester. Er mag op worden vertrouwd dat binnen een redelijke termijn openheid van zaken zal worden gegeven, zoals het bestuur c.s. heeft toegezegd, en dat ook de statutaire verplichtingen op dit punt vanaf heden weer worden nagekomen. Van belang is nog dat het bestuur c.s. erop heeft gewezen dat DWS in de regel zit te springen om mensen die vrijwillig taken op zich willen nemen, al dan niet als bestuurslid of bijvoorbeeld als lid van de kascommissie en dat dus van haar niet kan worden gevergd op stel en sprong aan alle verzoeken te voldoen. Wellicht kan een deel van eisers daar ook een steentje aan bijdragen, als de verhoudingen weer zijn genormaliseerd. In dat verband wordt partijen in overweging gegeven om op korte termijn met elkaar in gesprek te gaan, eventueel onder leiding van een onafhankelijke derde.
4.8.

De slotsom is dat behalve de vordering waarop rechtsoverweging 4.5 (de vordering vermeld bij 3.1 onder B) ziet alle vorderingen worden afgewezen. Nu beide partijen op belangrijke punten in het (on) gelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten tussen hen worden verrekend, zoals hierna in het dictum is vermeld.
4.9.

Bij deze uitkomst hoeft op de vraag of de niet verschenen [gedaagde 4] , tegen wie verstek zal worden verleend, inmiddels ook formeel als bestuurslid is afgetreden, niet meer te worden ingegaan.

5De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.

veroordeelt DWS om bij het royeren of uitschrijven van leden daarvan schriftelijk de reden mee te delen en de opzegtermijn van twee maanden in acht te nemen, behalve als er grond bestaat om per direct op te zeggen, in welk geval ook daarvan de reden schriftelijk dient te worden meegedeeld; verbiedt DWS om anderszins leden uit te schrijven of te royeren;