Opzegging of royement

  • De vereniging stelt dat het lidmaatschap is opgezegd. Het lid voert aan dat het gaat om een verkapt royement (ontzetting).
  •  Het hof: ” Een bestuur van een vereniging kan tot opzegging van het lidmaatschap besluiten indien van haar redelijkerwijs niet gevergd kan worden het lidmaatschap te laten voorduren (art. 2:35 lid 2 BW). Op grond van artikel 7 lid 3 van de statuten kan de opzegging in dat geval onmiddellijke beëindiging van het lidmaatschap tot gevolg hebben. [geïntimeerde = de vereniging] heeft zich onder meer hierop beroepen. Daarbij heeft zij verwezen naar de voorgeschiedenis die volgens haar tot het besluit van 16 maart 2016 heeft geleid en naar de hiervoor genoemde correspondentie. In die correspondentie verwijst het bestuur telkens naar de (voorwaardelijke) opzegging voor het geval [appellant = het lid] de gemaakte afspraken (waarover hierna meer) niet zou nakomen en, in de brief van 16 maart 2016, naar de definitieve opzegging vanwege het volgens [geïntimeerde] niet-nakomen van de gemaakte afspraken door [appellant = het lid] “
  • “Dat het bestuur wellicht ook tot ontzetting had kunnen besluiten maakt niet dat het besluit tot opzegging daarom vernietigbaar is. Het stond het bestuur in beginsel vrij om te kiezen voor opzegging in plaats van voor ontzetting. Voor zover [appellanten] zich op het standpunt hebben willen stellen dat het bestuur bewust voor opzegging heeft gekozen met het doel om [appellant] de mogelijkheid tot beroep op de algemene ledenvergadering te ontnemen (en daarmee zich schuldig heeft gemaakt aan misbruik van bevoegdheid), verwerpt het hof dat standpunt, omdat [appellanten] voor die vergaande conclusie onvoldoende hebben gesteld en met name het door hen gestelde motief onvoldoende hebben onderbouwd.”
  • “Het gegeven dat [appellant] de opzegging als strafmaatregel en als onterend heeft ervaren, betekent nog niet dat de opzegging van het lidmaatschap daarmee “van kleur verschiet” en als ontzetting/royement moet worden beschouwd.”” 

Geen (hoge) boete bij opzeggen lidmaatschap

 Deze zaak ging over de verbodenverklaring van een motorclub. 
“Het hof is van oordeel dat reeds de hoogte van het bedrag [van € 5.000,-] dat bij vertrek moet worden voldaan een onaanvaardbare beperking is van de negatieve vrijheid van vereniging.”

https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2019:1451

Bad Standing

14.1

Satudarah heeft in grief 7 aangevoerd dat het verschijnsel van de zogeheten “bad standing” niet in strijd is met de openbare orde, maar dat de strijdigheid met de openbare orde slechts in het executietraject zou kunnen liggen. Een gewelddadig executietraject is echter geen clubbeleid, maar hooguit een incidenteel resultaat van een invulling die een individueel lid daaraan geeft.

14.2

De grief van Satudarah richt zich niet tegen de feitelijke vaststelling van de rechtbank dat een lid dat Satudarah, al dan niet op eigen initiatief, verlaat, bij die gelegenheid een fors geldbedrag moet betalen. Ook richt de grief zich niet tegen het oordeel van de rechtbank dat een lid op grond van een bij aanvang van het lidmaatschap ingevulde vragenlijst niet behoefde te beseffen dat hij een bedrag van € 5.000,- moet voldoen indien hij de vereniging verlaat.

14.3

Het hof is van oordeel dat reeds de hoogte van het bedrag dat bij vertrek moet worden voldaan een onaanvaardbare beperking is van de negatieve vrijheid van vereniging. Daar komt bij dat Satudarah de door de rechtbank in overweging 2.17 opgenomen gebeurtenissen niet inhoudelijk weerspreekt.

Minderjarige mag lid blijven, contactverbod ouders/verzorgers

Rb. Rotterdam 19 november 2021

  • “Tussen partijen is in geschil of het lidmaatschap van [persoon C] ten onrechte is opgezegd. Ter beantwoording van die vraag moet worden beoordeeld of ACZ zich terecht op het standpunt stelt dat van haar redelijkerwijs niet kon worden gevergd het lidmaatschap van [persoon C] te laten voortduren. De kantonrechter oordeelt hierover als volgt.”
  • “ACZ legt aan het opzeggingsbesluit van 7 februari 2020 ten grondslag dat zich in de (vier) jaar daarvoor herhaaldelijk incidenten of conflicten hebben voorgedaan waarbij [persoon A] [echtgenoot van de moeder, of de ouder, dat is niet duidelijk] van het minderjarige lid C] zich jegens ACZ niet hebben gedragen zoals van een ouder of verzorger van een minderjarig lid mag worden verwacht. ACZ heeft deze incidenten opgesomd en schriftelijke verklaringen van getuigen overgelegd. [persoon A] hebben een andere visie op deze incidenten en hebben die visie uitvoerig onderbouwd.” noot: door de anonimisatie lopen persoon A als beide ouders, en persoon A als de moeder door elkaar.
  • “Op grond van de gedingstukken stelt de kantonrechter vast dat [persoon A] zich in de richting van vrijwilligers van ACZ bij herhaling hebben uitgelaten op een negatieve, niet respectvolle, escalerende en een enkele keer zelfs bedreigend overkomende manier. Ook als wordt aangenomen dat [persoon A] in bepaalde situaties inhoudelijk gezien (deels) gelijk hadden en als in aanmerking wordt genomen dat [persoon B] [lees, de moeder, persoon A, vermodelijk) (door haar man) temperamentvol wordt genoemd, hoefde ACZ dergelijk herhaald gedrag niet te accepteren, zeker niet nu ACZ verschillende keren duidelijk heeft gemaakt dat dit moest veranderen.”
  • “Ook wordt verwezen naar de in 2.13 weergegeven e-mail van [persoon A] aan ACZ, waarin wordt aangekondigd dat een kinderrechtenadvocaat in de arm zal worden genomen als de zaak niet op een voor [persoon A] bevredigende manier wordt opgelost. Daarnaast is niet in geschil dat [persoon A] hebben gedreigd met het doen van strafrechtelijke aangifte tegen een trainer, het indienen van een klacht bij de Autoriteit Persoonsgegevens, dat zij herhaaldelijk hebben geklaagd over de (wijze van het geven van) trainingen aan [persoon C] en (vermeende) ongelijke behandeling van leden van ACZ, in het bijzonder voorkeursbehandeling van kinderen van trainers (opnieuw zonder deugdelijke onderbouwing). “
  • ” [De voorwaarden die de vereniging] stelt in haar brief van 17 januari 2020 komen neer op een spreekverbod en een verbod voor [persoon A] om (ooit) nog naar ACZ toe te komen. De formulering van deze voorwaarden is absoluut, verstrekkend en gepresenteerd als niet-onderhandelbaar, zodat het [persoon A] naar het oordeel van de kantonrechter niet kwalijk is te nemen dat zij deze eisen van ACZ niet hebben geaccepteerd. Niet kan worden geoordeeld dat [persoon A] hierdoor hun rechten hebben verwerkt om te worden gehoord voorafgaand aan een eventuele opzegging of om daarover verder te overleggen. Naar het oordeel van de kantonrechter had ACZ in gesprek moeten gaan met [persoon A] om te bezien of ze alsnog voorwaarden hadden kunnen overeenkomen op basis waarvan [persoon C] lid had kunnen blijven bij ACZ. ACZ heeft dit nagelaten, waardoor hierover geen hoor- en wederhoor heeft plaatsgevonden. Nu tussen partijen niet in geschil is dat [persoon C] met veel plezier bij ACZ trainde, dat zij een gewaardeerd lid was en dat haar gedrag niet ter discussie staat, had ACZ een andere afweging moeten maken. ACZ heeft [persoon C] zelf evenmin gehoord. Het besluit van 7 februari 2020 geeft geen blijk van een kenbare afweging van haar belang bij behoud van het lidmaatschap tegen de serieuze problemen tussen [persoon A] en ACZ.”
  • “Gelet op het voorgaande heeft ACZ jegens [persoon C] in strijd met artikel 2:8 BW en dus onrechtmatig gehandeld. De kantonrechter zal vordering A toewijzen en het besluit van ACZ van 7 februari 2020, waarbij het lidmaatschap van [persoon C] is opgezegd, vernietigen. De kantonrechter zal deze vernietiging zoals gevraagd uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Het belang van [persoon C] om weer lid te zijn van ACZ moet zwaarder wegen dat het belang van ACZ om hangende een eventueel hoger beroep de huidige situatie te handhaven, ook nu er geen problemen zijn tussen ACZ en [persoon C] zelf. “
  • De vereniging heeft echter een tegenvordering ingesteld tegen de ouders, namelijk een contactverbod voor de ouders.
  • De rechter oordeelt dat “hebben [persoon A] zich herhaaldelijk onbehoorlijk en/of escalerend uitgelaten jegens ACZ. Deze uitlatingen, waarbij aan de goede intenties van vrijwilligers en trainers bij ACZ wordt getwijfeld, zijn naar het oordeel van de kantonrechter zodanig onbetamelijk dat [persoon A] hiermee onrechtmatig hebben gehandeld jegens ACZ. “
  • Gelet hierop en bij afweging van de betrokken belangen zal de kantonrechter [persoon B = de moeder ] verbieden om vanaf heden voor de duur van twee jaar met leden, train(st)ers en vrijwilligers van ACZ in contact te treden, op straffe van een dwangsom
  • “Volledigheidshalve merkt de kantonrechter op dat door ACZ niet is gevorderd [persoon A] te verbieden aanwezig te zijn bij wedstrijden van [persoon C] , zodat een dergelijk verbod niet aan de orde is. In dat geval gelden normale omgangsvormen zoals een vriendelijke begroeting niet als verboden contact, wel het op welke manier dan ook uiten van kritiek of het aangaan van enige discussie. Als [persoon A] dat dringend noodzakelijk vinden, kunnen zij eventuele kritiek voorleggen aan een derde, bijvoorbeeld de vader van [persoon C] , met het verzoek daarover contact op te nemen met ACZ. Deze derde is niet verplicht om aan een dergelijk verzoek te voldoen. Het is [persoon A] uiteraard ook toegestaan om ACZ via een derde eventuele complimenten over te brengen.”

ECLI:NL:RBROT:2021:11401

Geen contributie betalen, nog steeds lid

  •  ” [De vereniging] WVZ voert [aan] dat het lidmaatschap van [Bio Boerma B.V.] is geëindigd. Bio Boerma betwist dit. Artikel 7 van de statuten van WVZ bepaalt op welke wijzen het lidmaatschap eindigt, kort gezegd: door opzegging van het lid, door ontbinding van een lid-rechtspersoon, door opzegging namens de vereniging en door ontzetting. Dus niet wanneer geen contributie wordt betaald en/of bij afwezigheid op vergaderingen en/of het voeren van een (bestuursrechtelijke) procedure. Deze omstandigheden hebben het lidmaatschap van Bio Boerma dan ook niet beëindigd, ook niet in samenhang bezien. WVZ heeft geen feiten en/of omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat zij het lidmaatschap van Bio Boerma heeft opgezegd, laat staan op de wijze zoals de statuten voorschrijven.” 
    • Dit is overigens de regeling van artikel 2:35 BW. De wet, het BW, laat eenvoudigweg niet toe dat het lidmaatschap eindigt door niet betalen van de contributie. Wel kan wanbetalen een grond zijn voor opzegging van het lidmaatschap. Maar dat vereist nog steeds een bericht van het bestuur van de vereniging aan het lid, dat het bestuur het lidmaatschap opzegt. 
  • ”  Het hof neemt daarbij in aanmerking dat Bio Boerma betwist dat zij contributiefacturen en aanmaningen van WVZ heeft ontvangen. Gelet op die betwisting lag het op de weg van WVZ om haar stelling nader te onderbouwen. WVZ heeft dat nagelaten en daarmee haar stelling onvoldoende onderbouwd. Het hof gaat er daarom vanuit, dat Bio Boerma die stukken niet heeft ontvangen. Dit levert dan ook (nog) geen grond voor opzegging op. Dit betekent dat Bio Boerma nog steeds lid van WVZ is.” 

Onbereikbaar lid

  • Een lid stelt dat hij nog steeds lid is omdat hij de opzegging van zijn lidmaatschap nooit heeft ontvangen.
  • “Dat [het lid/  eiser] deze e-mail niet zou hebben ontvangen, is gesteld noch gebleken. Daarbij komt dat [het lid /  eiser] , zoals hij zelf ter zitting heeft verklaard, COM Schietvereniging niet op de hoogte heeft gehouden van zijn actuele adres, hetgeen in strijd is met artikel 7 lid 6 van het huishoudelijk reglement. Gelet daarop kan [het lid / eiser] COM Schietvereniging niet verwijten dat hij niet per brief is geïnformeerd over de beëindiging van zijn lidmaatschap.”

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2021:3207



“Vast staat dat COM Schietvereniging op grond van artikel 10 van de statuten het lidmaatschap van een lid kan opzeggen dan wel een lid uit zijn lidmaatschap kan ontzetten. In zoverre [naam eiser] meent dat de beëindiging van het lidmaatschap niet op juiste wijze is geschied, nu hij hiervan niet schriftelijk in kennis is gesteld, geldt dat naar het oordeel van de rechtbank aan het schriftelijkheidsvereiste is voldaan, nu [naam eiser] per e-mail is geïnformeerd. Dat [naam eiser] deze e-mail niet zou hebben ontvangen, is gesteld noch gebleken. Daarbij komt dat [naam eiser] , zoals hij zelf ter zitting heeft verklaard, COM Schietvereniging niet op de hoogte heeft gehouden van zijn actuele adres, hetgeen in strijd is met artikel 7 lid 6 van het huishoudelijk reglement. Gelet daarop kan [naam eiser] COM Schietvereniging niet verwijten dat hij niet per brief is geïnformeerd over de beëindiging van zijn lidmaatschap.”