Royement lid omgezet in opzegging, schadevergoeding

Rb. ‘s-Hertogenbosch, 7 december 2011, LJN BU7116 (B. c.s. / Kring Vrienden van  ‘s-Hertogenbosch)
(Uitspraak ingetrokken op rechtspraak.nl i.v.m. onvolledige anonimisering.)
Volledige, ongeanonimiseerde uitspraak op http://cfapps.s-hertogenbosch.nl/cms/bis/bijlagen/(3)%20Vonnis%207%20december%202011.pdf


Deze uitspraak bestaat uit twee delen. Ten eerste moet de voorzitter een schadevergoeding betalen aan vier leden die geroyeerd zijn voor uitlatingen die hij over die leden heeft gedaan tijdens de ledenvergadering.


Interessanter is dat de rechtbank oordeelt dat besluit tot royement nietig is, maar dat het vervolgens ambtshalve wordt omgezet in een geldig besluit tot opzegging van het lidmaatschap vanwege ontbreken van de affectio societatis.
Verder de overweging dat het democratisch karakter van het Nederlandse verenigingsrecht brengt met zich mee dat dergelijke kritiek [op het functioneren van het bestuur], ook als zij het bestuur onaangenaam is, geuit moet kunnen worden zonder vrees voor strafmaatregelen zoals opzegging van of ontzetting uit het lidmaatschap.”







Vonnis van 7 december 2011


in de zaak van


2. B., e.a.


tegen


1. de vereniging KRING VRIENDEN VAN ‘S-HERTOGENBOSCH, 


gedaagde,


2.[de Voorzitter],
wonende te [woonplaats],
gedaagde,

Eiser sub 2 staat in het bevolkingsregister ingeschreven met als geslachtsnaam “B”zoals in de kop van dit vonnis (in vette kapitalen) is weergegeven. Ter comparitie verklaarde hij dat het hem op grond van een besluit van de Raad van State is toegestaan om in 
het maatschappelijk verkeer de geslachtsnaamaanduiding “B. D.” te gebruiken. De 
rechtbank zal dat hierna ook doen.


2. De feiten


2.1. De Vereniging stelt zich ten doel, zakelijk weergegeven: de historische en culturele waarden van ’s-Hertogenbosch te bewaken en bevorderen alsmede deheemkunde met betrekking tot het Bossche te beoefenen.


2.2. Daarnaast bestaat er een “Stichting Binnendieze” die, naar de rechtbank begrijpt, de alom bekende en toeristisch aantrekkelijk boottochten over de Binnendieze verzorgt. … 


2.3. Hoewel in formele zin de Stichting Binnendieze en de Vereniging niets met elkaar van doen hebben, is voor de achtergrond van het gerezen conflict van belang te weten (a) dat vroeger de Vereniging de boottochten met haar leden/vrijwilligers zelf verzorgde, (b) dat toen het jaren geleden met de Vereniging zakelijk en financieel slecht ging, besloten is om de activa en zakelijke activiteiten van de Vereniging onder te brengen in de Stichting Binnendieze, (c) dat het bestuur van de Stichting Binnendieze uit dezelfde of grotendeels dezelfde personen bestaat als hetbestuur van de Vereniging en (d) dat de vrijwilligers die feitelijk de boottochten verzorgen, lid van de Vereniging plegen te zijn.


2.4. Eisers waren tot hun royement in 2010 lid van de Vereniging. [de Voorzitter] was tot zijn aftreden in juni 2011 voorzitter van de Vereniging. 


2.5. In de loop van 2008 ontstond bij een aantal leden (waaronder eisers en enkele voormalige bestuursleden) onvrede over het gebrek aan inzicht in het financiële reilen en zeilen van de Stichting Binnendieze en verontrusting over de bestemming van de daarin gegenereerde gelden. Toen naar hun oordeel daaromtrent vanuit het bestuur van de Vereniging onvoldoende transparantie werd betracht, stelden zij B. (tegen)kandidaat voor het voorzitterschap. Dat paste in zoverre dat voorzitter [de Voorzitter] op de algemene ledenvergadering (ALV) van juni 2009 wegens periodiek aftreden ge- of herkozen zou moeten worden.
[de Voorzitter] heeft met de kandidaatstellende leden gesproken. Na die gesprekken, die sommigen van dekandidaatstellers als onaangenaam hebben ervaren, hebben zij hun steun aan de kandidaatstelling van B. ingetrokken. [de Voorzitter] werd herkozen als voorzitter.


2.6. De onvrede was daarmee niet weggenomen en de onderlinge verhoudingen tussen de Verontrusten-groep en het bestuur raakten meer en meer verstoord. Formele bezwaren van de Verontrusten-groep tegen de wijze van oproepen van een voor 2 juni 2010 voorziene ALV leidden er toe dat het bestuur die vergadering niet door heeft moeten laten gaan en een nieuwe ALV, gehouden op 25 juni 2010, heeft uitgeschreven.
Met betrekking tot een aantal agendapunten hebben eisers hun adviseur op 22 juni 2010 een brief aan het bestuur doen zenden, met verzoek om die brief bij de behandeling van de ingekomen stukken aan de ALV voor te leggen.


2.7. Staande de vergadering van 25 juni 2010 (of kort daarvóór of kort daarná) heeft het bestuur van de Vereniging de vier eisers uit hun lidmaatschap ontzet (hierna ook: geroyeerd), zulks overigens kennelijkin overeenstemming met het te dier vergadering naar voren gekomen gevoelen van een grote meerderheid van de aldaar aanwezige leden. De twee aanwezige eisers zijn terstond uit de vergadering verwijderd.
Het royementsbesluit is bij brieven d.d. 30 juni 2010 aan eisers medegedeeld.

2.8. Eisers zijn van het royementsbesluit tijdig in beroep gekomen bij de algemene ledenvergadering. In haar vergadering van 26 januari 2011 heeft de ALV het beroep ongegrond verklaard. 



4. De beoordeling


4.1. De rechtbank moet vooropstellen dat het bij de in deze zaak door eisers ingestelde vorderingen in de kern gaat om twee kwesties, te weten:
a. Waren de uitlatingen van voorzitter [de Voorzitter] ter vergadering van 25 juni 2010 onrechtmatig?
b. Is het royementsbesluit van de Vereniging nietig?
Weliswaar hangen die kwesties feitelijk nauw samen, maar juridisch-technisch dienen ze scherp onderscheiden te worden.


A. De uitlatingen van [de Voorzitter] ter vergadering van 25 juni 2010


4.3. Omtrent de vraag of de geciteerde uitlatingen (1) tot en met (4) van [de Voorzitter] gerechtvaardigd of wellicht onjuist maar in de gegeven omstandigheden begrijpelijk en vergeeflijk zijn, wordt overwogen:
..
ad (2): Het betichten van het bestuur van “ontoelaatbare methodes zoals dat bij een geheime dienst het geval is” is weinig fraai, maar de wijze waarop sommigen van hen die B. kandidaat-voorzitter hadden gesteld, hebben ervaren hoe zij door de zittend voorzitter [de Voorzitter] daarover zijn benaderd, maakt die opmerking wellicht begrijpelijk. Of zij gerechtvaardigd was, behoeft gelet op het volgende geen bespreking.

Deze overwegingen leiden tot de slotsom dat [de Voorzitter] met zijn uitlatingen op de vergadering van 25 juni 2010 aan de leden een vals beeld heeft gegeven van de wijze waarop eisers hun zorgen naar vorenhebben gebracht. Dat onware beeld komt er op neer dat eisers daarbij alle voor een debat geldende fatsoensnormen zouden hebben overschreden en dat zij het bestuur diep hebben beledigd, welk beeld op onwaarheid berust.


4.4. De uitlatingen (1) tot en met (4) in onderlinge samenhang bezien tegen de achtergrond van de reeds gerezen, behoorlijk geëscaleerde geschillen en het reeds sedert de voorgaande vergadering in de lucht hangende sentiment om eisers te royeren, alsmede het kennelijk door [de Voorzitter]willens en wetens in strijd met de waarheid presenteren van verwijten aan het adres van de Verontrusten-groep als: citaten uit hun correspondentie en het uitdrukkelijk handhaven van dat citaat-karakter op de interventie van Groenendijk in uitlating (5), leiden tot het oordeel dat [de Voorzitter] er opzettelijk op uit is geweest om dit onware beeld te presenteren als doorslaggevend argument om de instemming van de ter vergadering aanwezige leden voor het royementsvoornemen te verkrijgen. Het valt niet te begrijpen als“emotionele vertalingen”(CvA [de Voorzitter], pt. 57) maar wel als een retorisch middel om zich te ontdoen van lastige leden die de euvele moed hadden om kritiek te hebben op het functioneren van het bestuur (waarbij de rechtbank in het midden laat of die kritiek nu terecht was of niet). De rechtbank maakt uit de door partijen naar voren gebrachte feiten op dat [de Voorzitter] zijn uitlatingen ook heeft gedaan met het oogmerk om eisers ter bewerkstelliging van hun royement in een nadelig daglicht te plaatsen en dat hij in zoverre ook het oogmerk had om hen nadeel toe te brengen.
Dat aspect van opzettelijke misleiding van de leden in jegens eisers bewust nodeloos grievende bewoordingen, maken de opmerkingen onrechtmatig en [de Voorzitter] is deswegen tot schadevergoeding gehouden.



4.5. Eisers zijn [] . XXX is []. De beschuldiging dat zij in een [] geschil, ook al speelt dat binnen een privaatrechtelijke vereniging, alle fatsoensnormen en proportionaliteit bij het uiten van hun zorgen zouden hebben overschreden, treft hun zwaar in hun [] reputatie, naar [gedaagde sub 2], zelf ervaren bestuurder, moet hebben kunnen begrijpen. Dat maakt dat de onrechtmatige uitlatingen van [gedaagde sub 2] en het opzettelijk op dit punt in een kwaad daglicht stellen van eisers eens te meer onrechtmatig en de daardoor aangerichte reputatieschade relatief groot.

4.6. Het verweer van [de Voorzitter] dat hij zijn uitlatingen deed in zijn hoedanigheid als voorzitter van de Vereniging en daarom niet persoonlijk aansprakelijk is, faalt.
4.6.1. Het betreft uitlatingen die hij persoonlijk heeft gedaan. Gegeven dat deze uitlatingen hiervóór als een onrechtmatige daad zijn gekwalificeerd waaraan hij schuld heeft (gepleegd immers met een voldoende mate van opzet) is hij zelf daarvoor in de eerste plaats verantwoordelijk en aansprakelijk. 
4.6.2. Daarnaast heeft [de Voorzitter] zijn uitlatingen inderdaad gedaan in zijn hoedanigheid van voorzitter van de Vereniging. Dat maakt dat zijn onrechtmatige daad ook aan de Vereniging moet worden toegerekend en dat de Vereniging daarvoor mede aansprakelijk is. Maar het betoog van [de Voorzitter] dat hij in dat geval niet langer zelf aansprakelijk is, vindt geen steun in het recht.



4.7. De rechtbank overweegt omtrent de schadevergoeding:
4.7.1. In de eerste plaats zijn de na te melden rectificaties een passende vorm ban schadevergoeding, waarmee aan eisers verregaanden wellicht méér dan middels een schadevergoeding in geld, genoegdoening wordt gegeven. Wel vindt de rechtbank grond om de al te breedsprakige rectificaties die eisers in hun vordering formuleren, tot hun essentie terug te brengen als na te melden. 
4.7.2. Daarnaast is slechts een beperkte geldelijke vergoeding van € 1.500,00 per eiser passend en mitsdien toewijsbaar. 


B. Het besluit tot royement


4.8. Van geen belang is of het bestuur zijn royementsbesluit kort vóór, tijdens of kort ná de vergadering van 25 juni 2010 heeft genomen. Hoe dan ook heeft het bestuur een dergelijk besluit bekrachtigd middels mededeling ervan aan eisers in de brief van 30 juni 2010. Bij onderdeel 1a van de vordering hebben eisers onvoldoende belang.


4.9. Het bestuursbesluit tot royement lijdt aan de volgende gebreken:
a. Een duidelijke omschrijving van de feiten op grond waarvan eisers geroyeerd zouden moeten worden, ontbreekt. 
b. Voor zover die gronden gevonden zouden moeten worden in de wijze waarop eisers hun zorg en kritiek op het bestuur naar voren hebben gebracht (zie: de uitlatingen van [de Voorzitter] ter vergadering van 25 juni 2010), zijn ze onwaar en misleidend gebleken en als grond voor royement ongenoegzaam. Voor zover die gronden gevonden zouden moeten worden in de inhoudelijke kritiek zelf, is daarin geen royementsgrond, maar hoogstens een niet-diffamerende opzeggingsgrond te vinden.
c. Het bestuur heeft eisers niet gehoord op hun voornemen hen te royeren.
Maar de klachten daarover zijn indit geding slechts beperkt relevant, omdat die in beroep aan de ALV behoren te worden voorgelegd en ook door eisers aan de ALV zijn voorgelegd die daarover in eerste instantie had te oordelen. Voor zover onderdeel 4 en andere onderdelen van de vordering van eisers zich richten tegen deze gebreken in de besluitvorming van het bestuur, zijn ze niet-ontvankelijk.

4.10. Bij de oproeping door het bestuur voor de ALV van 26 januari 2011 waar het beroep van eisers tegen het royementsbesluit zou worden behandeld, was een uitvoerige toelichting zijdens het bestuur gevoegd waarin ditmaal wel concrete gronden voor royement (eisers, prod. 35). Eisers hebben daarop geantwoord (eisers, prod. 36). Ter vergadering zijn zij toegelaten en hebben zij het woord kunnen voeren. Hun klacht over onvoldoende hoor en wederhoor is in de beroepsprocedure rechtgezet en wordt in deze procedure verworpen.


4.11. De toelichting van het bestuur op de gronden voor royement worden in die toelichting op bladzijde 1-2 samengevat en verderop uitgewerkt. De rechtbank zal daarop puntsgewijs kort commentaar geven:
(1) Eisers zouden het bestuur in verband brengen met fraude en smeergeld.
Rechtbank: Dat is een verzwakte weergave van uitlating (1) van [de Voorzitter]. Eisers zijn inderdaad uiterst kritisch en wellicht misplaatst achterdochtig geweest, maar suggestie van fraude en smeergeld aan het adres van het bestuur hebben zij niet gedaan.
(2) Eisers hebben de pers geïnformeerd. 
Rechtbank: Als de Vereniging pretendeert mede een publiek belang te behartigen, dan kan het in de pers kenbaar maken van zorgen over haar functioneren en/of dat van het bestuur, mede in relatie tot de Stichting Binnendieze, als een adequaat en niet-disproportioneel middel worden gezien om die zorgen onder de aandacht van de omstreeks 3000 leden te brengen. Dat daarmee ook een publiek belang kon zijn gediend, blijkt uit vragen die in de gemeenteraad zijn gesteld over het reilen en zeilen van de Stichting Binnendieze.
Niet is gebleken dat eisers die zorgen op nodeloos grievende wijze bij de pers naar voren hebben gebracht.
(3) Eisers hebben de intrekking van de Vergadering van 2 juni 2010 bewerkstelligd.
Rechtbank: De Vereniging kan haar leden bezwaarlijk verwijten dat zij aandringen op oproeping voor een ALV in overeenstemming van de statutaire bepalingen, ook als dat zou zijn geschied om een aan eisers onwelgevallig bestuur dwars te zitten.


4.12. Meer in het algemeen heeft te gelden dat kritiek op het functioneren van een bestuur als dat van de Vereniging, bijzonderlijk wanneer het gaat om twijfel over de doelmatige besteding van gelden, voor het bestuur als regel onaangenaam is. In betogen ter ondersteuning van die zorg, twijfel en kritiek zullen onvermijdelijk passages voorkomen die een verwijtende strekking hebben. Maar het democratisch karakter van het Nederlandse verenigingsrecht brengt met zich mee dat dergelijke kritiek, ook als zij het bestuur onaangenaam is, geuit moet kunnen worden zonder vrees voor strafmaatregelen zoals opzegging van of ontzetting uit het lidmaatschap.
Dat wordt pas dan anders indien die kritiek wordt gepresenteerd op onbehoorlijke en respectloze wijze. Daarvan is, zoals hiervoor reeds werd overwogen, in deze zaak zijdens eisers geen sprake.



4.13. Ontzetting (royement) heeft, anders dan de opzegging, een disciplinair of tuchtrechtelijk karakter. Ontzet te worden is diffamerend en bijzonderlijk zo voor eisers, zoals hiervóór al werd overwogen (r.o. 4.5). De rechtbank stelt voorts vast dat de nader door het bestuur aangevoerde gronden voor royement bij lange na een royementsbesluit niet kunnen dragen en de ALV heeft aldus in redelijkheid niet tot het besluit kunnen komen dat eisers geroyeerd behoorden te worden. Dat die ALV zich door [de Voorzitter] en in diens kielzog door diens gehele bestuur misleid mag voelen, maakt dat niet anders.
De rechtbank zal dat royementsbesluit wegens strijd met de wettelijke en statutaire bepalingen die voor ontzetting gelden, vernietigen.

4.14. Wel moet de rechtbank gezien de gehele gang van zaken, in onderling verband bezien zoals die in dit geding naar voren is gekomen, vaststellen dat tussen enerzijds eisers en anderzijds een overgrote meerderheid van de ter vergadering van 26 januari 2011 aanwezige leden (vgl. het notariële proces-verbaal (CvA Vereniging, prod. 60) onoverbrugbare verschillen van inzicht zijn gegroeid over het richtige bestier van de Vereniging. 
De onoverbrugbaarheid van die verschillen van inzicht blijkt er enerzijds uit dat de ALV reeds in 2009, een jaar vóórvoorzitter [de Voorzitter] zijn onware uitlatingen deed, op royement van de Verontrusten-groep had aangedrongen en dat op de vergadering van 26 januari 2011, toen die uitlatingen in de toelichting waren afgezwakt en door eisers bestreden, toch een overgrote meerderheid het royement steunde. Anderzijds hebben eisers zich aanvankelijk niet laten overtuigen door het oordeel van de kascommissie die het beheer door het bestuur van genoegzame kwaliteit achtte om tot décharge te adviseren, en door het formeel juiste standpunt dat de Vereniging geen bemoeienis heeft met het reilen en zeilen van de stichting Binnendieze. De rechtbank laat uitdrukkelijk in het midden wie daarbij het gelijk aan hun zijde hebben.
Feit is dat daardoor de uit het maatschapsrecht bekende en ook voor het verenigingsrecht relevante“affectio societatis”, de wens tot samenwerking voor een gezamenlijk doel, klaarblijkelijk tussen beide groepen is weggevallen en er vorm van onverenigbaarheid van karakters is gegroeid die de kiem van voortdurende conflicten in zich bergt, zonder dat zulks in meerdere of mindere mate aanéén van de groepen te verwijten zal zijn. Darmee is in de Vereniging een punt bereikt waarin van haar (lees: de grote meerderheid van haar leden) redelijkerwijs niet gevergd kan worden het lidmaatschap van eisers (lees: een minderheid) te laten voortduren, hetgeen een grond voor opzegging is (art.8 lid 3 van de statuten). 
4.14.1. Ter comparitie verklaarde secretaris J. Strang desgevraagd dat een dergelijk niet-diffamerend besluit tot opzegging aan eisers van hun lidmaatschap nimmer was overwogen. De keuze voor ontzetting boven opzegging was mitsdien geen bewuste keuze van het bestuur.
4.14.2. Onder deze omstandigheden kan de rechtbank zonder op de stoel van het bestuur te gaan zitten, toepassing geven aan artikel 3:42 BW en vaststellend aannemen dat, indien het bestuur wegens de nietigheid van het royementsbesluit daarvan had afgezien, het een besluit tot opzegging zou hebben gedaan. Een dergelijk besluit zou, naar derechtbank aanneemt, door de ALV eveneens zijn bekrachtigd.
4.14.3. Daarbij komt dat eisers ter comparitie lieten doorschemeren, zonder zich daarop te willen vastleggen, dat het hen niet zozeer gaat om de rechten die aan het lidmaatschap zijn verbonden, als wel om herstel van hun eer en goede naam.
4.14.4. De rechtbank zal op deze vooral praktische gronden ambtshalve (vgl.HR 22 november 2002, NJ 2003/34) aan het royementsbesluit de werking toekennen van een besluit tot opzegging.


4.15. Op grond vandeze laatste beslissing moeten de onderdelen van de vordering strekkend tot herstel van eisers in hun lidmaatschapsrechten worden afgewezen. 


5. De beslissing


Derechtbank


5.1. verklaart nietig het besluit van de Vereniging, genomen op of omstreeks 25 juni 2010 door haar bestuur en bekrachtigd in beroep op 26 januari 2011 door haar algemene ledenvergadering, bij welk besluit eisers als lid werden ontzet uit hun lidmaatschap; 


5.2. kent aan dit nietige besluit de werking toe van een geldig besluit van de Vereniging tot opzegging van het lidmaatschap aan eisers per 1 januari 2011; 


5.3. verklaart voor recht dat de op de algemene ledenvergadering van de Vereniging van 25 juni 2010 gedane uitlatingen van [de Voorzitter] van de strekking:
(1) dat eisers het bestuur van de Vereniging hadden beticht van (1a) zakkenvullers en oplichters te zijn en (1b) zich van Gestapo-methoden bediend te hebben;
(2) dat eisers misbruik van een mandaat te hebben gemaakt;
(3) dat eisers in een brief aan de gemeente op onsmakelijke wijze de mogelijkheid van het overlijden van [de Voorzitter] ter sprake hebben gebracht,
terwijl eisers in genen dele dergelijke betichtingen hebben geuit, degelijk misbruik hebben gemaakt of een dergelijke onsmakelijkheid hebben geuit, onrechtmatig zijn;


5.4. verbiedt de Vereniging en [de Voorzitter] om in de toekomst uitlatingen te doen die de eer en goede naam van eisers aantasten, en veroordeelt de Vereniging onderscheidenlijk [de Voorzitter] om aan elk van diegenen van eisers jegens wie de Vereniging of [de Voorzitter] in strijd met dit verbod handelen, een dwangsom te betalen van € 5.000 voor elke overtreding van dit verbod; 


5.5. veroordeelt de Vereniging tot het verspreiden van de navolgende rectificatie: 


5.6. veroordeelt de Vereniging en [de Voorzitter] hoofdelijk, des dat de één betalende de ander zal zijn bevrijd, om aan ieder van eisers een schadevergoeding te betalen van éénduizend vijfhonderd euro (€ 1.500,00), te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding, zijnde 19 oktober 2010, tot aan die van voldoening; 


5.7. veroordeelt de Vereniging en [de Voorzitter] hoofdelijk, des dat de één betalende de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten aan de zijde van eisers, tot aan dit vonnis begroot op€ 1.513,93 waarvan € 408,93 verschotten en € 1.105 salaris inclusief nakosten;


5.8. verklaart dit vonnis voor de in dit dictum 5.4 tot en met 5.7 uitgesproken verboden en veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;


5.9. wijst af het meer of anders gevorderde. 

Schadevergoeding voor lichtvaardig royement

Rb. Zwolle, 16 november 2011, LJN BU4893 (VIT)
ECLI:NL:RBZLY:2011:BU4893 


Een kindertherapeut vermoedt dat een kind wordt mishandeld door de moeder. De moeder dient een klacht in bij de Klachtencommissie van de beroepsvereniging waar de therapeut lid van is. De klacht wordt gegrond verklaard. De therapeut volgt het advies van de Klachtencommissie niet op en wordt door het bestuur van de beroepsvereniging ontzet. Later komen gebreken in de procedure bij de Klachtencommissie aan het licht en wordt het besluit tot onzetting ‘ongedaan gemaakt’ door het bestuur. De vereniging wordt echter alsnog veroordeeld tot schadevergoeding vanwege het onrechtmatige royement: “De rechtbank is van oordeel dat het de taak van het bestuur is om in het geval een lid met klachten over de werkwijze en samenstelling van de klachtencommissie komt, te toetsen of het besluit op de juiste wijze en gronden is genomen. (…) Nu zulks niet is gebeurd, heeft de VIT het besluit tot royement lichtvaardig genomen en daarmee in strijd met de maatstaven van redelijkheid en billijkheid gehandeld. Hiermee staat de onrechtmatigheid van het besluit van de VIT vast. Daar komt bij dat de VIT [eiseres] heeft geroyeerd zonder [eiseres] te hebben gehoord, waarmee de VIT het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden. (4.11.3)”

“In beginsel is er slechts plaats voor een (zeer beperkte) marginale toetsing van het besluit. Naarmate er echter minder basis in de statuten of reglementen voor een beslissing aanwezig is en geen duidelijk samenstel van regels voorhanden is waaraan getoetst dient te worden, is er minder reden voor terughoudendheid bij de beoordeling van het besluit.” (4.11.2)

Schadevergoeding EUR 22.313

Vonnis van 16 november 2011
in de zaak van
[eiseres], eiseres, tegen
1. [gedaagde sub 1] tot [gedaagde sub 5],
6. de vereniging VERENIGING VAN INTEGRAAL-THERAPEUTEN, gedaagden,





Vonnis van 16 november 2011
in de zaak van

Partijen zullen hierna [eiseres] en de VIT genoemd worden.





2. De feiten
2.1. [eiseres] is volledig bevoegd kinder- en jeugdtherapeut …
2.2. [eiseres] is aangesloten bij de Vereniging van Integraal Therapeuten (VIT).

2.5. Artikel 6 van de statuten luidt:
“De vereniging tracht dit doel te bereiken langs wettige weg en wel door:
(…)
3. het instellen van een arbitragecommissie, aan het oordeel waarvan de leden van de vereniging zich verplichten te onderwerpen ter zake van geschillen casu quo klachten ingesteld door patiënten/cliënten dan wel door collega’s tevens lid van de vereniging.”

2.8. De VIT kent een klachtencommissie. In de ALV van 3 mei 1997 is het Klachtreglement Vereniging van Integraal Therapeuten aangenomen. 

2.9. 1.5.1 Artikel 4 van het Klachtreglement luidt:
“1. De klachtencommissie bestaat uit minimaal drie en maximaal vijf leden, waaronder een voorzitter en een secretaris. De leden worden benoemd door het bestuur uit de kring van therapeuten, m.u.v. de voorzitter. Deze is jurist en geen lid van de beroepsorganisatie.
2. Het lidmaatschap van de klachtencommissie is onverenigbaar met het lidmaatschap van het bestuur.
3. De leden van de klachtencommissie worden, met uitzondering van de voorzitter, benoemd voor een periodevan twee jaar en zijn niet herbenoembaar.
4. De voorzitter wordt benoemd voor een periode van twee jaar en is herbenoembaar.
(…)

2.10. 1.6.1 Artikel 5 van het Klachtreglement luidt:
“De klachtencommissie heeft de volgende taken:
1. Het op basis van de behandeling van een klacht komen tot een uitspraak, gericht tot de klager en de aangeklaagde over de gegrondheid van die klacht, een en ander, met inachtneming van het in artikel 18 bepaalde.
2. Het adviseren van de aangeklaagde over door hem te nemen maatregelen naar aanleiding van de behandelde klacht.
(…)”.

2.11. 1.9.7. Artikel 14 van het Klachtreglement luidt:
“De klager en de aangeklaagde kunnen zich, indien zij dat wensen, laten bijstaan door een advocaat of een andere adviseur.”

2.12. 1.9.8 Artikel 15 van het Klachtreglement luidt:
“(…)
3. De aangeklaagde deelt schriftelijk en met redenen omkleed binnen een maand na ontvangst van het verslag bevattende uitspraak aan de aangeklaagde en aan de klachtencommissie mee, of hij maatregelen neemt naar aanleiding van het oordeel van de commissie en, zo ja, welke.(…)”.

2.13. In 2007 behandelde [eiseres] een (toen) elfjarig kind.

[Eiseres vermoedt dat het kind wordt mishandeld door de moeder]

2.24. Op 4 mei 2008 hebben de moeder van het kind en haar vriend (hierna: klagers) een klacht ingediend bij de klachtencommissie van de VIT. De klacht is drieledig:
1. [eiseres] heeft de gemaakte afspraken niet in een behandelovereenkomst vastgelegd,
2. [eiseres] heeft een valse aangifte van kindermishandeling gedaan,
3. de therapeutische behandeling van het kind was onjuist.

2.25. Op 23 oktober 2008 heeft de klachtencommissie de klacht van klagers gegrond verklaard en, ingevolge artikel 15 van het klachtreglement, een advies uitgebracht aan [eiseres]. In het advies staat:

“9. Aanbevelingen
Op grond van artikel 15 van het klachtreglement adviseert de Klachtencommissie aan verweerster om voor de periode van een jaar, met een frequentie van minimaal 1x per maand, onder supervisie van een geregistreerde supervisor van de V.I.T., te werken aan haar attitude als therapeut, gericht op het ontwikkelen van een onpartijdige, neutrale en professionele beroepshouding, met als belangrijke aandachtspunten: bewustwording van de rol die overdracht en tegenoverdracht spelen in een therapeutische relatie en het adequaat reageren op overdracht en tegenoverdracht.
Op grond van artikel 15.3 van het klachtreglement dient verweerster binnen een maand na ontvangst van het onderhavige verslag, aan de Klachtencommissie mee te delen of zij bovenstaande maatregelen genomen heeft, bij gebreke waarvan de Klachtencommissie het bestuur van de V.I.T. zal adviseren om verweerster te royeren als lid van de V.I.T.”.

2.26. Bij brief van 14 november 2008 aan de VIT heeft de raadsvrouwe van [eiseres] uiteengezet waarom [eiseres] zich niet in het advies van de klachtencommissie kan vinden en heeft zij verzocht de uitspraak van de klachtencommissie te vernietigen. (…)

2.27. Bij brief van 5 december 2008 heeft de Klachtencommissie het bestuur van de VIT bericht:
“(…)
De Klachtencommissie heeft het betreffende verslag verstuurd naar mevr. [eiseres] op 21 oktober 2008. Vastgesteld wordt dat inmiddels ruim 6 weken zijn verstreken en dat de commissie tot op hedengeen bericht van mevr. [eiseres] heeft ontvangen dat zij de aanbevolen maatregelen heeft genomen. Bijgevolg staat aan de commissie geen andere weg open dan thans aan u als Bestuur van de VIT te adviseren om mevr. [eiseres] te royeren als lid van de de VIT.”

2.28. Bij brief van 8 december 2008 heeft het bestuur van de VIT de raadsvrouwe van [eiseres] bericht:
“Naar aanleiding van uw brief d.d. 14 november jl. berichten wij u het volgende.
De klachtencommissie opereert onafhankelijk van het bestuur en hetgeen in de commissie wordt besproken wordt nietnaar buiten gebracht door de leden van de commissie. De commissie heeft een duidelijke plicht tot geheimhouding. Een en ander is natuurlijk mede bedoeld om de belangen van de therapeut tegen wie de klacht wordt ingediend, te beschermen.

Het bestuur gaat niet over uitspraken van de klachtencommissie, is niet op de hoogte van wat er (met naam en toenaam) speelt in een procedure en hoort zich daar inhoudelijk niet mee te bemoeien.

Overigens behoort u als advocate ervan op de hoogte te zijn dat het bestuur niet de bevoegdheid heeftom zich uit te laten over de inhoudelijke gang van zaken bij een klachtbehandeling.
(…)”.

2.29. Bij brief van 23 december 2008 heeft het bestuur van de VIT [eiseres] bericht:

Vastgesteld wordt dat inmiddels ruim 8 weken zijn verstreken en dat de commissie tot op heden geen bericht van u heeft ontvangen, dat u de aanbevolen maatregelen heeft genomen.
Hoezeer wij het ook betreuren, het bestuur staat nu geen andere weg open dan het advies van de Klachtencommissie op te volgen, en u per direct te royeren als lid van de VIT.”

2.30. Bij brief van 29 januari 2009 heeft [eiseres] het bestuur van de VIT bericht dat zij ingevolge artikel 13.1 lid 3.4 van de statuten beroep instelt tegen de beslissing van het bestuur om haar te royeren. Voorts heeft [eiseres] het bestuur verzocht, hangende de civiele zaak tegen het bestuur van de VIT en inafwachting van de door het bestuur in te lasten extra ALV, het besluit tot royement te schorsen. (…)

2.32. Tijdens de ALV van 28 maart 2009 is het beroep van [eiseres] behandeld en heeft de ALV besloten dat een onafhankelijk onderzoek zal worden ingesteld naar het handelen van de klachtencommissie en dat het handelen van [eiseres] door een nieuw samen te stellen commissie opnieuw zal worden onderzocht. Tevens heeft de ALV besloten dat het royement gedurende het onderzoek zal worden opgeschort.

2.33. Bij brief van 15 april 2009 heeft het bestuur van de VIT [eiseres] bericht:
“Naar aanleiding van de Algemene Ledenvergadering van 28 maart jongstleden en gehoord hebbend wat ter vergadering met betrekking tot het royement van uw lidmaatschap van de vereniging aan de orde is geweest, heeft het bestuur zich herberaden en haar besluit met betrekking tot uw royement herwogen. Een en ander heeft er toe geleid dat het bestuur heeft besloten om terug te komen op haar besluit van 23 december 2008 met betrekking tot uw royement als lid van de de VIT en dat besluit te vernietigen.

Het voorgaand betekent dat uw lidmaatschap van de Vereniging van Integraal Therapeuten met ingang van 1 oktober 2006 tot lid van de VIT onverkort van kracht is. Dit heeft inmiddels geresulteerd in de vermelding van uw praktijk op de website van de VIT, alsmede in het doorgeven van uw naam aan de aangesloten zorgverzekeraars.

Van bovenstaand bestuursbesluit zal mededeling worden gedaan in de komende ALV op 18 april aanstaande.
(…)”.

2.34. Op de ALV van 18 april 2009 heeft het bestuur van de VIT aan de leden meegedeeld dat de besluiten die op de ALV van 28 maart 2009 zijn aangenomen, te weten het onafhankelijke onderzoek naar de behandeling van de klacht door de klachtencommissie en de opschorting van het royement, wettelijk niet mogelijk zijn en daarom niet worden uitgevoerd. 

2.35. Op 14 juli 2009 heeft [eiseres] een eigen vereniging opgericht voor kinder- en/of jeugdtherapeuten.

2.36. Per 7 oktober 2009 heeft [eiseres] haar lidmaatschap van de VIT opgezegd. (…)

4. De beoordeling

Vernietiging van het advies van de klachtencommissie
4.2. De rechtbank begrijpt de vordering van [eiseres] aldus, dat wordt gevorderd dat het advies van de klachtencommissie door de rechtbank wordt vernietigd. Tussen partijen is in geschil of het advies van de Klachtencommissie in stand dient te blijven dan wel vernietigbaar is.

4.3. De VIT heeft zich primair op het standpunt gesteld dat [eiseres] ingevolge artikel 3:303 BW niet-ontvankelijk verklaard dient te worden wegens het ontbreken van belang.
Hiertoe heeft zij aangevoerd dat het inhoudelijke oordeel van de klachtencommissie alleen kan worden weerlegd in een procedure tussen [eiseres] en klagers.
Voorts stelt de VIT dat voor zover de procedurele bezwaren van [eiseres] tegen (de werkwijze van) de klachtencommissie al niet in een eventuele procedure tussen [eiseres] en de klagers behandeld worden, daarvoor geldt dat de behandeling daarvan in onderhavige procedure geen separaat belang dient. Dergelijke procedurele bezwaren kunnen immers uitsluitend tot aantasting van het oordeel van de klachtencommissie leiden, indien zij inhoudelijk tot een ander oordeel leiden. Dat oordeel wordt al geveld door de rechter in een eventuele procedure tussen [eiseres] en klagers.
Subsidiair heeft de de VIT aangevoerd dat, vanwege proceseconomische overwegingen en vanwege het risico van tegenstrijdige uitspraken, het oordeel over het advies van de Klachtencommissie dient te worden aangehouden totdat in een procedure tussen [eiseres] en de klagers tot in de hoogste instantie is beslist.

4.4. De rechtbank begrijpt de stellingen van de VIT aldus dat de VIT van mening is dat [eiseres] geen belang heeft bij haar vordering omdat de inhoudelijke en procedurele beoordeling van het advies van de Klachtencommissie alleen kan plaatsvinden in een procedure tussen [eiseres] en klagers en dat het advies van de Klachtencommissie derhalve geen werking heeft tussen [eiseres] en de VIT.

De rechtbank kan de VIT niet volgen in deze stellingen. 

Van een bindend advies is sprake indien vast staat dat partijen zijn overeengekomen om geschillen via de weg van het bindend advies op te lossen. 
Een bindend advies is een vaststellingsovereenkomst waarop de artikelen 7:900 BW en verder van toepassing zijn. Gebondenheid van partijen aan het bindend advies is regel. Uit artikel 6 lid 3 van de Statuten volgt dat de vereniging een arbitragecommissie dient in te stellen, aan het oordeel waarvan de leden van de vereniging zich verplichten te onderwerpen ter zake van geschillen dan wel klachten ingesteld door patiënten, cliënten of collega’s. 
De rechtbank is van oordeel dat ingevolge dit artikel van de statuten, waaraan alle leden van de VIT zich hebben onderworpen, [eiseres] met de VIT is overeengekomen dat geschillen via de weg van een bindend advies door de Klachtencommissie dienen te worden opgelost. Het advies van de Klachtencommissie is derhalve ook als een bindend advies tussen [eiseres] en de VIT te beschouwen en [eiseres] kan derhalve in haar vordering worden ontvangen. De VIT heeft dit zelf ook zo gezien: zij volgt het advies van de klachtencommissie om [eiseres] te royeren.


4.5. [eiseres] stelt dat de klachtencommissie onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door zowel de vele procedurele fouten als door de wijze waarop de klacht inhoudelijk is behandeld.Zij vordert vernietiging van het advies van de klachtencommissie op grond van artikel 7:904 BW dan wel artikel 2:15 BW omdat het vanwege alle gebreken bij de totstandkoming ervan als inhoudelijk naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn om haar eraan te houden.



4.7. De rechtbank overweegt als volgt. 
Ingevolge artikel 7:904 BW is een bindend advies slechts vernietigbaar, indien gebondenheid aan dat bindend advies in verband met de inhoud of wijze van totstandkoming daarvan in de gegeven omstandigheden naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Getoetst moet worden of de fundamentele beginselen van procesrecht in acht zijn genomen. De rechter dient zich daarbij terughoudend op te stellen; niet elke onjuistheid in het bindend advies kan tot vernietiging leiden. Van een verkapt hoger beroep is geen sprake. Slechts indien aan het bindend advies ernstige gebreken kleven kan met recht een beroep op vernietiging worden gedaan.

4.7.1. De VIT heeft zich steeds op het standpunt gesteld dat [eiseres] geen belang heeft bij haar vordering en dat de procedure moeten worden aangehouden totdat in een procedure tussen [eiseres] en klagers in de hoogste instantie is beslist. Dit standpunt is door de rechtbank verworpen (zie r.o. 4.4.) De VIT heeft geen inhoudelijk verweer gevoerd tegen de door [eiseres] naar voren gebrachteprocedurele en inhoudelijke bezwaren tegen het advies van de Klachtencommissie. De VIT heeft zich het recht voorbehouden om, indien de rechtbank aan een inhoudelijke beoordeling toekwam, verweer te voeren. Het ontgaat de rechtbank echter op grond waarvan de VIT dit voorbehoud heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat de processtrategie van de VIT voor haar eigen rekening en risico komt en zal derhalve aan het voorbehoud van de VIT voorbij gaan. Nu de VIT geen verweer heeft gevoerd tegen de door [eiseres] naar voren gebrachte procedurele en inhoudelijke bezwaren, dient de rechtbank deze als vaststaand aan te nemen. Hierbij merkt de rechtbank echter wel op dat het bezwaar van [eiseres] dat de klachtencommissie [eiseres] niet heeft toegestaan zich te doen vertegenwoordigen door een advocaat, niet volgt uit de door [eiseres] ter onderbouwing overgelegde e-mail. De rechtbank zal dit bezwaar dan ook niet meenemen in haar beoordeling.

4.7.2. De vraag die thans beantwoord moet worden is of er zodanig ernstige gebreken aan het advies van de Klachtencommissie kleven dat met recht een beroep kan worden gedaan op vernietiging van het bindend advies. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend.
Door het verweerschrift aan de partner van de vrouw te zenden, heeft de klachtencommissie haar geheimhoudingsplicht geschonden. Door klaagster en [eiseres] buiten elkaars aanwezigheid te horen, zonder [eiseres] hierin te kennen, heeft de klachtencommissie het beginsel van hoor en wederhoor geschonden. Voorts acht de rechtbank het in strijd met de beginselen van procesrecht dat de klachtencommissie op eigen initiatief informatie heeft opgevraagd bij het AMK en de vader van het kind en deze informatie aan het dossier heeft toegevoegd, zonder [eiseres] hiervan een kopie te sturen. Hierdoor heeft [eiseres] zich niet deugdelijk kunnen verweren. Dit is nog kwalijker nu uit het advies van de klachtencommissie volgt dat zij bij het tot stand komen van het advies zich van deze informatie heeft bediend. Ten slotte heeft [eiseres]naar het oordeel van de rechtbank terecht het standpunt kunnen innemen dat de klachtencommissie jegens haar de schijn heeft gewekt dat zij niet onafhankelijk is doordat de samenstelling van de klachtencommissie niet conform haar eigen reglement was. Dit alles tezamen maakt dat de rechtbank van oordeel is dat het gezien de wijze van tot stand komen van het bindend advies naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om [eiseres] aan het advies te binden.

4.7.3. Ten aanzien van de inhoud van het bindend advies overweegt de rechtbank dat de uitspraak van de klachtencommissie in dit geval het karakter heeft van rechtspraak, zodat aan het advies van de klachtencommissie strengere motiveringseisen worden gesteld. Met [eiseres] is de rechtbank van oordeel dat de taak van een klachtencommissie, die te beoordelen krijgt of een klacht gegrond is, zich dient te beperken tot een onderzoek naar de vraag of de therapeut over wie geklaagd is het onderzoek waarop haar bevindingen berust op voldoende zorgvuldige wijze heeft verricht. Uit het advies van de klachtencommissie volgt dat zij heeft onderzocht op grond van welke signalen [eiseres] haar melding bij het AMK van een vermoeden van mishandeling heeft gebaseerd en dat zij zich daarbij een eigen oordeel over het al dan niet aannemelijk zijn van dat vermoeden heeft gevormd. De rechtbank is van oordeel dat de klachtencommissie hierbij de verkeerde maatstaf heeft aangelegd. Dit brengt mee dat ook wat betreft de totstandkoming van de inhoud van het bindend advies het naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar moet worden geacht om [eiseres] aan het bindend advies gebonden te achten. De rechtbank zal het advies van de klachtencommissie, voor zover deze werking heeft tussen [eiseres] en de VIT, vernietigen. De rechtbank merkt hierbij op dat, voor zover het advies van de klachtencommissie werking heeft tussen [eiseres] en klagers, zij geen oordeel kan geven aangezien klagers geen partij zijn in deze procedure.

Schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad van de VIT en haar bestuurders

4.8. [eiseres] vordert schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad van zowel de VIT als van haar bestuurders. De rechtbank zal hierna beide vorderingen bespreken.


Onrechtmatige daad VIT

4.9. [eiseres] stelt dat het bestuur onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door niet nader te onderzoeken of er een reden was om haar te royeren, door geen hoor en wederhoor toe te passen en door de door de klachtencommissie geadviseerde sanctie klakkeloos toe te passen terwijl daarvoor geen wettelijke grond aanwezig was.
[eiseres] stelt dat het bestuur niet alleen onrechtmatig heeft gehandeld met betrekking tot het royement, maar dat haar ook de wijze van besturen en het onprofessioneel handelen in deze zaak valt te verwijten.
Hiertoe heeft [eiseres] het navolgende aangevoerd.

Het bestuur heeft de klachtencommissie gebruik laten maken van hetzelfde briefpapier als het bestuur, zodat het vermoeden bestaat dat geen sprake is van een onafhankelijke behandeling van de klacht. Daarnaast heeft het bestuur de brief waarin het royementsbesluit aan [eiseres] wordt medegedeeld verkeerd geadresseerd. Ten slotte wordt op de reactie van [eiseres] op het royementsbesluit pas twee weken later gereageerd. [eiseres] is van mening dat al deze gedragingen, gepleegd in het licht van het royementsbesluit, zeer onzorgvuldig zijn waarvan de VIT een ernstig verwijt kan worden gemaakt.

4.10. De VIT stelt voorop dat het royementsbesluit ongedaan is gemaakt, zodat de grondslag voor de vordering van [eiseres] tot vergoeding van haar schade door het royement ontbreekt. Voorts heeft de VIT aangevoerd dat beide besluiten – zowel het royement als de intrekking daarvan – op goede gronden en zeker niet klakkeloos zijn genomen.
Zij stelt dat de ongemotiveerde weigering van [eiseres] om het advies van de klachtencommissie tot supervisie op te volgen, uiteindelijk leidde tot het royementsbesluit. Voorts stelt de VIT dat [eiseres] het zelf zover heeft laten komen, terwijl zijvoor de mogelijke gevolgen gewaarschuwd was.

4.11. De rechtbank kan de VIT niet volgen in haar stelling dat, omdat het royementsbesluit ongedaan is gemaakt, de grondslag voor de vordering van [eiseres] tot vergoeding van haar schade door het royement ontbreekt. Immers, de vernietiging van het besluit brengt niet met zich mee dat het aanvankelijke besluit tot royement geen gevolgen heeft gehad. Zo heeft [eiseres] aangevoerd dat de verzekering op 30 maart 2009 heeft laten weten behandelingen van haar cliënten niet meer te vergoeden. [eiseres] is verwijderd van de website van beroepsvereniging, waardoor zij geen cliënten meer kreeg door verwezen en aan haar reputatie is ernstige schade toegebracht door het royement. 

4.11.1. De rechtbank stelt vast dat ingevolge artikel 12 lid 5 van de Statuten het lidmaatschap kan eindigen door ontzetting (royement) bij besluit van het bestuur. Voorts volgt uit artikel 2:15 lid 1 sub b BW dat een besluit van een orgaan van een rechtspersoon vernietigbaar is wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW worden geëist.

4.11.2. In dit kader dient de vraag te worden beantwoord of de VIT, bij afweging van alle bij het besluit betrokken belangen van de in artikel 2:8 BW bedoelde personen, in redelijkheid en naar billijkheid tot het besluit tot royement van [eiseres] heeft kunnen komen. In beginsel is er slechts plaats voor een (zeer beperkte) marginale toetsing van het besluit. Naarmate er echter minder basis in de statuten of reglementen voor een beslissing aanwezig is en geen duidelijk samenstel van regels voorhanden is waaraan getoetst dient te worden, is er minder reden voor terughoudendheid bij de beoordeling van het besluit. Indien lichtvaardig wordt besloten tot royement, wordt gehandeld in strijd met de normen van de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in artikel 2:8 BW, waarmee alsdan de onrechtmatigheid van het royementsbesluit jegens [eiseres] vaststaat.

4.11.3. De rechtbank is van oordeel dat de VIT in ernstige mate onzorgvuldig en daarmee onrechtmatig jegens [eiseres] heeft gehandeld door het advies van de klachtencommissie over te nemen en zonder daarbij een eigen afweging van alle betrokken belangen te maken. Een dergelijke afweging had wel van het bestuur mogen worden verwacht, zeker gelet op de bezwaren die [eiseres] kenbaar had gemaakt aan het bestuur in haar brief van 14 november 2008. Weliswaar heeft de VIT ter zitting aangevoerd dat zij het advies van de klachtencommissie niet klakkeloos heeft opgevolgd, maar zelf na beoordeling van de zaak tot royement heeft besloten, echter uit de brieven van de VIT van 23 december 2008 en 10 februari 2009 volgt het tegendeel. In beide brieven schrijft de VIT dat zij het advies van de klachtencommissie zal opvolgen en om die reden [eiseres] zal royeren. Gezien de brief van [eiseres] van 14 november 2008 aan de VIT, waarvan een kopie aan de klachtencommissie is verzonden, had de VIT, gelet op haar eigen bestuursverantwoordelijkheid jegens [eiseres], het advies van de klachtencommissie in ieder geval marginaal moeten toetsen. De rechtbank is van oordeel dat het de taak van het bestuur is om in het geval een lid met klachten over de werkwijze en samenstelling van de klachtencommissie komt, te toetsen of het besluit op de juiste wijze en gronden is genomen. Temeer nu, anders dan de VIT stelt, geen beroepsmogelijkheid van de beslissing van de klachtencommissie mogelijk is. De onafhankelijkheid van de klachtencommissie is hiermee niet in het geding.
Nu zulks niet is gebeurd, heeft de VIT het besluit tot royement lichtvaardig genomen en daarmee in strijd met de maatstaven van redelijkheid en billijkheid gehandeld. Hiermee staat de onrechtmatigheid van het besluit van de VIT vast. Daar komt bij dat de VIT [eiseres] heeft geroyeerd zonder [eiseres] te hebben gehoord, waarmee de VIT het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden.

Onrechtmatige daad bestuurders

4.12. [eiseres] stelt dat de handelingen van het bestuur zo ernstig zijn dat de bestuurders daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Zij stelt dat voor de bestuurders, die allen betrokken moeten zijn geweest bij het tot stand komen van het bestuursbesluit tot royement, duidelijk moet zijn geweest dat een (deugdelijke) grond voor het besluit ontbrak, dat dit besluit daarom door de ALV vernietigd zou kunnen worden en dat [eiseres] schade zou leiden door het royement. Reeds die wetenschap levert op dat de onrechtmatige gedragingen aan de bestuurders persoonlijk toegerekend kunnen worden. Door dit handelen stelden debestuurders bovendien ook de vereniging bloot aan schadeclaims van [eiseres] en daarmee ook de verenigingskas die wordt gevuld door de leden. Onder die omstandigheden hebben alle bestuurders persoonlijk onrechtmatig gehandeld jegens haar gehandeld, aldus [eiseres].

4.12.1. Door (de bestuurders van) de VIT is betwist dat er sprake is van een persoonlijk en ernstig verwijt.

4.13. De rechtbank overweegt als volgt. 
De rechtbank is van oordeel dat in het onderhavige geval niet (voldoende) gemotiveerd isgesteld dat aan (een van) de individuele bestuurder(s) een ernstig persoonlijk verwijt kan worden gemaakt. Dit is ook niet anderszins gebleken. Het enkele feit dat iemand deel uitmaakt van het bestuur van een rechtspersoon dat onrechtmatig jegens een derde heeft gehandeld, is daarvoor onvoldoende. De bestuurders hebben niet individueel anders gehandeld dan zij als gezamenlijk bestuur hebben gedaan.
Voor zover de bestuurders wisten dat [eiseres] schade zou leiden door het besluit, leidt het enkele feit dat er schade is geleden nog niet tot de conclusie dat sprake is van persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurders.

Schade


5. De beslissing
De rechtbank

5.1. veroordeelt de VIT om aan [eiseres] te betalen een bedrag van EUR 22.313,00 (tweeëntwintig duizend drie honderd dertien euro), vermeerderd met de wettelijke rente over het toegewezen bedrag vanaf 15 september 2009 tot de dag van volledige betaling,

5.2. vernietigt het advies van de klachtencommissie van 23 oktober 2008 voor zover dit advies werking heeft tussen [eiseres] en de VIT,

5.3. veroordeelt de VIT om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis een kopie van dit vonnis aan de moeder van het kind te zenden en onder haar leden te verspreiden,

Hoger beroep ontzetting lid (Royement)

Hof Arnhem, 11-10-2011, LJN BT7495 (Wildbeheer / lid)


Tamelijk zeldzame uitspraak in hoger beroep over ontzetting uit het lidmaatschap. Hoger beroep van Rb. Zwolle, 13-10-2010, LJN BR3090 (eiser /Wildbeheer).


De vereniging probeert het lid te royeren, omdat hij de schadelijke ganzen in zijn beheersgebied niet afschiet. Het juridische probleem is dat er geen statutaire bepaling is op grond waarvan leden daartoe verplicht zijn. Het feit dat het beleid is, blijkt niet voldoende. Het hof zegt op dat punt niet veel meer dan dat ze het eens is met de rechtbank.

Het hof geeft wel aan dat het niet uitmaakt als een lid per ongeluk bezwaar maakt bij het bestuur in plaats van beroep instelt bij de ALV.


Het onderliggende, feitelijke geschil, staat het duidelijkst in r.o. 4.7 van de rechtbank: “[eiser] erkent dat hij in het broedseizoen schadelijke ganzen liever verjaagt door met zijn scooter en jachthond het veld in te gaan dan door afschot.” en “[eiser] stelt voorts dat een conflict is ontstaan nadat de jachtschappen 3 en 4 zijn samengevoegd. (…) Na de samenvoeging zijn problemen ontstaan tussen [eiser], die verantwoordelijk was voor de activiteiten van jachtschap 4 en [E], die verantwoordelijk was voor jachtschap 3 en die tevens secretaris was van de WBE.”


HET GERECHTSHOF TE ARNHEM
Nevenzittingsplaats Leeuwarden

Arrest van de derde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

Wildbeheerheid Jachtvereniging Kampen,
appellante, in eerste aanleg: gedaagde,
hierna te noemen: WBE,

tegen [geïntimeerde], geïntimeerde, in eerste aanleg: eiser,
hierna te noemen: [geïntimeerde],

Het geding in eerste instantie
In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis uitgesproken op 13 oktober 2010 door de rechtbank Zwolle-Lelystad, hierna te noemen de rechtbank, aan welk vonnis het 
LJN -nummer BR3090 is toegekend.

Het geding in hoger beroep
Bij exploot van 20 december 2010 is door WBE hoger beroep ingesteld van het genoemd vonnis, hierna te noemen het beroepen vonnis, met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de zitting van 11 januari 2011.


De beoordeling




2. De vaststaande feiten zijn de volgende:
(i) De WBE is conform de Flora- en Faunawet belast met het wildbeheer op aan haar toegewezen gronden in de gemeente Kampen.
(ii) [geïntimeerde] was van 1975 tot 31 maart 2009 lid van de WBE.
(iii) In de statuten van de WBE is onder meer bepaald:

‘EINDE VAN HET LIDMAATSCHAP
Artikel 9
(…)
8. Ontzetting van het lidmaatschap geschiedt door het bestuur. Betrokkene wordt van een besluit tot ontzetting bij aangetekende brief in kennis gesteld.
9. Ontzetting kan alleen worden uitgesproken wanneer een lid in strijd met de statuten, reglementen of besluiten van de vereniginghandelt of de vereniging op onredelijke wijze benadeelt.
10. Als grond voor ontzetting geldt in ieder geval overtreding van de bepalingen van de Jacht- of Vogelwet, het niet handelen conform de jachtafspraken of het anderszins onduldbare schade toebrengen aan de belangen van de vereniging.
11. Van een besluit tot opzegging van het lidmaatschap door de vereniging op grond dat redelijkerwijs van de vereniging niet gevergd kan worden het lidmaatschap te laten voortduren en van een besluit tot ontzetting uit het lidmaatschap staat de betrokkene binnen vier weken na de ontvangst van de kennisgeving van het besluit beroep open op de algemene vergadering. Hij wordt daartoe ten spoedigste schriftelijk van het besluit met opgave van redenen in kennis gesteld. Gedurende de beroepstermijn en hangende het beroep is het bestuur bevoegd de betrokkene te schorsen. De schorsing vervalt indien een algemene vergadering niet binnen twee maanden na datum van de schorsing, de opzegging of ontzetting heeft bekrachtigd en kanniet worden verlengd.
(…)

5. Leden zijn tot op dit moment noch statutair noch op andere wijze verplicht om naast het genot van de jacht ook schade te bestrijden via een door de WBE verstrekte ontheffing.
(…)
Afspraken
(…)
c. De heer [geïntimeerde] zal in ieder geval op dinsdag en woensdag in het veld zijn om actief schade te bestrijden.
(…).’

(v) Bij brief van 25 februari 2009 is namens het bestuur van de WBE aan [geïntimeerde] het volgende geschreven:

‘Hierbij delen wij u mede dat het bestuur op 21 februari jl. in haar vergadering heeft besloten, u per 31 maart 2009 te ontzetten uit het lidmaatschap van de WBE-jachtvereniging kampen (hierna te noemen WBE).
Dit besluit is genomen op grond van artikel 9, leden 8. 9 en 10 van de statuten van de WBE.
Het bestuur is van mening dat u in redelijkheid niet langer lid kunt blijven van de vereniging, omdat u haar belangen schaadt en de gemaakte afspraken met het bestuur niet nakomt.

Enkele feiten
1. U weigerde in eerste instantie, zoals u aangaf op 21 juli, schade te bestrijden. Dit is uw goed recht, mits u dat vooraf kenbaar maakt aan het bestuur. Uw argumentatie dat niet de grondgebruiker maar u zelf bepaalt wat u doet betreffende schadebestrijding van overzomerende ganzen, is een totaal ongegrond argument.
2. Op of rond 14 juli jl. hebt u de jachtopziener, die in opdracht van het bestuur wel schade bestreed, op zeer onheuse wijze bejegend, alsook een lid van de WBE dat de jachtopziener vergezelde.
3. Door uw handelen de laatste jaren wilden drie grondgebruikers u de toegang weigeren op door hen in gebruik zijnde landerijen, ook voor de jacht in het kader van de Flora&Faunawet (F&F-wet). De voorzitter van de WBE heeft naar deze grondgebruikers toe aangegeven dat dit op voorhand niet mogelijk was.
4. Drie grondgebruikers hebben middels een schrijven in januari jl. aangegeven u niet meer in het veld te willen hebben om schade te bestrijden (…).
5. Op 21 juli jl. hebben we afspraken gemaakt. U beloofdedat u actief twee keer per week alsnog ganzenschade zou bestrijden. Zowel het signaal van de grondgebruikers als uw verplichte rapportage van de FBE Overijssel geven er geen blijk van dat u dit ook inderdaad gedaan hebt (…).
6. Op 4 oktober jl. heeft u gemeld aan de heren [betrokkene 1] en [betrokkene 2] dat u de hele periode van 1 april tot 1 oktober 2008 geen gans heeft geschoten. Uw rapportageformulier gaf aan dat u toen niet de waarheid sprak.


De vordering van [geïntimeerde] als oorspronkelijk eiser:
3. [geïntimeerde]heeft als oorspronkelijk eiser gevorderd dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, het besluit van 21 februari 2009 tot ontzetting van hem uit het lidmaatschap van WBE te vernietigen en WBE te veroordelen deze vernietiging te gehengen en te gedogen, met veroordeling van WBE in kosten van het geding

De beslissing in eerste aanleg:
4. De rechtbank heeft bij het beroepen vonnis overeenkomstig het gevorderde beslist (royement vernietigd).

Met betrekking tot grief 1:
5. Blijkens de toelichting op grief 1 tracht WBE met deze grief in de eerste plaats ingang te doen vinden de redenering dat [geïntimeerde] in zijn vorderingen als oorspronkelijk eiser niet-ontvankelijk dient te worden verklaard op de grond dat [geïntimeerde] in plaats van in beroep te gaan bij de algemene vergadering van het litigieuze besluit tot ontzetting, als voorzien in art. 9 lid 11 van de statuten van WBE, bij het bestuur daartegen bezwaar heeft gemaakt.

6. Het hof kan WBE in die gedachtegang niet volgen. In de eerste plaats kan immers worden vastgesteld dat het gebruik van de term ‘bezwaar’ in plaats van ‘beroep’ blijkens de verdere gang van zaken op dit punt niet tot enig misverstand aanleiding heeft gegeven. Aangezien het bestuur blijkens art. 22 lid 1 eerste zin van de statuten in beginsel de algemene vergadering bijeenroept en blijkens art. 20 lid 1 eerste zin in beginsel de voorzitter van het bestuur van WBE haar leidt, is het aanvaardbaar dat [geïntimeerde] van het litigieuze besluit tot ontzettting beroep aantekende op de wijze zoals hij dat heeft gedaan.

7. Voorts stelt WBE zich – naar het hof begrijpt – op het standpunt dat [geïntimeerde] niet de bevoegdheid toekomt om vernietiging van het eerder genoemde besluit tot ontzetting te vorderen, maar, zo daar gronden voor zouden bestaan, enkel van het besluit van de algemene vergadering van 6 april 2009 tot bekrachtiging van het ligieuze besluit tot ontzetting.

8. Het hof is van oordeel dat de tot vernietiging strekkende vordering van [geïntimeerde] aldus is te verstaan – en naar het oordeel van het hof ook zo door WBE kan en moet worden verstaan en bovendien is verstaan – dat zij strekt tot vernietiging tot het litigieuze besluit tot ontzetting en – als sequeel daarvan – het eerder genoemde besluit van de algemene vergadering tot bekrachtiging ervan. Het hof acht zulks ook in de toewijzing door de rechtbank van het door [geïntimeerde] op dit punt gevorderde besloten.

9. Grief 1 faalt derhalve.

Met betrekking tot grief 2 (gedeeltelijk):
10. Met deze grief wordt in hoger beroep onder meer aan de orde gesteld de aard van de rechterlijke toetsing bij een beroep op de vernietigbaarheid van een besluit van een orgaan van een rechtspersoon op grond van het bepaalde in art. 2:15 lid 1 onder b BW. Art. 2:15 lid 1 aanhef en onder b BW houdt in dat een besluit van een orgaan van een rechtspersoon vernietigbaar is wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in art. 2:8 BW.

11. Hof overweegt daaromtrent het volgende.

12. De rechterlijke toetsing van besluiten aan de redelijkheid en billijkheid, als bedoeld in art. 2:15 lid 1 onder b BW, dient een marginale toetsing te zijn. Het gaat daarbij om de vraag of, zoals de rechtbank in rechtsoverweging 4.4 van het beroepen vonnis terecht heeft overwogen, het bestuur bij de afweging van alle bij het besluit betrokken belangen in redelijkheid en billijkheid tot het besluit heeft kunnen.

13. Voor zover WBE met de grief wenst te betogen dat de rechtbank een verkeerde toetsingsmaatstaf tot uitgangspunt zou hebben genomen, faalt het derhalve.

Met betrekking tot de grieven 2 (voor het overige), 3 en 4:
14. Deze grieven stellen aan de orde de vraag of het litigieuze besluit tot ontzetting al dan niet vernietigbaar is wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid die door art. 2:8 BW worden geëist. Het daaromtrent in de statuten bepaalde is overeenstemming met deze bepaling. 

15. Voorop gesteld moet worden dat ingevolge art. 2:35 lid 3 BW ontzetting van een lid uit diens lidmaatschap van een vereniging alleen kan worden uitgesproken, wanneer een lid in strijd met de statuten, reglementen of besluiten handelt, of de vereniging op onredelijke wijze benadeelt.

16. Het hof constateert dat WBE niet alleen in eerste aanleg, zoals ook de rechtbank in rechtsoverweging 4.5 van het beroepen vonnis heeft geoordeeld, maar ook in hoger beroep niet, althans niet voldoende heeft geconcretiseerd, in welk opzicht [geïntimeerde] in strijd met de statuten, reglementen of besluiten van WBE zou hebben gehandeld. WBE heeft geen bepalingen van de statuten of van enig reglement genoemd en evenmin bepaalde besluiten, in strijd waarmee [geïntimeerde] zou hebben gehandeld. Ook bij pleidooi is desgevraagd geen verduidelijking in dit opzicht gegeven.

17. Resteert te onderzoeken of [geïntimeerde] de vereniging onredelijk heeft benadeeld. Het hof stelt vast dat in hoger beroep geen wezenlijk andere gezichtspunten aan de orde zijn geweest dan die de rechtbank in eerste aanleg te licht heeft bevonden om tot de gevolgtrekking te komen dat [geïntimeerde] de vereniging onredelijk heeft benadeeld, zodat het hof de door de rechtbank in rechtsoverweging 4.8 van het beroepen vonnis gegeven motivering tot de zijne maakt. Het hof voegt daaraan nog toe dat ook desgevraagd bij pleidooi de inhoud van de afspraak van 21 juli 2008 niet zodanig is verduidelijkt dat de gevolgtrekking kan worden gemaakt dat [geïntimeerde] zich bij die afspraak heeft verbonden om uitsluitend of bij voorkeur het middel van afschot te hanteren.

18. De grieven 2 (voor het overige), 3 en 4 treffen derhalve evenmin doel.

Met betrekking tot grief 5:
19. Met grief 5 komt WBE op tegen het oordeel van de rechtbank dat de overige in het onderhavige geval spelende omstandigheden met betrekking tot de ontzetting van [geïntimeerde] gemotiveerd zijn weersproken en dat WBE heeft nagelaten heeft andere feiten en omstandigheden aan te voeren waaruit blijkt dat WBE onduldbare schade heeft geleden.

20. Het hof leest in grief 5 en in de daarop gegeven toelichting geen andere relevante stellingen of verweren dan die reeds in eerste aanleg waren aangevoerd en door de rechtbank in rechtsoverweging 4.10 van het beroepen vonnis gemotiveerd zijn verworpen. Het hof neemt daarom die motivering over.

21. Grief 5 leidt derhalve ook niet tot het beoogde doel.

De slotsom.
22. Het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd met veroordeling van WBE als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde]. De kosten zullen wordenberekend naarhet liquidatietarief voor de hoven (tarief II, 1 pt.à € 894).De beslissing
Het gerechtshof:

bekrachtigt het beroepen vonnis;

Onterechte ontzetting uit lidmaatschap (royement)

Rb. Zwolle, 13-10-2010, LJN BR3090 (eiser /WBE)

Vonnis van 13 oktober 2010
in de zaak van
[eiser], tegen
de vereniging WILDBEHEEREENHEID JACHTVERENIGING KAMPEN,

Partijen zullen hierna [eiser] en de WBE genoemd worden.

2. De feiten
2.1. De WBE is conform de Flora- en Faunawet belast met het wildbeheer op aan haar toegewezen gronden in de gemeente Kampen.

2.2. [eiser] was van 1975 tot 31 maart 2009 lid van de WBE.

2.3. In de statuten van de WBE is onder meer bepaald:

“EINDE VAN HET LIDMAATSCHAP
Artikel 9
[…]
8. Ontzetting van het lidmaatschap geschiedt door het bestuur. Betrokkene wordt van een besluit tot ontzetting bij aangetekende brief in kennis gesteld.
9. Ontzetting kan alleen worden uitgesproken wanneer een lid in strijd met de statuten, reglementen of besluiten van de vereniging handelt of de vereniging op onredelijke wijze benadeelt.
10. Als grond voor ontzetting geldt in ieder geval overtreding van de bepalingen van de Jacht- of Vogelwet, het niet handelen conform de jachtafspraken of het anderszins onduldbare schade toebrengen aan de belangen van de vereniging.”

2.4. De voorzitter van het bestuur van de WBE heeft in een brief aan de leden van 4 augustus 2008 onder meer het volgende geschreven:

“Algemeen
[…]
1. Het genot van de jacht wordt door de WBE gehuurd van de NV Kampereiland (gemeente Kampen) en aan de leden volgens de regels van de statuten verdeeld.
2. Het schadebestrijden, van dieren die nietbejaagd mogen worden volgens de F&F wet, kan alleen gebeuren door jachtaktehouders op basis van een grondgebruikersverklaring. Onze WBE heeft van de meeste grondgebruikers op Kampereiland zulk een verklaring en geeft door middel van een ontheffing van de FBE (Prov. Overijssel) aan haar leden en zonodig de jachtopziener toestemming om de overzomerende- en overwinterende ganzen, met ondersteuning van het geweer, deze te verjagen om landbouwschade te voorkomen.
3. […]
4. […]
5. Leden zijn tot op dit moment noch statutair noch op andere wijze verplicht om naast het genot van de jacht ook schade te bestrijden via een door de WBE verstrekte ontheffing.

[…]
Afspraken
[…]
c. De heer [eiser] zal in ieder geval op Dinsdag en Woensdag in het veld zijn om actief schade te bestrijden.
[…]”

2.5. Bij brief van 25 februari 2009 is namens het bestuur van de WBE aan [eiser] het volgende geschreven:
“Hierbij delen wij u mede dat het bestuur op 21 februari jl. in haar vergadering heeft besloten, u per 31 maart 2009 te ontzetten uit het lidmaatschap van de WBE-jachtvereniging kampen (hierna te noemen WBE).
Dit besluit is genomen op grond van artikel 9, leden 8. 9 en 10 van de statuten van de WBE.
Het bestuur is van mening dat u in redelijkheid niet langer lid kunt blijven van de vereniging, omdat u haar belangen schaadt en de gemaakte afspraken met het bestuur niet nakomt.

Enkele feiten
1. U weigerde in eerste instantie, zoals u aangaf op 21 juli, schade te bestrijden. Dit is uw goed recht, mitsu dat vooraf kenbaar maakt aan het bestuur. Uw argumentatie dat niet de grondgebruiker maar u zelf bepaalt wat u doet betreffende schadebestrijding van overzomerende ganzen, is een totaal ongegrond argument.
2. Op of rond 14 juli jl. hebt u de jachtopziener, die in opdracht van het bestuur wel schade bestreed, op zeer onheuse wijze bejegend, alsook een lid van de WBE dat de jachtopziener vergezelde.
3. Door uw handelen de laatste jaren wilden drie grondgebruikers u de toegang weigeren op door hen in gebruik zijnde landerijen, ook voor de jacht in het kader van de Flora&Faunawet (F&F-wet). De voorzitter van de WBE heeft naar deze grondgebruikers toe aangegeven dat dit op voorhand niet mogelijk was.
4. Drie grondgebruikers hebben middels een schrijven in januari jl. aangegeven u niet meer in het veld te willen hebben om schade te bestrijden (…).
5. Op 21 juli jl. hebben we afspraken gemaakt. U beloofde dat u actief twee keer per week alsnog ganzenschade zou bestrijden. Zowel het signaal van degrondgebruikers als uw verplichte rapportage van de FBE Overijssel geven er geen blijk van dat u dit ook inderdaad gedaan hebt (…).
6. Op 4 oktober jl. heeft u gemeld aan de heren [A] en [B] dat u de hele periode van 1 april tot 1 oktober 2008 geen gans heeft geschoten. Uw rapportageformulier gaf aan dat u toen niet de waarheid sprak.

Verder overwegende dat:
* u hebt gehandeld in strijd met de verleende ontheffing van de WBE/FBE;
* u de gemaakte afspraken met het bestuur niet bent nagekomen;
* u ons op basis van onwaarheden hebt geïnformeerd;
* terzijde ook is aangegeven dat u eerder een boete van de WBE hebt gehad wegens een overtreding van de ontheffingsvoorwaarden in het kader van de schadebestrijding, van overwinterende ganzen, waarvoor u ook bent veroordeeld, door de Rechtbank Zwolle-Lelystad maar dan in het kader van de F&F wet.
* tevens terzijde is aangegeven dat u in een geschil in de combinatie 3-4 niet constructief wilde meewerken bij de bemiddeling door een onafhankelijke persoon die door het bestuur daarvoor was gevraagd.
[…]”

2.6. [eiser] heeft in een brief van 19 maart 2009 bij het bestuur van de WBE bezwaar gemaakt tegen het besluit om hem uit zijn lidmaatschap te ontzetten. 

2.7. In een brief van 27 maart 2009 heeft het bestuur van de WBE alle leden van de WBE opgeroepen voor een Algemene ledenvergadering op 6 april 2009 en voorts onder meer geschreven:
“Op deze Algemene ledenvergadering zal u nader worden ingelicht over het bestuursbesluit betreffende de ontzettinguit het lidmaatschap conform de statuten van
de heer [eiser] (…).
De heer [eiser] heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om binnen 4 weken na ontvangst in beroep te gaan bij de Algemene ledenvergadering.
Wel is er een brief gedateerd 19-03-2009, bij het bestuur binnengekomen van mevrouw
Mr. [C], waarin zij namens dhr. [eiser] het bestuursbesluit aanvecht. (…)
De inhoud van de brief is geen aanleiding geweest om als bestuur bij elkaar te komen en ons standpunt te veranderen. (…)
We doen een dringend beroep op u, om op deze ledenvergadering aanwezig te zijn, want de besluitvorming van de leden, of het bestuur dhr. [eiser] al dan niet terecht het lidmaatschap heeft ontzet, kan verregaande gevolgen hebben voor de toekomst van de WBE.”

2.8. Tijdens de Algemene ledenvergadering van de WBE op 6 april 2009 is [eiser] in de gelegenheid gesteld zijn bezwaar tegen het bestuursbesluit toe te lichten. Vervolgens hebben de leden gestemd over bekrachtiging van genoemd bestuursbesluit. 
Het proces-verbaal van de stemming vermeldt:

“Uitslag van de stemming
Aanwezig zijn 23 leden, waarvan er 23 aan de stemming deelnemen. Deze zijn allen stemgerechtigd. De heer [eiser] neemt geen deel aan de stemming. De stemming geschiedt schriftelijk.

De uitslag van de stemming is als volgt.
* Totaal uitgebracht stemmen: 23
* Voor bekrachtiging van het bestuursbesluit van 21 februari 2009 15
* Tegen bekrachtiging van het bestuursbesluit 6
* Blanco stemmen 2
De stemmingscommissie is unaniem over de uitslag van de stemming. De voorzitter heeft de adviseur van de heer [eiser], mevrouw [C], inzage gegeven in de stembriefjes. Zij heeft aangegeven dat zij instemt met de telling van de stemmen.”

3. Het geschil
3.1. [eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. het besluit van 21 februari 2009 tot ontzetting van [eiser] uit het lidmaatschap van de WBE zal vernietigen en de WBE zal veroordelen deze vernietiging te gehengen en te gedogen;
II. de WBEzal veroordelen in de kosten van deze procedure.

3.2. [eiser] baseert zijn vordering op de stelling dat het bestuur van de WBE zijn besluit om hem te ontzetten uit het lidmaatschap op onjuiste feiten en omstandigheden heeft gebaseerd en een onjuiste afweging van belangen heeft gemaakt. [eiser] voert aan dat hij niet heeft gehandeld in strijd metde reglementen en statuten van de WBE en dat hij de WBE niet onredelijk heeft benadeeld. [eiser] beroept zich op artikel 2:15 lid 1 sub a. en b. BW. 

3.3. DeWBE voert primair aan dat het besluit om [eiser] uit het lidmaatschap te ontzetten tot stand is gekomen overeenkomstig de formele regels uit de wet en statuten.
Subsidiair voert zij aan dat [eiser] herhaaldelijk heeft gehandeld in strijd met de statuten, reglementen en besluiten van de WBE. Doel van de WBE is het wildbeheer op de haar toegewezen jachtgronden op het Kampereiland. De schadebestrijding is daarvan een wezenlijk onderdeel. Een goede verstandhouding met de grondgebruikers is noodzakelijk, aangezien schadebestrijding slechts is toegestaan indien de grondgebruikers een grondgebruikersverklaring afgeven waarin zij ontheffing verlenen om op de door hen gebruikte gronden schade te bestrijden. Doordat [eiser], ondanks gemaakte afspraken, niet op effectieve wijze aan schadebestrijding heeft gedaan, hebben drie grondgebruikers aan [eiser] geen ontheffing meer willen verlenen om aan schadebestrijding te doen. Het belang van de WBE is daardoor geschaad en de continuïteit van de jacht in gevaar gebracht.
Voorts voert de WBE onder meer aan dat [eiser] op 14 juli 2008 de jachtopziener, [D], onheus heeft bejegend en dat [eiser] (in 2002) door de rechtbank Zwolle-Lelystad schuldig is verklaard aan overtreding van de Flora- en Faunawet.

4. De beoordeling
artikel 2:15 lid 1 sub a. BW
4.1. Ingevolge artikel 2:15 lid 1 sub a. BW is een besluit van een orgaan van een rechtspersoon vernietigbaar wegens strijd met wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen. 

4.2. [eiser] stelt dat op de ledenvergadering van de WBE op 6 april 2009 slechts 15 leden vóór de ontzetting van [eiser] uit zijn lidmaatschap hebben gestemd. Dat is nog geen 40% van de 38 verenigingsleden. Volgens [eiser] waren 13 leden niet aanwezig wegens gebrek aan vertrouwen in het bestuur en heeft een aantal van deze laatste leden schriftelijk aan het bestuur te kennen gegeven tegen de ontzetting van [eiser] uit zijn lidmaatschap te zijn. De WBE heeft dus besloten zijn ontzetting uit het lidmaatschap te handhaven in de wetenschap dat minder dan de helft van de leden daar daadwerkelijk achter stond, aldus [eiser].

4.3. Uit de stukken blijkt dat de gang van zaken rond het besluit tot ontzetting van [eiser] uit zijn lidmaatschap als volgt is geweest:
– Het bestuursbesluit tot ontzetting van 21 februari 2009 is schriftelijk, met vermelding van de gronden, aan [eiser] meegedeeld (bij brief van 25 februari 2009);
– [eiser] heeft (bij brief van 19 maart 2009) bij het bestuur bezwaar ingediend tegen voormeld besluit;
– Het bestuur heeft in een brief van 27 maart 2009 een Algemene ledenvergadering bijeengeroepen op 6 april 2009 met de aankondiging dat het bestuursbesluit betreffende de ontzetting uit het lidmaatschap door [eiser] wordt bestreden en een dringend verzoek aan de leden aanwezig te zijn;
– [eiser] is tijdens deze Algemene ledenvergadering in de gelegenheid gesteld zijn bezwaar toe te lichten en zijn standpunt uiteen te zetten;
– Tijdens de ledenvergadering zijn 15 stemmen vóór, twee blanco en 6 tegenbekrachtiging van het bestuursbesluit van 21 februari 2009 uitgebracht.
Uit deze gang van zaken blijkt dat het bestuursbesluit met een meerderheid van stemmen door de Algemene vergadering is bekrachtigd. Niet is gebleken dat het besluit van de algemene ledenvergadering in strijd met de statuten tot stand is gekomen. Het beroep op vernietiging op grond van artikel 2:15 lid 1 sub a. faalt derhalve.

artikel 2:15 lid 1 sub b. BW
4.4. Op grond van de wet alsmede op grond van de statuten van de WBE kan ontzetting uit het lidmaatschap slechts geschieden indien een lid (a.) in strijd met de statuten, reglementen of besluiten van de vereniging handelt of (b.) de vereniging op onredelijke wijze benadeelt. Toetsingsmaatstaf is de vraag of het bestuur bij de afweging van alle bij het besluit betrokken belangen in redelijkheid en naar billijkheid tot het besluit heeft kunnen komen.

a. strijd met statuten, reglementen of besluiten van de vereniging
4.5. De WBE betoogt dat [eiser] herhaaldelijk heeft gehandeld instrijd met de statuten, reglementen en besluiten van de vereniging. Uit hetgeen de WBE heeft aangevoerd blijkt dat zij [eiser] met name verwijt dat hij niet (voldoende effectief) de bestrijding van schadelijke diersoorten ter hand neemt. Echter, zowel in haar brief van 4 augustus 2008 aan de leden, als in haar brief van 25 februari 2009 aan [eiser] schrijft de WBE dat schadebestrijding geen verplichting is voor de leden. De enkele omstandigheid dat [eiser] – althans in de ogen van de WBE – niet op effectieve wijze aan schadebestrijding doet, kan dan ook geen grond vormen voor ontzetting uit het lidmaatschap van de WBE wegens strijd met statuten, reglementen of besluiten.
De WBE heeft verder in het geheel niet geconcretiseerd welke specifieke bepalingen in statuten, reglementen of besluiten [eiser] heeft geschonden. Voor zover het besluit van de WBE is gegrond op de stelling dat [eiser] daarmee in strijd heeft gehandeld, heeft de WBE dan ook niet in redelijkheid en billijkheid tot dit besluit kunnen komen.

b. onredelijke benadeling
4.6. De WBE heeft met name aan haar besluit ten grondslag gelegd dat [eiser], ondanks gemaakte afspraken om actief schade te bestrijden, wildschade (door met name ganzen) niet wil bestrijden door afschot. [eiser] heeft bovendien onjuiste mededelingen gedaan over door hem geschoten ganzen, althans die mededelingen komen niet overeen met hetgeen hij heeft vermeld op zijn rapportageformulier. Voorts zijn er klachten binnengekomen van grondgebruikers. Drie van de grondgebruikers hebben verklaard aan [eiser] geen ontheffing meer te verlenen om aan schadebestrijding te doen. Hierdoor kan de WBE haar doel, het wildbeheer, niet goed behartigen. Door de houding van [eiser] is de relatie met de grondgebruikers verstoord en het belang van de WBE geschaad, aldus steeds de WBE.

4.7. [eiser] erkent dat hij in het broedseizoen schadelijke ganzen liever verjaagt door met zijn scooter en jachthond het veld in te gaan dan door afschot. Na het broedseizoen, in de maanden juli tot en met september, mijdt hij naar zijn zeggen het middel van afschot niet. [eiser] betwist dat hij verplicht is schade te bestrijden door afschot. Hij stelt zich aan de afspraken omtrent de schadebestrijding te hebben gehouden, maar daarbij zoveel mogelijk het middel van verjagen – in plaats van bejagen – te hebben toegepast.
[eiser] stelt voorts dat een conflict is ontstaan nadat de jachtschappen 3 en 4 zijn samengevoegd. [eiser] heeft zelf in het verleden gejaagd op jachtschap 4, dat in 2003 is samengevoegd met jachtschap 3. Na de samenvoeging zijn problemen ontstaan tussen [eiser], die verantwoordelijk was voor de activiteiten van jachtschap 4 en [E], die verantwoordelijk was voor jachtschap 3 en die tevens secretaris was van de WBE. Volgens [eiser] hebben alleen grondgebruikers uit het voormalige jachtschap 3, het (voormalige) gebied van [E], over [eiser] geklaagd en zijn ontheffing voor de schadebestrijding ingetrokken en hebben de grondgebruikers uit jachtschap 4 – ook in het verleden – nooit over hem geklaagd. [eiser] stelt zelf nooit klachten te hebben ontvangen van grondgebruikers.

4.8. De rechtbank overweegt dat een zwaardere verenigingsrechtelijke sanctie dan een ontzetting niet denkbaar is. Ontzetting is een besluit met een disciplinair of tuchtrechtelijk en tevens onterend karakter. In dat licht zijn de omstandigheid dat drie grondgebruikers de ontheffing voor [eiser] voor schadebestrijding hebben ingetrokken alsmede de verstoorde verhouding met deze grondgebruikers naar het oordeel van de rechtbank niet vandien aard dat daardoor onduldbare schade is toegebracht aan de vereniging en dat een daarop gebaseerd besluit tot ontzetting – waardoor [eiser] zowel persoonlijk als in zijn hoedanigheid van jager ernstig in zijn belangen wordt geschaad – gerechtvaardigd is.
In dit oordeel weegt de rechtbank mee dat schadebestrijding door de leden op grond van de statuten van de WBE niet verplicht is en dat het bestuur (zoals het vermeldt in zijn brief van 4 augustus 2008) aan de jachtopzichter kan vragen om schade te bestrijden, indien in een bepaald jachtschap niets of te weinig wordt gedaan aan de schadebestrijding. Voorts wordt meegewogen dat de WBE erkent in (punt 8 van) de conclusie van antwoord dat de moeilijkheden binnen de samengevoegde jachtschappen 3 en 4 niet alleen zijn veroorzaakt door [eiser]. Deze problemen dienen dan ook niet uitsluitend [eiser] aangerekend te worden.

4.9. De WBE heeft verder nog aangevoerd: 
1. dat [eiser] de jachtopziener en een lid van de WBE op 14 juli 2008 onheus heeft bejegend,
2. dat [eiser] in strijd met de verleende ontheffing van de WBE/FBE heeft gehandeld,
3. dat [eiser] in 2002 een boete opgelegd heeft gekregen door de WBE wegens een overtreding van de ontheffingsvoorwaarden in het kader van de schadebestrijding (en hiervoor door de rechtbank Zwolle-Lelystad is veroordeeld in het kader van de F&F wet),
4. dat [eiser] een moeilijk persoon is die onhoudbaar is als lid van de WBE.
ad 1.
[eiser] betwist dat hij iemand onheus zou hebben bejegend. Hij stelt dat hij alleen zijn verbazing heeft uitgesproken over het feit dat de jachtopziener voornemens was schade te gaan bestrijden in aanwezigheid van een derde.
ad 2.
[eiser] heeft aangevoerd dat niet duidelijk is in strijd met welke ontheffing hij heeft gehandeld.
ad 3.
In verband met de boete in 2002 voert [eiser] aan dat hij destijds van de rechtbank Zwolle-Lelystad geen straf opgelegd heeft gekregen en dat de gebeurtenis inmiddels meer dan zeven jaar geleden heeft plaatsgevonden.
ad 4.
[eiser] heeft aangevoerddat hij al sinds 1975, dus al 35 jaar, lid is van de WBE en dat de huidige problemen zijn ontstaan na samenvoegen van de jachtschappen 3 en 4. Volgens hem is de WBE op de hoogte van de verhoudingen van haar leden onderling sinds de samenvoeging van deze jachtschappen.

4.10. De rechtbank overweegt dat [eiser] de hiervoor in rechtsoverweging 4.9. genoemde punten gemotiveerd heeft weersproken. Het had derhalve op de weg van de WBE gelegen om met betrekking tot deze punten – wat daar ook verder van zij – nadere feiten of omstandigheden aan te voeren waaruit kan volgen dat daardoor onduldbare schade is toegebracht aan de WBE. Nu de WBE dat heeft nagelaten, heeft zij onvoldoende feiten of omstandigheden gesteld die leiden tot de conclusie dat onduldbare schade is toegebracht aan de vereniging.

4.11. Uit het vorenstaande volgt dat naar het oordeel van de rechtbank de WBE niet voldoende onderbouwd heeft gesteld dat haar belangen door [eiser] zo ernstig en onredelijk zijn benadeeld, dat daardoor de maatregel van ontzetting uit het lidmaatschap – die voor [eiser] niet alleen diffamerend is maar ook tot gevolg heeft dat hij niet meer kan jagen – gerechtvaardigd is. De WBE heeft derhalve bij afweging van alle bij het besluit betrokken belangen in redelijkheid en naar billijkheid niet tot de maatregel van ontzetting kunnen komen.

5. De beslissing
De rechtbank

5.1. vernietigt het besluit van 21 februari 2009 tot ontzetting van [eiser] uit het lidmaatschap van de WBE en veroordeelt de WBE deze vernietiging te gehengen en te gedogen;

Stichting geroyeerd als lid

Rb. Zwolle, 29-12-2010, LJN BO9237 Stichting NOP / Vereniging VOND




Stichting NOP ( Stichting Nederlands Opvangcentrum voor papegaaien) was lid van vereniging VOND, (Vereniging Opvangcentra van niet gedomesticeerde dieren). Na een uitzending van tv programma Radar over NOP, heeft het bestuur van VOND een onderzoek laten verrichten door Dorrestijn. Op basis van dat rapport besluit het bestuur van VOND om NOP te ontzetten uit het lidmaatschap (royeren).



… 2.18. Aan het eind van de op 11 juli 2009 gehouden algemene ledenvergadering van 
VOND, in welke vergadering het beroep van NOP tegen het besluit tot ontzetting is 
behandeld, heeft de voorzitter meegedeeld dat de ledenvergadering het besluit van het 
bestuur tot ontzetting van NOP uit het lidmaatschap van VOND heeft bekrachtigd. …




4. De beoordeling 

4.1. De grondslag van de vorderingen van NOP is het standpunt dat zowel het besluit 
van het bestuur van 15 mei 2009 als het besluit van de algemene ledenvergadering van 11 
juli 2009 vernietigbaar is op grond van artikel 2: 15 lid 1 sub b van het Burgerlijk Wetboek 
(BW), omdat beide besluiten zijn genomen in strijd met onder meer de norm van 
redelijkheid en billijkheid zoals bedoeld in artikel 2:8 lid 1 BW. 




4.2. NOP heeft ter onderbouwing van haar standpunt onder meer aangevoerd dat het 
besluit van 15 mei 2009 niet is genomen door het bestuur van VOND zoals dat volgens de 
inschrijving in het handelsregister van de Kamer van Koophandel was samengesteld, dat het 
bestuur van VOND het fundamentele beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden en 
dat de motivering van (de inhoud van) het besluit de toets der kritiek niet kan doorstaan. 
NOP meent dat het besluit van 15 mei 2009 door de algemene ledenvergadering van VOND 
vernietigd had moeten worden, omdat het besluit is genomen in strijd met de wettelijke 
en/of statutaire bepalingen omtrent de wijze van tot stand komen van besluiten en wat 
betreft de inhoud zozeer in strijd met de redelijkheid en billijkheid is dat een behoorlijk 
bestuur dit niet had behoren te nemen en een goed functionerende algemene 
ledenvergadering het besluit had dienen te vernietigen. 

4.3. De rechtbank overweegt dat uit het bepaalde in artikel 2: 15 lid 1 BW volgt dat een 
besluit van een orgaan van een rechtspersoon vernietigbaar is wegens (onder meer) strijd 
met de redelijkheid en billijkheid die door altikel2:8 BW worden geëist. 
De kern van het geschil tussen partijen betreft de vraag of het bestuur van VOND bij 
afweging van àlle bij het besluit betrokken belangen van de in artikel 2:8 BW bedoelde 
personen in redelijkheid en naar billijkheid tot het besluit tot ontzetting van NOP uit haar 
lidmaatschap heeft kunnen komen. Hierbij is van belang dat bij de beoordeling of zich een 
grond tot ontzetting voordoet, aan het hiertoe bevoegde orgaan een marge van vrijheid 
toekomt. Indien lichtvaardig wordt besloten tot ontzetting wordt gehandeld in strijd met de 
normen van de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in artikel 2:8 BW. 


4.4. De rechtbank stelt vast dat VOND zelf, na de uitzending van Radar op 12 januari 
2009, haar besluitvorming over deze kwestie (mede) afhankelijk heeft gesteld van de 
uitkomsten van het onderzoek van Dorresteijn. Dit volgt uit de hiervoor in rechtsoverweging 
2.8 deels geciteerde mededeling van VOND op haar website en ook uit de motivering van 
het besluit tot ontzetting zoals die is opgenomen in de brief van 15 mei 2009. 

4.5. De rechtbank is van oordeel dat het rapport van Dorresteijn zich nauwelijks leent 
voor een korte samenvatting. Enkel in het geval het rapport in zijn geheel wordt gelezen en 
(de uitgebreide weergave van) de bevindingen en de conclusies van Dorresteijn in onderling 
verband en samenhang worden beoordeeld, wordt de nuance van het rapport duidelijk. Om 
die reden heeft de rechtbank grote delen van het rapport van Dorresteijn in dit vonnis 
geciteerd. 

4.6. VOND verbindt, zoals onder meer volgt uit de brief van 15 mei 2009 en de in deze 
procedure door VOND geponeerde stellingen, aan de bevindingen van Dorresteijn de 
gevolgtrekking dat er sprake is van misstanden binnen NOP en dat het welzijn van bij NOP 
opgevangen dieren in gevaar is, terwijl Dorresteijn zelf deze conclusies juist niet 
gerechtvaardigd acht. Dit laatste blijkt niet alleen uit zijn rapport van 29 maart 2009, maar 
ook uit de (ongedateerde) schriftelijke verklaring van Dorresteijn die is overgelegd als 
productie 17 bij dagvaarding. 

4.7. De rechtbank deelt daarom noch het standpunt van VOND dat het rapport van 
Dorresteijn het bestaan van (ernstige) misstanden bij NOP bevestigt, noch het standpunt dat 
het rapport van Dorresteijn de conclusie rechtvaardigt dat het welzijn van de bij NOP 
opgevangen dieren in gevaar is. De aanbevelingen van Dorresteijn zien niet op het opheffen 
van misstanden bij NOP, maar zien in belangrijke mate op aanpassing van de registratie van 
de (verschillende categorieën) opgevangen dieren ter verbetering van de beeldvorming over 
NOP, welke beeldvorming waar het gaat om het welzijn van de opgevangen dieren, door de 
gebrekkige wijze van registratie van de betreffende dieren zo negatief heeft kunnen worden. 

4.8. Door (ook naar derden toe) mee te delen dat de besluitvorming over de ontzetting 
is gebaseerd op het rapport van Dorresteijn, terwijl voor de daarbij door VOND gebruikte 
argumenten geen (voldoende) steun te vinden is in het rapport van Donesteijn, heeft het 
bestuur van VOND naar het oordeel van de rechtbank de eisen van de redelijkheid en 
billijkheid zoals die voortvloeien uit artikel 2:8 BW, onvoldoende in acht genomen.
 

4.9. De rechtbank acht hierbij tevens van belang dat VOND heeft nagelaten om de 
conclusies die zij uit het rapport van Dorresteijn trok en de sanctie die zij daaraan wenste te 
verbinden, met NOP te bespreken alvorens het besluit tot ontzetting te nemen.
VOND heeft 
daarmee het belang van NOP om zich tegen een voorgenomen besluit tot ontzetting – een 
verstrekkend besluit waarvan VOND kon weten dat het mogelijk (imago)schade zou kunnen 
veroorzaken – te verdedigen, uit het oog verloren. 

4.10. VOND heeft aldus eveneens onvoldoende rekening gehouden met het 
gerechtvaardigde belang van NOP om aan de gestelde bezwaren tegen het voortbestaan van 
haar lidmaatschap tegemoet te komen teneinde de ontzetting te voorkomen. 
Dit klemt temeer nu ook VOND zelf ruimte ziet voor een (hernieuwd) lidmaatschap van 
NOP mits NOP voldoende aan de eisen van VOND tegemoet komt. Zo stelt VOND in de 
conclusie van antwoord (pag. 18) immers: “[. .. ] dat, indien NOP zich opnieuw als lid van 
VOND aanmeldt, voorwaarde niet alleen is dat NOP uitvoering heeft gegeven aan de 
aanbevelingen uit het rapport Dorresteijn, maar ook dat duidelijk is dat zij volledig voldoet 
aan de voorwaarden die VOND stelt, zoals onder meer neergelegd in de Gedragscode uit 
2003.” 
Bovendien is VOND, hoewel zij in haar HR een regeling heeft opgenomen ter waarborging 
van de kwaliteit van de classificatie die aan VOND-leden bij toetsing aan de gedragscode is 
toegekend, nimmer tot hertoetsing van (de classificatie van) NOP overgegaan. Kennelijk 
zag VOND in de kritische geluiden die haar in de loop der jaren over NOP hebben bereikt 
(zie de bestuursmededeling op de website r.o. 2.8.) geen aanleiding om tot hertoetsing van 
het lidmaatschap van NOP over te gaan. Niet valt in te zien waarom diezelfde kritische 
geluiden nu onmiddellijk tot de verstrekkende maatregel van ontzetting zouden moeten 
leiden, terwijl het rapport van de onafhankelijke deskundige Dorresteijn – van welk rapport 
VOND haar besluitvorming liet afhangen – geen (voldoende) steun biedt voor die kritiek. 

4.11. Opmerking verdient nog het volgende. 
Het onderzoek van Dorresteijn heeft zich niet uitgestrekt tot de vraag of NOP voldoet aan de 
voorwaarden die voortvloeien uit het lidmaatschap van VOND. Dorresteijn heeft de situatie 
bij NOP dan ook niet getoetst aan de gedragscode van VOND. 
Uit het in deze procedure gevoerde partijdebat komt naar voren dat VOND het rapport van 
Dorresteijn mede heeft gebruikt om enkele in dat rapport vermelde feiten en omstandigheden wel langs de meetlat van de gedragscode van VOND te leggen. Het VOND is daarbij tot de conclusie gekomen dat NOP niet aan de eisen uit de gedragscode voldoet (zie de in LO. 2.14 bedoelde bijlage bij de brief van 15 mei 2009 en het als productie 15 bij dupliek overgelegde interne advies van VOND ten behoeve van haar bestuursvergadering van 8 mei 2009). 
VOND heeft in dit kader terecht gesteld dat het haar als vereniging vrijstaat om striktere 
maatstaven te hanteren voor het lidmaatschap van haar leden (bijvoorbeeld afspraken over 
specialisatie) dan de maatstaven waarvan Dorresteijn is uitgegaan. VOND heeft echter naar 
het oordeel van de rechtbank miskend dat zij binnen de ruimte van de haar te laten 
beleidsvrijheid in redelijkheid niet tot het besluit tot ontzetting van NOP (die al sinds 2000 
lid is) had mogen komen op grond van die striktere maatstaven zonder daarbij hoor en 
wederhoor toe te passen en NOP de gelegenheid te bieden te voldoen aan de voorwaarden 
die VOND voorstaat. 

4.12. VOND heeft weliswaar gesteld dat in bestuursvergaderingen de vertegenwoordiger 
van NOP regelmatig op allerlei zaken is aangesproken – welke stelling door NOP deels is 
betwist – en dat NOP ook vaak informeel door bij VOND betrokken personen is benaderd, 
maar vast staat dat VOND vóór de brief van 15 mei 2009 nimmer op zodanige wijze kritiek 
op (de organisatie van) NOP heeft geuit dat NOP hieruit had kunnen afleiden dat ontzetting 
uit het lidmaatschap overwogen werd. Bovendien verliest VOND hierbij uit het oog dat 
individuele leden niet met VOND vereenzelvigd kunnen worden; datzelfde geldt voor de 
directeur van Stichting Aap. 

4.13. Voorgaande overwegingen leiden tot de slotsom dat de vorderingen van NOP voor 
toewijzing in aanmerking komen. Dit betekent dat de overige stellingen van partijen, 
waaronder die over de samenstelling van het bestuur van VOND en de inschrijving van 
bestuursleden bij de Kamer van Koophandel, verder onbesproken kunnen blijven. 


5. De beslissing 

De rechtbank 

5.1. vernietigt het op 15 mei 2009 door het bestuur van VOND genomen besluit tot 
ontzetting van NOP uit het lidmaatschap; 

5.2. vernietigt het op 11 juli 2009 genomen besluit van de algemene ledenvergadering 
van VOND tot bekrachtiging van het onder 5.1. bedoelde besluit;