Dwangsommen onjuist gebruik “geroyeerden”

Hof ‘s-Hertogenbosch 12 maart 2013 LJN BZ4043 (Kring Vrienden)
en Voorzieningenrechter Rechtbank ‘s-Hertogenbosch 23 juli 2012, LJN BX2731

Royement van leden is in eerder vonnis vernietigd, toen is verbod onder dwangsom  opgelegd aan vereniging om uitlatingen te doen die eer en goede naam van de oud-leden aantasten. Vereniging noemt oud-leden “geroyeerden” in jaarverslag en nieuwsbericht. Dit is onjuist, onnodig en heeft een negatieve lading, echter toch geen dwangsommen verbeurd volgens Hof, wel eerder volgens rechtbank (E 40.000,- aan dwangsommen).


arrest van 12 maart 2013
in de zaak van
de vereniging Kring Vrienden van [vestigingsplaats],
tegen:
1. [Geintimeerde sub 1.] c.s. ,

op het bij exploot van dagvaarding van 15 augustus 2012 ingeleide hoger beroep van het door de voorzieningenrechter van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch gewezen vonnis van 23 juli 2012 tussen appellante – de Vereniging – als eiseres en geïntimeerden – gezamenlijk: [geintimeerde sub 1.] c.s. – als gedaagden.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 248481/KG ZA 12-395)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft de Vereniging tien grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot toewijzing alsnog van haar vordering met hoofdelijke veroordeling van [geintimeerde sub 1.] c.s. om aan de Vereniging terug te betalen het krachtens het vonnis aan [geintimeerde sub 1.] c.s. betaalde bedrag van € 41.083,– met rente.

2.2. Bij memorie van antwoord hebben [geintimeerde sub 1.] c.s. onder overlegging van een productie de grieven bestreden.

2.3. De Vereniging heeft een akte genomen.

2.4. [geintimeerde sub 1.] c.s. hebben een antwoordakte met productie genomen.

2.5. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1 Geen grieven zijn gericht tegen de feiten, zoals weergegeven in onderdeel 2 van het beroepen vonnis. Het hof zal daar derhalve vanuit gaan. Voor de leesbaarheid van dit arrest zal het hof hierna de relevante feiten kort weergeven.

a. [geintimeerde sub 1.] c.s. zijn lid geweest van de Vereniging. Zij zijn op 25 juni 2010 tijdens de algemene ledenvergadering (ALV) van de Vereniging geroyeerd. [geintimeerde sub 1.] c.s. zijn tegen dit besluit in beroep gekomen bij de ALV. De ALV heeft op 26 januari 2011 het beroep van [geintimeerde sub 1.] c.s. ongegrond verklaard.

b. [geintimeerde sub 1.] c.s. hebben vervolgens de Vereniging en haar toenmalige voorzitter [oud-voorzitter van de Vereniging] (hierna: [oud-voorzitter van de Vereniging]) gedagvaard voor de rechtbank ’s-Hertogenbosch en hebben voor zover thans van belang kort weergegeven gevorderd voor recht te verklaren dat het royementsbesluit nietig is en dat bepaalde uitlatingen van de voormalige voorzitter op de ALV van 25 juni 2010 onrechtmatig zijn geweest. Voorts hebben zij een verbod gevorderd tot het doen van uitlatingen die [geintimeerde sub 1.] c.s. in hun eer en goede naam aantasten en gevorderd dat [geintimeerde sub 1.] c.s. hersteld worden in hun lidmaatschapsrechten.

c. De rechtbank heeft bij vonnis van 7 december 2011 (zaaknr. 220902/HA ZA 10-2538, prod. 1 inl. dagv.) onder meer beslist:

“5.1. verklaart nietig het besluit van de Vereniging, genomen op of omstreeks 25 juni 2010 door haar bestuur en bekrachtigd in beroep op 26 januari 2011 door haar algemene ledenvergadering, bij welk besluit eisers als lid werden ontzet uit hun lidmaatschap;

5.2. kent aan dit nietige besluit de werking toe van een geldig besluit van de Vereniging tot opzegging van het lidmaatschap aan eisers per januari 2011;

5.3. verklaart voor recht dat de op de algemene ledenvergadering van de Vereniging van 25 juni 2010 gedane uitlatingen van [oud-voorzitter van de Vereniging] van de strekking:
(1) dat eisers het bestuur van de Vereniging hadden beticht van (1a) zakkenvullers en oplichters te zijn en (1b) zich van Gestapo-methoden bediend te hebben;
(2) dat eisers misbruik van een mandaat te hebben gemaakt;
3) dat eisers in een brief aan de gemeente op onsmakelijke wijze de mogelijkheid van het overlijden van [oud-voorzitter van de Vereniging] ter sprake hebben gebracht, terwijl eisers in genen dele dergelijke betichtingen hebben geuit, dergelijk misbruik hebben gemaakt of dergelijke onsmakelijkheden hebben geuit, onrechtmatig zijn;

5.4. verbiedt de Vereniging en [oud-voorzitter van de Vereniging] om in de toekomst uitlatingen te doen die de eer en goede naam van eisers aantasten, en veroordeelt de Vereniging onderscheidenlijk [oud-voorzitter van de Vereniging] om aan elk van diegenen van eisers jegens wie de Vereniging of [oud-voorzitter van de Vereniging] in strijd met dit verbod handelen, een dwangsom te betalen van € 5.000 voor elke overtreding van dit verbod;
(…)

5.8. verklaart dit vonnis voor de in dit dictum 5.4. tot en met 5.7. uitgesproken verboden en veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad”.

d. Het vonnis is op 15 december 2011 aan de Vereniging betekend. Zowel [geintimeerde sub 1.] c.s. als de Vereniging hebben hoger beroep ingesteld van dit vonnis. Het is het hof ambtshalve bekend dat nog geen arrest is gewezen.

e. In mei 2012 heeft de Vereniging het Kring Nieuws, een periodieke uitgave van de Vereniging, onder al haar leden verspreid. In dat Kring Nieuws is als bijlage gevoegd de agenda voor de ALV van 26 juni 2012 en het jaarverslag Kring 2011. Op de voor een ieder toegankelijke website van de Vereniging staat eveneens een exemplaar van deze uitgave van het Kring Nieuws.

f. In het jaarverslag Kring 2011 is onder meer het volgende opgenomen (prod. 3 pleitnotities [geintimeerde sub 1.] c.s.):

“4.5. Royementen
Vanaf het einde van 2008 tot medio 2011 heeft de Kring te maken gehad met zeer veel publiciteit. Die publiciteit is helaas niet steeds positief geweest. De ALV van einde 2008 en van 2009 waren daar het bewijs van. De reguliere jaarlijkse ALV in 2010 heeft zelfs op een later tijdstip plaatsgehad, nadat bleek dat deze op de aanvankelijk vastgestelde datum niet kon doorgaan.
In de ALV van 25 juni 2010 heeft het bestuur het royement uitgesproken van een viertal ledenvan de Kring. Deze geroyeerde leden hebben gebruik gemaakt van het recht dat zij hebben om tegen hun royement beroep in te stellen bij de ALV. Dit beroep is behandeld in een extra ALV op 26 januari 2011. De ALV heeft met een ruime meerderheid dit beroep afgewezen en hetroyement in stand gelaten.
De desbetreffende leden hebben mede naar aanleiding hiervan de Kring en de oud-voorzitter, de heer [oud-voorzitter van de Vereniging], bij de rechter gedaagd. Het beroep bij de rechtbank is op 11 november 2011 bij de rechtbank behandeld, waarna de rechtbank op 7 december 2011 uitspraak heeft gedaan.
De rechtbank kwam tot de conclusie dat de Kring deze vier leden niet had mogen royeren, maar dat door de ontstane situatie er onoverbrugbare verschillen van mening waren waardoor van de Kring niet gevergd kon worden het lidmaatschap van de Kring van deze vier leden te laten voortduren. De rechtbank heeft op die grond het royement omgezet in een opzegging van het lidmaatschap van de Kring. De rechtbank heeft verder uitgesproken dat bepaalde uitlatingen van de heer [oud-voorzitter van de Vereniging] tijdens de ALV van 25 juni 2010 onrechtmatig waren en dat hierom de Kring en de heer [oud-voorzitter van de Vereniging] deze uitlatingen op straffe van een dwangsom niet meer mogen doen. Daarnaast heeft de rechtbank de Kring veroordeeld om een rectificatie te sturen en te plaatsen en zijn de Kring en de heer [oud-voorzitter van de Vereniging] veroordeeld om aan ieder van de geroyeerde leden een schadevergoeding te betalen van € 1.500,-. De Kring heeft aan alle verplichtingen van het vonnis voldaan.
Tegen dit vonnis stond tot 7 maart 2012 hoger beroep open bij het gerechtshof in ’s-Hertogenbosch. Het bestuur was na afweging van alle aan deze zaak verbonden aspecten van oordeel dat het voor het functioneren van de vereniging beter zou zijn deze kwestie af te sluiten en om die reden tegen het vonnis van de rechtbank geen hoger beroep in te stellen. Op 6 maart 2012 hebben vier voormalige leden echter wel hoger beroep ingesteld.
Het bestuur zal zich namens de Kring hiertegen verweren. Het zal duidelijk zijn dat dit in allerlei opzichten een fors beslag legt op het bestuur.”

g. In het Kring Nieuws van mei 2012 is in de rubriek “Paradepaardjes” de volgende tekst opgenomen (prod. 2 pleitnotities [geintimeerde sub 1.] c.s.):

“Royementen
De kring heeft in 2010 een viertal leden geroyeerd. De ALV heeft in januari 2011 met deze royementen ingestemd. De geroyeerde leden hebben hiertegen beroep ingesteld en de Kring en haar oud-voorzitter, de heer [oud-voorzitter van de Vereniging], bij de rechtbank in ’s-Hertogenbosch gedagvaard. De rechtbank heeft op 7 december 2011 uitspraak gedaan. De rechter vond royementen te ver gaan, maar heeft deze – van de Kring kon naar de mening van de rechtbank vanwege de onoverbrugbare verschillen van mening niet worden gevergd dat het lidmaatschap bleef bestaan – omgezet in een opzegging van het lidmaatschap. Ook heeft de rechtbank uitgesproken dat bepaalde uitlatingen van de heer [oud-voorzitter van de Vereniging] onrechtmatig waren. De Kring is veroordeeld tot een rectificatie en het betalen van een schadevergoeding van € 1500,00 voor elk van de geroyeerden. De Kring heeft aan dit vonnis voldaan. Tegen deze uitspraak van de rechtbank stond tot 7 maart 2012 beroep open bij het gerechtshof in ’s-Hertogenbosch. Het bestuur was na afweging van alle aan deze zaak verbonden aspecten tot de conclusie gekomen dat het voor de Kring beter was deze kwestie af te sluiten en geen hoger beroep in te stellen.
De geroyeerden hebben echter op 6 maart 2012 wel hoger beroep ingesteld. Het hoger beroep komt – kort gezegd – er op neer dat zij meer rectificatie, meer schadevergoeding en herstel in het lidmaatschap van de Kring willen. Het bestuur zal zich namens de Kring op gepaste wijze tegen dit hoger beroep verweren.”

h. Bij brief van 24 mei 2012 (prod. 5 inl. dagv.) aan de raadsman van de Vereniging hebben [geintimeerde sub 1.] c.s. zich op het standpunt gesteld dat de Vereniging zowel in voormelde tekst van het jaarverslag als in voormelde tekst van het Kring Nieuws [geintimeerde sub 1.] c.s. telkens heeft aangeduid als “de geroyeerden” en dat dit niet alleen een onjuiste maar ook een diffamerende aanduiding is en dat hiermee telkens – derhalve twee maal – het in 4.5. van het vonnis van 7 december 2011 genoemde verbod (hierna: het Verbod) is overtreden jegens [geintimeerde sub 1.] c.s. en dat de Vereniging derhalve in totaal € 40.000,– aan dwangsommen heeft verbeurd, waarvan bij gebreke van betaling de executie is aangezegd.

4.2.1 In het onderhavige kort geding vordert de Vereniging kort weergegeven dat het [geintimeerde sub 1.] c.s. verboden wordt de door hen aangekondigde executie van dwangsommen uit het vonnis van 7 december 2011 ten uitvoer te leggen, een en ander op straffe van een dwangsom van € 20.000,– voor ieder van gedaagden.

4.2.2 [geintimeerde sub 1.] c.s. hebben als verweer aangevoerd dat de Vereniging twee maal het in onderdeel 5.4. van het vonnis van 7 december 2011 gegeven verbod heeft overtreden door – kort weergegeven – zowel in het Kring Nieuws als in het jaarverslag, los van de selectieve en op onderdelen incorrecte en soms eufemistische samenvatting van het vonnis, [geintimeerde sub 1.] c.s. telkens aan te duiden als “de geroyeerden” of met woorden met een dergelijke strekking.

4.2.3 De voorzieningenrechter heeft in het beroepen vonnis onder meer geoordeeld dat de Vereniging door het gebruik van de termen “geroyeerden” en “geroyeerde leden” in het Kring Nieuws en in het jaarverslag de eer en goede naam van [geintimeerde sub 1.] c.s. heeft aangetast en daarmee twee maal ten aanzien van [geintimeerde sub 1.] c.s. het Verbod heeft overtreden.
De voorzieningenrechter heeft in verband daarmee de vordering van de Vereniging afgewezen.

4.3 De grieven richten zich tegen voormeld – zie hiervoor 4.2.3 – oordeel van de voorzieningenrechter en tegen een groot aantal overwegingen die tot dit oordeel hebben geleid alsmede tegen het oordeel van de rechtbank dat er geen reden is tot matiging van de dwangsommen. Gelet op de onderlinge samenhang van de grieven zal het hof hierna de grieven gezamenlijk beoordelen.

4.4 Uit de aard van de vordering – staking van de executie – blijkt naar het oordeel van het hof het spoedeisende belang van deze zaak.

4.5 Het hof stelt voorop dat de beantwoording van de vraag of dwangsommen zijn verbeurd in casu dient plaats te vinden door een toetsing van voornoemde schriftelijke uitlatingen van de Vereniging aan de inhoud van de veroordeling, zoals deze door uitleg moet worden vastgesteld. Daarbij dient het hof het doel en de strekking van de veroordeling tot richtsnoer te nemen in die zin, dat de veroordeling niet verder strekt dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel. Het onderhavige Verbod is in algemene termen omschreven. Anders dan de Vereniging aanvoert, brengt dit niet mee dat het Verbod onvoldoende duidelijk is. In veel gevallen, zoals ook het onderhavige, brengt de aard van het door een verbod te beschermen belang mee dat de omschrijving van het verbod, teneinde dit effectief te doen zijn, slechts kan geschieden in meer algemene termen. De draagwijdte van het verbod moet dan echter beperkt worden geacht tot die handelingen waarvan in ernst niet kan worden betwijfeld dat zij, mede gelet op het belang tegen aantasting waarvan het verbod is gegeven, inbreuken als door de rechter verboden, opleveren. Hiernaast geldt de algemene regel dat een in het dictum van een rechterlijk vonnis neergelegde veroordeling moet worden gelezen in verband met de overwegingen waarop zij steunt.

4.6 Met name gelet op het laatstgenoemde criterium voor de uitleg van een veroordeling verwerpt het hof voorshands de visie van de Vereniging, dat het Verbod slechts in samenhang gelezen kan worden met en in uitleg beperkt wordt tot de onrechtmatig geachte uitlatingen van [oud-voorzitter van de Vereniging], zoals weergegeven in 5.3. van het dictum van het vonnis van 7 december 2011. In rechtsoverweging 4.19 van het vonnis van 7 december 2011 overweegt de rechtbank immers dat het onderhavige Verbod toegewezen zal worden “om herhaling (bij voorbeeld bij debat over de juistheid van dit vonnis) te voorkomen”.

4.7 Met betrekking tot de hiervoor geciteerde uitlatingen van de Vereniging in het jaarverslag komt het hof voorshands tot het volgende oordeel.
De eerste drie alinea’s van het jaarverslag bevatten een zeer beknopte weergave van het besluit tot royement van [geintimeerde sub 1.] c.s. door het bestuur van de Vereniging, de bekrachtiging van dit besluit door de ALV en de vernietiging van het besluit door de rechter. Waar in de vierde alinea van het geciteerde stuk [geintimeerde sub 1.] c.s. aangeduid worden als “geroyeerde leden” is dit naar het oordeel van het hof niet alleen onjuist – het besluit tot royement is vernietigd – maar ook onnodig. Immers, [geintimeerde sub 1.] c.s. hadden vanaf in ieder geval de vierde alinea ook aangeduid kunnen worden als “de vier voormalige leden”, zoals in de vijfde alinea van dit stuk is geschied. Dit klemt temeer nu deze aanduiding naar het oordeel van het hof op zich zelf bezien een negatieve lading heeft. Het hof verwijst daarvoor naar artikel 8 lid 4 van de statuten van de Vereniging, waarin staat vermeld op welke gronden een lid van de Vereniging ontzet kan worden uit het lidmaatschap; een ander woord voor een dergelijke ontzetting is royement. Ook overigens heeft het geroyeerd worden als lid van een Vereniging naar het oordeel van het hof een meer of minder negatieve uitstraling.
De omstandigheid dat het woord “royement” in geheel ander verband – bij voorbeeld in het burgerlijk procesrecht – een neutrale betekenis heeft, doet hieraan niet af.

Door zich op deze wijze over [geintimeerde sub 1.] c.s. uit te laten, heeft de Vereniging naar het oordeel van het hof een groot risico op zich genomen dat zij het Verbod zou overtreden en dwangsommen zou verbeuren. Immers, het doel van het Verbod was dat de Vereniging in de toekomst zou nalaten uitlatingen te doen die de eer en goede naam van [geintimeerde sub 1.] c.s. aantasten.
Echter, naar het oordeel van het hof dient het hiervoor geciteerde stuk in het jaarverslag als één geheel te worden gelezen; het hof ziet voorshands niet in waarom dit niet de meest voor de hand liggende wijze van lezen van dit stuk is. Het gaat immers om een in omvang relatief beperkte tekst, waarvan de strekking kennelijk is om de leden op de hoogte te stellen van het vonnis en het door [geintimeerde sub 1.] c.s. daartegen ingestelde hoger beroep. Bij een dergelijke lezing kan naar het voorlopig oordeel van het hof niet geconcludeerd worden dat in ernst niet kan worden betwijfeld dat dit gehele stuk, waarvan onderdeel uitmaken de hiervoor bedoelde passages “geroyeerde leden”, een inbreuk van het door de rechter gegeven Verbod oplevert. Dit oordeel wordt niet anders indien het hof daarbij in aanmerking neemt dat in het geciteerde stuk uit het jaarverslag de relevante beslissingen in het vonnis selectief en deels niet geheel juist worden weergegeven.
Naar het voorlopig oordeel van het hof heeft de Vereniging op deze grond derhalve geen dwangsom verbeurd.

4.8 Met betrekking tot het hiervoor geciteerde stuk uit het Kring Nieuws van mei 2012 geldt het volgende.
[geintimeerde sub 1.] c.s. betogen dat er in dit stuk sprake is van overtreding van het Verbod door de passage “de geroyeerden hebben echter op 6 maart 2012 wel hoger beroep ingesteld”.
Ook hier geldt hetgeen het hof reeds hiervoor in 4.7 heeft overwogen. Het gaat hier om een stuk met kennelijk dezelfde strekking: het informeren van de leden over het vonnis en het door [geintimeerde sub 1.] c.s. ingestelde hoger beroep. Ook hier geldt dat in de door [geintimeerde sub 1.] c.s. weergegeven passage de term “geroyeerden” onjuist en nodeloos is gebruikt en dat de term “geroyeerden” een negatieve betekenis heeft. Mede gelet op de zeer beknopte tekst en voornoemde strekking van het stuk kan naar het voorlopig oordeel van het hof niet geconcludeerd worden dat in ernst niet kan worden betwijfeld dat dit gehele stuk, waarvan onderdeel uitmaakt de hiervoor bedoelde woorden “de geroyeerden”, een inbreuk van het door de rechter gegeven Verbod oplevert. Dit oordeel wordt niet anders indien het hof daarbij in aanmerking neemt dat in het geciteerde stuk uit het jaarverslag de relevante beslissingen in het vonnis selectief en deels niet geheel juist worden weergegeven.
Ook op deze grond heeft de Vereniging naar het voorlopig oordeel van het hof geen dwangsom verbeurt.

4.9 Nu naar het voorlopig oordeel van het hof de Vereniging geen dwangsommen heeft verbeurd, behoeft het hof niet in te gaan op hetgeen de Vereniging overigens aanvoert. Het beroepen vonnis dient vernietigd te worden. Het hof zal opnieuw rechtdoende op de voet van art. 438 Rv de executie van de dwangsommen, aangekondigd in de brief van 24 mei 2012 van mr. Jessen, schorsen totdat in een bodemprocedure anders is beslist.
Nu [geintimeerde sub 1.] c.s. niet hebben weersproken dat de Vereniging uitvoering heeft gegeven aan het – thans vernietigde – beroepen vonnis van 23 juli 2012 door betaling van € 41.083,–zal het hof voorts de vordering van de Vereniging tot terugbetaling van het betaalde bedrag ad € 41.083,– met wettelijke rente, toewijzen.
[geintimeerde sub 1.] c.s. dienen als de in eerste aanleg en in hoger beroep in het ongelijk gestelde partij veroordeeld te worden in de kosten van de procedure.

5. De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch in kort geding van 23 juli 2012 en opnieuw rechtdoende:

bepaalt dat [geintimeerde sub 1.] c.s. de executie van de dwangsommen, zoals aangezegd bij brief van 24 mei 2012 van mr. Jessen, schorsen totdat in een bodemprocedure anders is beslist;

veroordeelt [geintimeerde sub 1.] c.s. tot terugbetaling aan de Vereniging van een bedrag van € 41.083,–, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag der betaling aan [geintimeerde sub 1.] c.s. tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [geintimeerde sub 1.] c.s. in de kosten van de procedure, welke kosten het hof tot op heden aan de zijde van de Vereniging begroot
– voor de eerste aanleg op € 842,– voor verschotten en € 816,– voor salaris advocaat;
– voor het hoger beroep op € 1.905,64 voor verschotten en op € 1.737,– voor salaris advocaat;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. T. Rothuizen-van Dijk, C.N.M. Antens en J.C.J. van Craaikamp en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 12 maart 2013.



Vonnis rechtbank LJN: BX2731
vonnis
RECHTBANK ‘S-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 248481 / KG ZA 12-395

Vonnis in kort geding van 23 juli 2012

in de zaak van

de vereniging
KRING VRIENDEN VAN ‘S-HERTOGENBOSCH,
gevestigd te ’s-Hertogenbosch,
eiseres,
advocaat mr. H. Nieuwenhuizen te Eindhoven,

tegen

1. [gedaagde 1],
2. [gedaagde 2],
3. [gedaagde 3],
4. [gedaagde 4],
allen wonende te [woonplaats],
gedaagden,
advocaat mr. F.C.J.J. Jessen te ’s-Hertogenbosch.

Eiseres zal als de Vereniging en gedaagden zullen als [X] c.s. worden aangeduid.

1. De procedure

1.1. De procedure blijkt uit:
– de dagvaarding van 18 juni 2012, met 5 producties,
– de brief van mr. Jessen van 22 juni 2012, met 3 producties,
– het faxbericht van mr. Nieuwenhuizen van 3 juli 2012 met twee aanvullende producties,
– de mondelinge behandeling op 12 juli 2012,
– de pleitnota van de Vereniging,
– de pleitnota van [X] c.s.

1.2. Een minnelijke regeling is ter zitting niet haalbaar gebleken. Vervolgens is vonnis bepaald. Het vonnis was eerder gereed dan voorzien, zodat de uitspraak kon worden vervroegd.

2. De feiten

2.1. De Vereniging stelt zich ten doel de historische en culturele waarden van
’s-Hertogenbosch te bewaken en te bevorderen, alsmede de heemkunde met betrekking tot het Bossche te beoefenen. D[Y] (verder: [Y]) was tot in juni 2011 voorzitter van de Vereniging.

2.2. [X] c.s. zijn lid van de Vereniging geweest. Zij zijn op 25 juni 2010 tijdens de algemene ledenvergadering (ALV) van de Vereniging geroyeerd. [X] c.s. konden zich met het royementsbesluit niet verenigen en zijn daartegen tijdig in beroep gekomen bij de ALV. In haar vergadering van 26 januari 2011 heeft de ALV het beroep ongegrond verklaard.

2.3. [X] c.s. zijn tegen de Vereniging en [Y] een bodemprocedure begonnen bij deze rechtbank. Zij hebben, voorzover hier van belang, gevorderd voor recht te verklaren dat er geen sprake is van een royementsbesluit, althans dat dit besluit nietig is, herstel in hun lidmaatschapsrechten, verklaring voor recht dat bepaalde uitlatingen van [Y] op de ALV van 25 juni 2010 onrechtmatig zijn geweest en een verbod tot het doen van uitlatingen die [X] c.s. in hun eer en goede naam aantasten.

2.4. De rechtbank heeft op 7 december 2011 vonnis gewezen (zaak- en rolnummer 220902 / HA ZA 10-2538). In dit vonnis is voor zover relevant het volgende beslist:

“5.1. verklaart nietig het besluit van de Vereniging, genomen op of omstreeks 25 juni 2010 door haar bestuur en bekrachtigd in beroep op 26 januari 2011 door haar algemene ledenvergadering, bij welk besluit eisers als lid werden ontzet uit hun lidmaatschap;

5.2. kent aan dit nietige besluit de werking toe van een geldig besluit van de Vereniging tot opzegging van het lidmaatschap aan eisers per januari 2011;

5.3. verklaart voor recht dat de op de algemene ledenvergadering van de Vereniging van 25 juni 2010 gedane uitlatingen van [Y] van de strekking:
(1) dat eisers het bestuur van de Vereniging hadden beticht van (1a) zakkenvullers en op-
lichters te zijn en (1b) zich van Gestapo-methoden bediend te hebben;
(2) dat eisers misbruik van een mandaat te hebben gemaakt;
(3) dat eisers in een brief aan de gemeente op onsmakelijke wijze de mogelijkheid van
het overlijden van [Y] ter sprake hebben gebracht,
terwijl eisers in genen dele dergelijke betichtingen hebben geuit, degelijk [lees: dergelijk, vzr.] misbruik hebben gemaakt of een dergelijke onsmakelijkheid hebben geuit, onrechtmatig zijn;

5.4. verbiedt de Vereniging en [Y] om in de toekomst uitlatingen te doen die de eer en goede naam van eisers aantasten, en veroordeelt de Vereniging onderscheidenlijk [Y] om aan elk van diegenen van eisers jegens wie de Vereniging of [Y] in strijd met dit verbod handelen, een dwangsom te betalen van € 5.000 voor elke overtreding van dit verbod;

(…)
5.8. verklaart dit vonnis voor de in het dictum 5.4. (…) uitgesproken verboden en veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad”
.
2.5. Het vonnis is op 15 december 2011 aan de Vereniging betekend. [X] c.s. hebben tegen het vonnis hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch. Ter zitting is gebleken dat inmiddels ook de Vereniging incidenteel heeft geappelleerd.

2.6. In mei 2012 heeft de Vereniging het Kring Nieuws, een periodieke uitgave van de Vereniging (Jaargang 38, nummer 3, mei 2012) aan al haar leden verspreid. In dat Kring Nieuws is als bijlage bijgevoegd de agenda voor de ALV van 26 juni 2012 en het jaarverslag Kring 2011.

2.7. In het jaarverslag Kring 2011 is onder meer het volgende opgenomen:

“4.5 Royementen
Vanaf het einde van 2008 tot medio 2011 heeft de Kring te maken gehad met zeer veel publiciteit. Die publiciteit is helaas niet steeds positief geweest. De ALV van einde 2008 en van 2009 waren daar het bewijs van. De reguliere jaarlijkse ALV in 2010 heeft zelfs op een later tijdstip plaats gehad, nadat bleek dat deze op de aanvankelijk vastgestelde datum niet kon doorgaan.
In de ALV van 25 juni 2010 heeft het bestuur het royement uitgesproken van een viertal leden van de Kring. Deze geroyeerde leden hebben gebruik gemaakt van het recht dat zij hebben om tegen hun royement beroep in te stellen bij de ALV. Dit beroep is behandeld in een extra ALV op 26 januari 2011. De ALV heeft met een ruime meerderheid dit beroep afgewezen en het royement in stand gelaten.
De desbetreffende leden hebben mede naar aanleiding hiervan de Kring en de oud-voorzitter, de heer J. [Y], bij de rechter gedaagd. Het beroep bij de rechtbank is op 11 november 2011 bij de rechtbank behandeld, waarna de rechtbank op 7 december 2011 uitspraak heeft gedaan.
De rechtbank kwam tot de conclusie dat de Kring deze vier leden niet had mogen royeren, maar dat door de ontstane situatie er onoverbrugbare verschillen van mening waren waardoor van de Kring niet gevergd kon worden het lidmaatschap van de Kring van deze vier leden te laten voortduren. De rechtbank heeft op die grond het royement omgezet in een opzegging van het lidmaatschap van de Kring. De rechtbank heeft verder uitgesproken dat bepaalde uitlatingen van de heer [Y] tijdens de ALV van 25 juni 2010 onrechtmatig waren en dat hierom de Kring en de heer [Y] deze uitlatingen op straffe van een dwangsom niet meer mogen doen. Daarnaast heeft de rechtbank de Kring veroordeeld om een rectificatie te sturen en te plaatsen en zijn de Kring en de heer [Y] veroordeeld om aan ieder van de geroyeerde leden een schadevergoeding te betalen van € 1.500,-. De Kring heeft aan alle verplichtingen van het vonnis voldaan.
Tegen dit vonnis stond tot 7 maart 2012 hoger beroep open bij het gerechtshof in ’s-Hertogenbosch. Het bestuur was na afweging van alle aan deze zaak verbonden aspecten van oordeel dat het voor het functioneren van de vereniging beter zou zijn deze kwestie af te sluiten en om die reden tegen het vonnis van de rechtbank geen hoger beroep in te stellen. Op 6 maart 2012 hebben vier voormalige leden echter wel hoger beroep ingesteld. Het bestuur zal zich namens de Kring hiertegen verweren.
Het zal duidelijk zijn dat dit in allerlei opzichten een fors beslag legt op het bestuur. ”.

2.8. In het Kring Nieuws is in de rubriek “Paradepaardjes”, een vergelijkbare tekst opgenomen, die luidt als volgt:

“Royementen
De Kring heeft in 2010 een viertal leden geroyeerd. De ALV heeft in januari 2011 met deze royementen ingestemd. De geroyeerden hebben hiertegen beroep ingesteld en de Kring en haar oud-voorzitter, de heer J. [Y], bij de rechtbank in ’s-Hertogenbosch gedagvaard. De rechtbank heeft op 7 december 2011 uitspraak gedaan. De rechter vond royementen te ver gaan, maar heeft deze – van de Kring kon naar de mening van de rechtbank vanwege de onoverbrugbare verschillen van mening niet worden gevergd dat het lidmaatschap bleef bestaan – omgezet in een opzegging van het lidmaatschap. Ook heeft de rechtbank uitgesproken dat bepaalde uitlatingen van de heer [Y] onrechtmatig waren. De Kring is veroordeeld tot een rectificatie en het betalen van een schadevergoeding van € 1500,00 voor elk van de geroyeerden. De Kring heeft aan dit vonnis voldaan.
Tegen deze uitspraak van de rechtbank stond tot 7 maart 2012 beroep open bij het gerechtshof in
’s-Hertogenbosch. Het bestuur was na afweging van alle aan deze zaak verbonden aspecten tot de conclusie gekomen dat het voor de Kring beter was deze kwestie af te sluiten en geen hoger beroep in te stellen.
De geroyeerden hebben echter op 6 maart 2012 wel hoger beroep ingesteld. Het hoger beroep komt – kort gezegd – er op neer dat zij meer rectificatie, meer schadevergoeding en herstel in het lidmaatschap van de Kring willen. Het bestuur zal zich namens de Kring op gepaste wijze tegen dit hoger beroep verweren.”.

2.9. Bij brief van 24 mei 2012 hebben [X] c.s. zich op het standpunt gesteld dat door voormelde teksten het verbod in het vonnis wordt overtreden. Zij stellen dat zij in de teksten worden aangeduid als “geroyeerde leden” en “geroyeerden”, terwijl van royement nu juist geen sprake meer is. Zij kunnen hooguit worden aangeduid als oud-leden, nu het royementsbesluit door de Rechtbank is vernietigd en is omgezet in een opzegging van het lidmaatschap. Om die reden hebben [X] c.s. aanspraak gemaakt op dwangsommen van € 5.000,– per eiser, vermenigvuldigd met twee overtredingen, van in totaal € 40.000,–, bij gebreke van betaling waarvan de executie is aangezegd.

2.10. Het Kring Nieuws van mei 2012 is per post naar alle 2400 leden van de Vereniging gezonden. Op de voor een ieder toegankelijke website van de Vereniging staat eveneens een exemplaar van de betreffende uitgave van het Kring Nieuws.

3. Het geschil

3.1. De Vereniging vordert kort weergegeven – [X] c.s. bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te verbieden de door hen aangekondigde executie van dwangsommen uit het vonnis van 7 december 2011 ten uitvoer te leggen vanwege hetgeen is opgenomen in het Kring Nieuws in de rubriek “Paradepaardjes” onder “Royementen” en het Jaarverslag Kring 2011 onder “Royementen”, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 20.000,– voor ieder der gedaagden die zich niet, of onvoldoende, gelegen laten liggen aan dit verbod, althans subsidiair zodanige voorziening te treffen als de voorzieningenrechter in goede justitie zal vermenen te behoren, alles met hoofdelijke veroordeling van [X] c.s. in de kosten van deze procedure.

3.2. De Vereniging legt aan haar vordering, kort weergegeven, het volgende ten grondslag.

3.2.1. De Vereniging heeft het vonnis op geen enkele wijze overtreden, niet naar de letter en ook niet naar de aard van de veroordeling, zodat zij geen dwangsommen heeft verbeurd. Nu slechts in het Jaarverslag en het Kring Nieuws de zakelijke term “geroyeerden” is gebruikt, en daarbij tevens in dezelfde tekst is aangegeven dat de rechtbank het met het royement niet eens is, is van een aantasting van [X] c.s. in hun eer en goede naam geen sprake. In beide door [X] c.s. genoemde artikelen worden geen namen genoemd van de betreffende personen. Reeds daarom kan van enige uitlating die de eer en goede naam aantast geen sprake zijn. Er is in het vonnis geen sprake van een verbod dat duidelijk en scherp is begrensd en geformuleerd. Een verbod “om in de toekomst uitlatingen te doen die de eer en goede naam van eisers aantasten” roept vragen op.

3.2.2. Mede gelet op de vrijheid van meningsuiting die aan een ieder, ook de Vereniging, toekomt is niet snel sprake van een aantasting in de eer en goede naam.

3.2.3. Het Kring Nieuws en het Jaarverslag Kring 2011 zijn in één pakket aan de leden verstuurd. Zo er al sprake is van een overtreding van het in het vonnis opgenomen verbod, dan is er slechts sprake van één overtreding en niet van twee overtredingen van dat verbod.

3.3. Het verweer van [X] c.s. komt, kort weergegeven, op het navolgende neer.

3.3.1. In het Kring Nieuws van mei 2012, dat in 2400-voud naar alle leden en relaties is gezonden en dat ook op de voor een ieder toegankelijke website van de Vereniging staat, heeft het bestuur van de Vereniging een artikel geschreven onder het kopje “Royementen”, met daarin passages die strijdig zijn met r.o. 5.4. van het vonnis van 7 december 2011.

3.3.2. Los van de selectieve, op onderdelen incorrecte en soms eufemistische (“de rechter vond de royementen te ver gaan”), samenvatting van het vonnis worden [X] c.s., ondanks het vonnis van de Bossche rechtbank, in het artikel nadrukkelijk meermalen aangeduid als de “geroyeerden”. Nu de rechtbank de royementsbesluiten als gebaseerd op een onrechtmatige daad nietig heeft verklaard, is er geen sprake meer van geroyeerden. Aan een nietig besluit worden de daarmee beoogde rechtsgevolgen van meet af aan onthouden. Omdat royement, anders dan opzegging, een disciplinair of tuchtrechtelijk karakter heeft en derhalve per definitie diffamerend is, heeft de Vereniging door [X] c.s. in de hier aan de orde zijnde teksten te blijven aanmerken als geroyeerden de eer en goede naam van ieder van gedaagden aangetast. Immers, ontzetting uit het lidmaatschap is enkel mogelijk wanneer een lid in strijd met de statuten, de reglementen of de besluiten van de vereniging handelt of de vereniging op onredelijke wijze benadeelt. Daarvan is in casu geen sprake. De Vereniging heeft hierdoor jegens ieder van gedaagden dwangsommen verbeurd voor een bedrag van in totaal € 40.000,– (2 x 4 x € 5.000,–).

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Ter beantwoording is de vraag of de Vereniging (tweemaal) in strijd heeft gehandeld met onderdeel 5.4. in het dictum van het vonnis van 7 december 2011 door de term “geroyeerden” dan wel “geroyeerde leden” te bezigen in het onder de leden van de Vereniging verspreide verenigingsblad “Kring Nieuws” en het “Jaarverslag Kring 2011en in het verlengde daarvan de vraag of de Vereniging dientengevolge dwangsommen heeft verbeurd. 

4.2. Maatstaf voor de vraag of de Vereniging aan het vonnis heeft voldaan is dat bij redelijke uitlegging van het verbod als het onderhavige de draagwijdte daarvan beperkt is te achten tot handelingen, waarvan in ernst niet kan worden betwijfeld dat zij, mede gelet op de gronden waarop het verbod werd gegeven, inbreuken, als door de rechter verboden, opleveren (HR 3 januari 1964, NJ 1964,445; Lexington).

4.3. Het verbod in het dictum onder 5.4. van het vonnis is, anders dan de Vereniging meent, voldoende duidelijk. Uitlatingen die de eer en goede naam van een ander aantasten kunnen zich in veel vormen voordoen. Deze zaak illustreert dat; het lelijks dat blijkens het hiervoor geciteerde dictum onder 5.3. van het vonnis van 7 december 2011 over [X] c.s. is uitgestort is divers. Daarmee is duidelijk dat het onderhavige verbod door de rechtbank alleen in algemene bewoordingen viel te formuleren. Meergenoemd vonnis geeft echter tevens zoveel feitelijke informatie over de verhouding van partijen en hoe de bodemrechter – aan wiens oordeel de kort geding rechter zich in beginsel behoort te conformeren – dat de interpretatie van het verbod in dit geval ook niet moeilijk is.

4.4. De rechtbank heeft in haar, ten aanzien van de relevante veroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaarde, vonnis de door (het bestuur van) de Vereniging genomen royementsbesluiten jegens [X] c.s. nietig verklaard. Zij heeft aan die besluiten de werking toegekend van een geldig besluit van de Vereniging tot opzegging van het lidmaatschap aan [X] c.s. per 1 januari 2011. Nu aan een nietig besluit de daarmee beoogde rechtsgevolgen van meet af aan worden onthouden, kunnen [X] c.s. door de Vereniging niet gekwalificeerd worden als geroyeerden. Dat geldt zeker vanaf medio december 2011 toen het vonnis was uitgesproken en alle betrokkenen konden weten hoe het zat. Vast staat dat de Vereniging daadwerkelijk kennis heeft genomen van het rechterlijk oordeel. Het vonnis is immers op 15 december 2012 aan de Vereniging betekend en later door de Vereniging zelf in de gewraakte teksten samengevat.

4.5. De voorzieningenrechter is, met [X] c.s., van oordeel dat in de termen “geroyeerden” en “geroyeerde leden”, anders dan de in het vonnis eveneens gebezigde term “opzegging”, een negatieve lading besloten ligt en diffamerend is. Leden van een vereniging die geroyeerd worden overkomt dat omdat zij iets binnen die vereniging hebben misdaan. Dat de rechtbank hier ook zo over denkt blijkt expliciet uit r.o. 4.13. van dat vonnis waarin wordt overwogen: “Ontzetting (royement) heeft, anders dan de opzegging, een disciplinair of tuchtrechtelijk karakter. Ontzet te worden is diffamerend en bijzonderlijk zo voor eisers, zoals hiervoor al werd overwogen (r.o. 4.5).” Als de Vereniging al niet had geweten wat een ieder met gemiddelde kennis en ervaring met de Nederlandse taal toch wel weet, dan had zij dat in ieder geval ook in het vonnis kunnen en moeten lezen.

4.6. De Vereniging heeft voorts betoogd, dat de term “geroyeerden” op zichzelf wellicht als diffamerend kan worden gekwalificeerd, maar in het onderhavige geval, waarin er in de desbetreffende artikelen in het “Kring Nieuws” en in het “Jaarverslag Kring 2011” tevens melding wordt gemaakt van het feit dat de rechtbank anders heeft geoordeeld met betrekking tot het royement, niet. De voorzieningenrechter deelt dit standpunt van de Vereniging niet. Het valt op zichzelf te billijken dat de Vereniging verslag deed van hetgeen in de Vereniging was voorgevallen. Het is ook acceptabel dat bij het vertellen van dat verhaal het aanvankelijke royement is gememoreerd. Anders zou het verhaal niet goed te vertellen zijn geweest. [X] c.s. hebben ter zitting aangegeven dat dit voor hen ook niet de grond is geweest om in het geweer te komen. Het is echter misgegaan doordat de Vereniging in het Kring Nieuws en in het jaarverslag Kring 2011 gebruik heeft gemaakt van de term “geroyeerden” en “geroyeerde leden” nádat in de betreffende artikelen was aangegeven dat de rechtbank de royementsbesluiten jegens [X] c.s. nietig had verklaard. Dat wekt op zijn minst de suggestie dat de Vereniging [X] c.s. nog steeds bij de leden van de Vereniging en anderen die van Kring Nieuws op papier of op de website kennis nemen heeft “weggezet” als leden die wegens wangedrag uit de Vereniging zijn verwijderd.

4.7. Het betoog van de Vereniging, dat de door [X] c.s. voorgestane uitleg van het vonnis met zich brengt dat de Vereniging nooit meer de term “geroyeerden” zou mogen gebruiken, zelfs niet zonder concrete aanduiding van de naam van degenen op wie dat ziet, kan haar evenmin baten. Ter beoordeling van de voorzieningenrechter staan alleen de concrete publicaties die hiervoor onder de feiten zijn geciteerd. De termen “geroyeerden” en “geroyeerde leden” worden daar in een zodanig verband gebezigd dat zonneklaar is dat de Vereniging daarmee [X] c.s. heeft willen aanduiden. Heel Den Bosch weet wie er in deze kwestie rollebollend over straat zijn gegaan (en menigeen slaat het met plaatsvervangende schaamte gade). Bij lezing van de gewraakte teksten vallen de “poppetjes” voor de enigszins ingevoerde Bosschenaar wel in te vullen.

4.8. Bovendien is hier nu juist, zoals onder 4.5. reeds is opgemerkt, de terminologie in de artikelen gebruikt nadat daarin reeds melding was gemaakt van het feit dat de rechtbank het royementsbesluit jegens [X] c.s. als gebaseerd op een onrechtmatige daad nietig had verklaard. Uit dat vonnis blijkt dat de rechtbank het niet zo’n geringe onrechtmatige daad vond ook. Het gedrag van de Vereniging en haar oud-voorzitter wordt in het vonnis immers in duidelijke bewoordingen gelaakt om het zacht uit te drukken. De stelling van de Vereniging, dat de term “geroyeerden” in het licht van een zakelijke aanduiding van het geschil moet worden gezien, snijdt dan ook geen hout. Het heeft in dit geval toch echt meer van een echo van de stemmingmakerij tegen [X] c.s., die duidelijk door [X] als zodanig is ervaren, en dat is niet onbegrijpelijk. Als partijen verstandig zijn beperken zij het gebruik van de term “royement” en “geroyeerden” voorlopig uitsluitend tot het debat bij het gerechtshof. Daar moet het vonnis uiteraard vrijelijk ter discussie kunnen worden gesteld.

4.9. Van een inbreuk op de vrijheid van meningsuiting van de Vereniging is in het onderhavige geval evenmin sprake. Het staat de Vereniging immers vrij om [X] c.s. aan te duiden met neutrale termen zoals met hun naam of als vier oud-leden, etc.. Stemmingmakerij, althans de echo daarvan, verdient geen rechterlijke bescherming. 

4.10. De door de Vereniging overgelegde verklaring van de secretaris van de Vereniging die de betreffende teksten heeft geschreven, doet aan het hiervoor overwogene niet af, te minder omdat uit die verklaring kan worden afgeleid dat de secretaris het concept jaarverslag 2011 vóór publicatie ervan heeft besproken met de (kandidaat)bestuursleden van de Vereniging en mede op basis van hun opmerkingen op een aantal punten heeft aangepast en dat de term “geroyeerden” bij de bespreking van het concept jaarverslag geen onderwerp van discussie is geweest. De bestuursleden hebben derhalve de mogelijkheid gehad om, met het oog op het onder 5.4. van het vonnis van 7 december 2011 opgenomen verbod, wijzigingen aan te brengen in het jaarverslag, hetgeen zij evenwel hebben nagelaten. Het ware al met al beter geweest als zij aan dit punt, gezien de gevoeligheden en de dreigende dwangsom, meer aandacht hadden besteed.

4.11. De onder 4.2. aangehaalde maatstaf brengt met zich dat voldoende aannemelijk is dat de Vereniging door het gebruik van de termen “geroyeerden” en “geroyeerde leden” in de litigieuze artikelen in het Kring Nieuws en het Jaarverslag Kring 2011 de eer en goede naam van ieder van gedaagden heeft aangetast. Dat er volgens de Vereniging geen enkele intentie is geweest aan de zijde van de Vereniging om iemand in eer of goede naam te beschadigen, doet hier niet aan af. De auctor intellectualis van de stukken, de onder 4.10 bedoelde secretaris, heeft in zijn schriftelijke verklaring alle kwalijke bedoelingen tegengesproken. Bedoelingen laten zich door de rechter lastig vaststellen, maar op grond van de teksten en de voorgeschiedenis zoals beschreven in het vonnis van 7 december 2011 hadden [X] c.s. zeker reden om de onderhavige teksten negatief op te vatten.

4.12. Reeds uit het vorenoverwogene volgt voorshands dat de Vereniging aan de veroordeling onder 5.4. van het vonnis niet heeft voldaan. Anders dan de Vereniging heeft betoogd is de voorzieningenrechter van oordeel dat zij niet éénmaal maar tweemaal het in 5.4. opgenomen verbod heeft overtreden, als gevolg waarvan de Vereniging het bedrag van € 40.000,00 aan dwangsommen heeft verbeurd (2 x 4 x € 5.000,–). 

4.13. De Vereniging heeft zich op het standpunt gesteld dat bij overtreding van het verbod slechts sprake kan zijn van één overtreding, nu het Kring Nieuws en het Jaarverslag als één pakket aan de leden van de Vereniging is verstuurd. Weliswaar valt in het Kring Nieuws op pagina 3 onder de rubriek “Paradepaardjes” te lezen dat het jaarverslag bij het Kring Nieuws is bijgevoegd, maar nu [X] c.s. onweersproken hebben gesteld dat het Kring Nieuws tevens op de website van de Vereniging wordt aangeboden (ook aan niet-leden), is voldoende duidelijk dat de Vereniging het verbod tweemaal heeft overtreden. De voorzieningenrechter realiseert zich dat het om veel geld gaat, maar dwangsommen zijn juist hoog omdat zij moeten dwingen. Bij overtredingen van veroordelingen waaraan een dwangsom is verbonden moet de soep zo heet worden gegeten als deze wordt opgediend.

4.14. De Vereniging heeft overigens geen feiten en/of omstandigheden naar voren gebracht, die aanleiding zouden kunnen geven om (voorlopig) tot een matiging van de verbeurde dwangsommen over te gaan en om die reden de executie – al dan niet gedeeltelijk – te schorsen.

4.15. Gezien het voorgaande is van enig misbruik van de executiebevoegdheid door [X] c.s. geen sprake en bestaat er thans geen grond de executie van het vonnis van 7 december 2011 te schorsen. De vordering van de Vereniging zal worden afgewezen.

4.16. De Vereniging zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [X] c.s. worden begroot op:
– dagvaarding € 0,00
– griffierecht € 267,00
– salaris advocaat € 816,00
Totaal € 1.083,00.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

wijst de vordering af,veroordeelt de Vereniging in de proceskosten, aan de zijde van de wederpartij tot op heden begroot op € 1.083,00. 

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.L. Roosmale Nepveu en in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2012.

Arubaans verenigingsrecht (SEPPA)

Gerecht E.A. Aruba 9 januar 2013 LJNBZ4289 (SEPPA)


Arubaanse zaak. Royement. Lid gaat intern in beroep tegen royement, beroep wordt afgewezen zonder dat lid wordt gehoord, in strijd met statutaire bepaling. Vernietiging besluit in  beroep, laat royementsbesluit in principe in stand. Rechter schorst royementsbesluit op grond van billijkheid. Afzonderlijke organen van vereniging kunnen niet worden gedagvaard.

VONNIS

in de zaak van:  [eiser], wonende in Aruba,
tegen:
1. DE VERENIGING [SEPPA], gevestigd te Aruba,
2. HET CONGRES VAN DE VERENIGING SEPPA,
3. HET BESTUUR VAN DE VERENIGING SEPPA,
4. HET UITVOEREND COMITE VAN DE VERENIGING SEPPA,
GEDAAGDEN, hierna verder te noemen respectievelijk: SEPPA, het Congres, het Bestuur en het Uitvoerend Comité,
gemachtigde: de advocaat mr. E. Duijneveld. 

1. DE PROCEDURE
Voor het verloop van de procedure wordt verwezen naar het tussenvonnis van 18 januari 2012, waarbij een comparitie van partijen is gelast welke heeft plaatsgevonden op 29 februari 2012. Namens [eiser] zijn daarbij een aantal bescheiden overgelegd welke reeds bij brieven van 16 en 27 februari 2012 werden toegezonden. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld hun standpunten nader toe te lichten en over en weer op elkaar te reageren. Het verdere verloop blijkt uit:
– een akte uitlating aan de zijde van [eiser];
– een contra akte (abusievelijk getiteld ‘conclusie van antwoord na enquête) aan de zijde van SEPPA, het Congres, het Bestuur en het Uitvoerend Comité.
Vervolgens is vonnis verzocht.

2. DE VASTSTAANDE FEITEN
Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd betwist, alsmede op grond van de inhoud van de overgelegde producties voorzover niet of onvoldoende bestreden, staat tussen partijen onder meer het volgende vast.

2.1 Artikel 7 van de statuten van SEPPA luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
Het lidmaatschap eindigt door:
(…)
c. royement door het Uitvoerend comité op grond van handelingen van het lid die opzettelijk gericht zijn tegen de belangen van de vereniging, betrokkene kan binnen 30 dagen, nadat hij van zijn royement op de hoogte is gebracht, in beroep gaan bij het Bestuur. Het Bestuur beslist in zijn eerstvolgende zitting, doch binnen 60 dagen en doet van zijn beslissing schriftelijk mededeling aan betrokkenen en aan het Uitvoerend comité; het Uitvoerend comité gaat akkoord met de beslissing van het Bestuur of wijst de beslissing af. Het lid kan in beroep gaan bij de rechter.
(…)’

2.2 Artikel 5 van het Huishoudelijk Reglement van SEPPA luidt als volgt:
‘a. Royeren van een lid geschiedt door het Uitvoerend Comite op grond van handelingen van het lid die opzettelijk gericht zijn tegen de belangen of het doel van de vereniging.
b. Zodanig lid kan binnen een maand, nadat hij een met redenen omkleed schrijven het royement is medegedeeld beroep tekenen, die zo spoedig mogelijk in haar eerstvolgende zitting een beslissing neemt. [sic] Het geroyeerde lid heeft het recht persoonlijk zijn standpunt toe te lichten, waarna eenmaal gerepliceerd mag worden. Terstond lid kan door de voorzitter het woord ontnomen worden, indien hij/haar zijn/haar standpunt niet met gematigdheid uiteenzet.
c. Tot aan de dag waarop het Uitvoerend Comite zal hebben beslist, wordt geacht dat het royement van kracht is.
(…)’

2.3 SEPPA heeft [eiser] bij brief van 26 mei 2011 als volgt bericht:
‘Namens cliënte de vakvereniging S.E.P.P.A., informeer ik u als volgt.

U heeft op verschillende momenten handelingen verricht die opzettelijk gericht zijn tegen de belangen en het doel van de vereniging. U heeft keer op keer de media gezocht en getracht cliënte te beschadigen. Voorts heeft u zelfs een lid van het bestuur beschuldigd van banden met een terroristische organisatie.

Gezien het bovenstaande heeft het Uitvoerbaar Comité, hiermee mede uitvoering gevende aan het verzoek van het Congres van 8 december 2010, besloten u per direct te royeren.

U heeft 30 dagen na ontvangst van dit schrijven 30 dagen om van deze beslissing in beroep te gaan bij het bestuur.’

2.4 Bij brief van 30 mei 2011 heeft [eiser] een brief geschreven aan SEPPA met, voor zover hier van belang, de volgende adressering:

‘Aan het bestuur van SEPPA
(…)
t.a.v. Secretaris Generaal SEPPA
(…)’

In deze brief deelt [eiser] SEPPA kort gezegd mee het niet eens te zijn met het royementsbelsuit. Hij voert daartoe aan nooit iets tegen SEPPA te hebben gedaan en dat de aangevoerde argumenten uit de duim zijn gezogen. Hij verzoekt binnen 10 dagen te mogen vernemen dat de brief van SEPPA ‘zal worden beschouwd als niet verzonden’ omdat hij zich anders tot de rechter zal moeten wenden.

2.5 Bij brief van 10 juni 2011 heeft SEPPA [eiser], voor zover hier van belang, als volgt bericht:
‘Met betrekking tot de inhoud van uw schrijven stelt cliënte zich op het standpunt dat mijn schrijven namens haar aan uw cliënte duidelijk is en zij haar standpunt handhaaft. Het is aan uw cliënte om de geijkte weg te volgen als hij zich hier niet in kan vinden.’

3. DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
3.1 [eiser] vordert dat het gerecht bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de beslissing om hem te royeren ongegrond, dan wel nietig zal verklaren, dat het gerecht gerekestreerden een opdracht zal geven hem te herstellen als lid van SEPPA, althans een andere beslissing te nemen en SEPPA te veroordelen in de kosten van de procedure.

3.2 Het verweer strekt tot niet ontvankelijk-verklaring dan wel afwijzing van de vordering met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.

4. DE BEOORDELING
4.1 [eiser] is niet ontvankelijk in zijn vorderingen voor zover ingesteld jegens het Congres, het Bestuur en het Uitvoerend Comite, daar dit geen natuurlijke of rechtspersonen zijn en derhalve niet in rechte kunnen worden betrokken, naast de vereniging zelf.

4.2 SEPPA heeft aangevoerd dat [eiser] ook niet-ontvankelijk is jegens haar, aangezien hij geen beroep heeft ingesteld bij het Bestuur tegen het royementsbesluit van het Uitvoerend Comité. Dit verweer wordt gepasseerd. Bij brief van 26 mei 2011 heeft [eiser] een brief ontvangen van mr. Duijneveld die daarin meedeelt dat het Uitvoerend Comité heeft besloten hem te royeren. Bij brief van 30 mei 2011 heeft de raadsman van [eiser] een brief gestuurd die is geadresseerd aan het Bestuur. SEPPA heeft aangevoerd dat de brief is gericht aan de Secretaris Generaal en dat die geen deel uitmaakt van het Bestuur, zodat [eiser] niet in beroep is gegaan bij het Bestuur. Dit snijdt geen hout. De brief is expliciet gericht aan het Bestuur (zie 2.4), zodat van de Secretaris Generaal verwacht mag worden dat hij deze tijdig doorgeleidt aan het Bestuur. Kennelijk is dit ook gebeurd, want bij brief van 10 juni 2011 heeft mr. Duijneveld op deze brief gereageerd namens SEPPA. Uit de inhoud van de brief van [eiser] heeft (het Bestuur van) SEPPA kunnen en moeten begrijpen dat hij het niet eens is met hetroyementsbesluit en heeft het Bestuur deze brief daarmee moeten opvatten als een mededeling dat [eiser] in beroep wenste te komen tegen het royementsbesluit. Uit de brief van mr. Duijneveld van 10 juni 2011 blijkt bovendien dat SEPPA haar standpunt handhaaft. Gelet op artikel 7 van de Statuten kan het (geroyeerde) lid vervolgens in beroep gaan bij het gerecht. De Statuten bepalen hiervoor geen termijn. Nu het onderhavige verzoekschrift dateert van 27 juni 2011 (één week na de brief van SEPPA), wordt het beroep bij het Bestuur geacht tijdig te zijn ingediend. De slotsom van het voorgaande is dan ook dat [eiser] ontvankelijk is in zijn vorderingen jegens SEPPA.

4.3 Uit artikel 5 sub b van het Huishoudelijk Reglement van SEPPA blijkt dat het geroyeerde lid het recht heeft persoonlijk zijn standpunt toe te lichten. Ter comparitie heeft [eiser] aangevoerd niet te zijn gehoord door het Bestuur, zodat hij zijn bezwaren tegen het royementen zijn belang om lid te blijven van SEPPA niet heeft kunnen toelichten. SEPPA heeft aangevoerd hem hiertoe wel te hebben uitgenodigd, maar [eiser] heeft hierop gereageerd door te stellen dat iemand anders (de heer Chundru), die ook was geroyeerd, wèl is uitgenodigd om te worden gehoord, maar hijzelf niet. Hierop heeft SEPPA ter comparitie erkend niet over een oproepingsbrief te beschikken. Het verweer van SEPPA wordt daarom gepasseerd. Nu de brief van het Bestuur van 10 juni 2011 verder ook volkomen ongemotiveerd is, is het hoger beroep door het Bestuur niet afgehandeld conform het Huishoudelijk Reglement. Dat brengt mee dat de beslissing van het Bestuur op het hoger beroep niet zorgvuldig tot stand is gekomen. Het gerecht zal deze beslissing daarom vernietigen.

4.4 De vernietiging van de beslissing van het Bestuur laat het royementsbesluit van het Uitvoerend Comité onaangetast. Het gerecht zal het royementsbesluit daarom schorsen totdat het Bestuur opnieuw op het beroep heeft beslist, nu de billijkheid dit bepaaldelijk vordert. Dit alles brengt mee dat [eiser] nog lid is van SEPPA, zodat hij verder geen belang heeft bij de vordering hem als lid te herstellen.

4.5 Bij akte heeft [eiser] nog verzocht ‘de zaak’ en ‘SEPPA’s verzoek’ ongegrond te verklaren. Volkomen duister blijft echter wat [eiser] hiermee voorstaat, aangezien SEPPA geen verzoek heeft ingediend. Dit verzoek van [eiser] behoeft dan ook geen verdere bespreking.

4.6 SEPPA zal, als de hoofdzakelijk in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure, aan de zijde van [eiser] begroot op:
– verschotten Afl. 184,00
– griffierecht Afl. 450,00
– salaris advocaat Afl. 1.800,00 (2 punten × tarief Afl. 900,00)
Totaal Afl. 2.434,00

5. DE UITSPRAAK
De rechter in dit gerecht, rechtdoende:

1. verklaart [eiser] niet ontvankelijk in zijn vorderingen tegen het Bestuur, het Congres en het Uitvoerend Comité;

2. vernietigt de beslissing van het Bestuur op het hoger beroep tegen het royementsbesluit;

3. schorst het royementsbesluit van het Uitvoerend Comité tot het moment dat opnieuw door het Bestuur op het hoger beroep is beslist;

4. veroordeelt SEPPA in de kosten van deze procedure, aan de zijde van [eiser] begroot op: Afl. 2.434,00;

5. verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

6. wijst af het meer of anders gevorderde.

Niet benoemde bestuursleden

Rechtbank Rotterdam 19 december 2012 LJN BY7782 (Bewust Verder)

Ruzie tussen (oud)-bestuurslid en bestuur. Nieuwe bestuursleden in functie zonder benoeming door ALV: “De in artikel 2:37 lid 2 BW genoemde regel is echter dat de benoeming van een bestuurder van een stichting (sic!) geschiedt door de algemene vergadering. Dit brengt met zich mee dat niet kan worden aanvaard dat degene die, ondanks het ontbreken van een dergelijk besluit, de werkzaamheden van een bestuurder is gaan uitoefenen zonder dat dit voor de leden verborgen is gebleven en zonder dat zij tegen de vervanging bezwaar hebben gemaakt als bestuurder van de stichting (sic!) moet worden aangemerkt.” Daarnaast ontslag bestuurslid, wat stand houdt. Uitleg 11 stemmen voor, 9 tegen en 2 onthoudingen (of 3, het vonnis is niet consistent) een meerderheid voor is, overigens met onjuiste “de helft + 1 regel”. Royement vernietigd, wegens strijd met de redelijkheid bij gebrek aan feitelijke onderbouwing.


Vonnis van 19 december 2012
zaak van [eiser], tegen
de vereniging VAKVERENIGING BEWUST VERDER 2002,

Partijen zullen hierna [eiser] en Bewust Verder 2002 genoemd worden.


2. De feiten
2.1. Bewust Verder 2002 is een op 1 september 2008 opgerichte vakbond. (Ontstaan in 2002 als lijst bij de verkiezingen voor een ondernemingsraad (onderdeelscommissie)).
2.2. De op 30 december 2008 opgestelde statuten van Bewust Verder 2002 (hierna: de statuten) luiden – voor zover relevant – als volgt:
Artikel 6 (…)
Het lidmaatschap eindigt: (…)
Door ontzetting (royement)(…)
Ontzetting uit het lidmaatschap kan alleen door het bestuur worden uitgesproken:
Wanneer een lid handelt in strijd met de statuten, reglementen of besluiten van de verenigingen/of
Wanneer een lid handelt de vereniging op onredelijke wijze benadeelt.
Van een besluit tot opzegging van het lidmaatschap namens de vereniging of ontzetting wordt het betrokken lid ten spoedigste schriftelijk, met opgave van redenen, in kennis gesteld. Opzegging namens de vereniging geschiedt door het bestuur. Binnen één maand na ontvangst van de kennisgeving van het besluit kan de betrokkene schriftelijk in beroep gaan bij de secretaris van de vereniging. Gedurende de beroepstermijn en hangende het beroep is het lid geschorst. (…)
Artikel 7
Het bestuur bestaat uit tenminste vijf personen, waaronder, voorzitter, tweede (2e) voorzitter secretaris en een penningmeester.
De bestuursleden worden benoemd voor een periode van vier jaar en zijn in geval van aftreden terstond herkiesbaar.
Het periodiek aftreden geschiedt volgens een door het bestuur vast te stellen rooster. In tussentijdse vacatures wordt in de eerstvolgende algemene vergadering na het ontstaan ervan voorzien. Een tussentijds gekozene treedt in de volgorde van aftreding in plaatse van degene die hij vervangt.
Een bestuurslid kan door de algemene vergadering te allen tijde worden geschorst of ontslagen. Een zodanig besluit kan slechts worden genomen in een vergadering waarin tenminste de helft van het aantal leden aanwezig is. Is het vereiste aantal leden niet aanwezig, dan wordt binnen vier weken, doch niet binnen zeven dagen, een tweede algemene vergadering gehouden, welke ongeacht het aantal aanwezige leden ter zake een rechtsgeldig besluit kan nemen. (…)
Het bestuur wijst uit zijn midden een voorzitter, een secretaris en een penningmeester aan die samen het dagelijks bestuur vormen.
Het algemeen bestuur kan slechts rechtsgeldige besluiten nemen, indien ter vergadering tenminste tweederde deel van het zittend aantal leden aanwezig is. (…)
Artikel 9
(…) Het bestuur is voorts bevoegd een algemene vergadering te beleggen wanneer het dit nodig acht. Het bestuur is tot de bijeenroeping van een algemene vergadering op een termijn van niet langer dan vier weken verplicht, wanneer tenminste een/tiende deel der leden een daartoe strekkend schriftelijk verzoek bij het bestuur heeft ingediend. Wanneer het bestuur aan zulk een verzoek niet binnen veertien dagen gevolg heeft gegeven, zijn de verzoekers samen bevoegd tot het bijeenroepen van een algemene vergadering, die zo nodig zelf in haar leiding voorziet. (…)
Artikel 10
Voor zover in deze statuten niet anders wordt bepaald, worden alle besluiten genomen met volstrekte meerderheid van stemmen. Over zaken wordt mondeling, over personen wordt schriftelijk gestemd tenzij de algemene vergadering anders besluit. Blanco stemmen tellen niet mee. Ieder lid heeft één stem. (…)
Artikel 15
In afwijking van het gestelde in artikel 7 lid 1. bestaat het bestuur voor de eerste maal uit de volgende personen:
? als voorzitter (reeds ingeschreven bij de Kamer van Koophandel): de verschenen persoon sub 1 zijnde de heer [persoon[persoon 1];
? de tweede (2e) voorzitter (reeds ingeschreven bij de Kamer van Koophandel): de heer [persoon 2] (…);
? als secretaris: de verschenen persoon sub [eiser]iser]r [eiser]

2.3. De heren [persoon[persoon 1] (hierna: [persoon 1]) en [persoon 2] (hierna: [persoon 2]) waren per 1 september 2008 als bestuurders in het handelsregister vermeld. [eiser] is met ingang van 30 december 2008 als bestuurder in het handelsregister ingeschreven.

2.4. Op 10 mei 2011 is een ledenvergadering uitgeschreven. De opkomst bij deze ledenvergadering was laag. [persoon 1] was niet bij deze vergadering aanwezig.

2.5. Na de ledenvergadering, maar nog op 10 mei 2011 (om 19:01 uur) heeft [persoon 1] een e-mailbericht gestuurd aan de bestuursleden van het G3-overleg (de vakbonden ABVAKABO, VOR en Bewust Verder 2002) en aan de bestuursleden van Bewust Verder 2002. Dit e-mailbericht vermeldt:
“Hallo [persoon 3],
Vanmiddag is er door een ledenvergadering beslist dat wij niet mee zouden doen aan de actie van morgen, ik ben hierbij niet aanwezig geweest maar heb [persoon 2]persoon 2] begrepen dat er geen draagvlak was om deel te nemen aan deze actie.
In de bijlage een oproep aan de leden van ons op welke manier we zouden meedoen aan de actie, dit heef [persoon 2] vanmorgen besproken met [persoon 4] en hij is met de voorwaarde van ons akkoord gegaan zoals ik heb begrepen van [persoon 2], maar wat er nu precies is gebeurt op de ledenvergadering is mij echt een raadsel.
Ik ga ervan uit dat er bestuursleden van ons morgen tijdens de actie aanwezig zullen zijn om het een en ander toe te lichten, aan onze leden.
Groetjes,
[p[persoon 5]on 5[persoon 6].
[Persoon 6] (door partijen in die periode aangemerkt als bestuurslid van Bewust Verder 2002, hierna: [persoon 6]) heeft op 10 mei 2011 om 19:05 uur een e-mailbericht verstuurd aan [persoon 1]. Dit e-mailbericht heeft de volgende inhoud:
“Hallo [perso[persoon 5]]
In de ledenvergadering van vanmiddag is helemaal niets beslist over het wel of niet meedoen met de actie, dat was al beslist.
We hebben de vergadering afgelast en deze verplaatst naar 26 mei, dit in verband met een wel heel kleine opkomst van welgeteld 4 mensen, hier kan je niet echt een vergadering mee aanvangen.
We hopen dan ook dat de opkomst van 26 mei veel groter zal zijn en dat we dan een beslissing kunnen nemen over het wel of niet meedoen met de vervolg acties.
Hoop je hiermee iets verder te hebben geïnformeerd.
Daar zullen ook de punten die we hadden staan op de agenda, terugkeren.
Groetjes [persoon 6]”

2.7. Op 11 mei 2011 heeft een stakingsactie tegen de voorgenomen openbare aanbesteding en de kabinetbezuinigingen in het openbaar vervoer plaatsgevonden. Bewust Verder 2002 heeft daaraan niet deelgenomen.

2.8. [persoon 6] heeft zich per 12 mei 2011 teruggetrokken uit het bestuur van Bewust Verder 2002.

2.9. Op 16 mei 2011 heeft [eiser] een e-mailbericht gestuurd aan “de bestuursleden” van Bewust Verder 2002, met de volgende inhoud:
“Beste bestuursleden,
De afgelopen weken heeft zich zoals jullie weten het e.e.a. zich afgespeeld met als gevolg dat [persoon 6] zich terug getrokken heeft uit het bestuur.
Zelf heb ik naar aanleiding van de mail van [persoon 5] als voorzitter een reactie gegeven.
Ik heb van de overige bestuursleden geen reactie mogen zien op het hele gebeuren en ook geen reactie van [persoon 5] gehad op mijn mail.
Ik vraag me dan ook serieus af welke kant het op moet/gaat met de BV2002.
Wat zo mooi is begonnen, zie ik steeds meer afbrokkellen.
Ik ben van mening dat wanneer er geen heil meer in ziet dit kenbaar gemaakt word zodat er stappen ondernomen kunnen worden.
Welke kant het ook opgaat laten we het wel formeel houden want we zijn tenslotte een officiële instantie.
Ik wil wel meegeven dat de hele RET meekijkt maar vooral ook geniet want inmiddels is bekend dat [persoon 6] zich teruggetrokken heeft.
Ik wil graag weten of we er nog steeds voor gaan? Zo ja dan zullen we toch bij elkaar moeten komen met het voltallig bestuur.
Ik wil ook graag weten hoe verder met de Algemene vergadering i.v.m. het wel of niet uitschrijven hiervan.
Met vriendelijke gro[eiser]iser]”

2.10. [persoon 7] en [persoo[persoon 8] (beiden in deze periode aangemerkt als bestuursleden, in deze procedure staat hun hoedanigheid ter discussie, hierna: [persoon 7] en [persoon 8]) hebben beiden afzonderlijk bij e-mailbericht op 16 mei 2011 aan [eiser] bericht dat zij akkoord zijn met het plannen van een bestuursvergadering en een Algemene vergadering. [persoon 2] en [persoon 1] hebben op 17 en 18 mei 2011 een e-mailbericht aan [eiser] verstuurd waarin zij zich op het standpunt stellen dat geen specifieke vergadering gepland hoeft te worden, omdat er volgens hen reeds voldoende vergaderingen staan gepland.

2.11. Op 21 mei 2011 hebben [persoon 1] en [persoon 2] aan “de bestuursleden” van Bewust Verder 2002 (inclusief [eiser]) een e-mailbericht verstuurd met de navolgende inhoud, voor zover relevant:
“Beste Bestuursleden,
(…)
Naar aanleiding van wat zich de afgelopen weekend heeft afgespeeld zijn wij tot de conclusie gekomen dat er binnen het bestuur van Bewust Verder 2002 geen gezonde werksfeer meer is.
Dit is voor ons, na rijp beraad dan ook aanleiding geweest, hoe zeer wij dit besluit ook betreuren, het vertrouwen in de secretaris Dhr. G.R. [eiser] per direct op te zeggen.
Wij zijn dan ook van mening dat hij niet meer mag handelen namens Bewust Verder 2002, mocht hij dit wel doen en hieruit ontstaat schade voor Bewust Verder 2002 zullen wij deze dan ook op hem verhalen.
In de komende week zullen wij Dhr. G.R. [eiser] hiervan ook schriftelijk op de hoogte brengen.
Met vriendelijke groet,
[persoon 5] [persoon 1] Voorzitter Bewust Verder 2002
[persoon 2] 2e voorzitter Bewust Verder 2002″

2.12. [eiser] heeft op 21 mei 2011 een e-mailbericht verstuurd naar “de bestuursleden” van Bewust Verder 2002. Dit e-mailbericht vermeldt:
“Ik lig helemaal niet wakker van jullie jongen wat je ook schrijft.
Je kan verzinnen wat je wil, ik ben jullie nu spuugzat en ik ga nu de leden optrommelen voor een officiële leden vergadering en uit de doeken doen wat zich afspeelt.
De leden mogen beslissen hoe verder en wat betreft schade verhalen bij mij jongen dan moet je heel wat in je mars hebben en dat heb jij niet, kom maar op als je durft.”

2.13. [persoon 1] heeft op 26 mei 2012 een e-mailbericht verzonden aan “de bestuursleden” van Bewust Verder 2002 op [eiser] na. In het e-mailbericht heeft [persoon 1] aan deze bestuursleden verzocht om op 31 mei 2011 bij elkaar te komen. Het e-mailbericht vermeldt, voor zover relevant:
“1e het opzeggen van het vertrouwen in de secretaris
2e wat gaan wij doen met de komende staking op 9 juni
3e hoe ziet het bestuur mijn positie als voorzitter
4e het schenden van het “strikt vertrouwelijk” van de secretaris
5e het in mijn ogen niet functioneren van de secretariaat”
Ik wil met jullie allemaal om de tafel maar onder geen enkele voorwaarden met de secretaris, hoe het bestuur dit wil in kleden laat ik aan het bestuur over en hoor het wel dinsdag.

2.14. Op 31 mei 2011 verstuurt [persoon 1] namens het bestuur van Bewust Verder 2002 zowel per post als per email een brief aan [eiser]. De brief wordt tevens in kopie aan “de overige bestuursleden” van Bewust Verder 2002 verzonden. Deze brief heeft de volgende inhoud, voor zover relevant:
“Naar aanleiding van alles wat vooraf is gegaan en het eerder uitroepen van “opzeggen van vertrouwen” in jouw als secretaris door de voorzitter en 2e voorzitter, hebben wij als bestuur bij meerderheid van stemmen en in goed overleg, ook besloten dit standpunt te volgen,
Het besluit om jouw hier niet bij te betrekken is genomen, omdat zowel jij als de Hr. J. [persoon 1] niet meer met elkaar in gesprek willen treden.
Dit houd in, dat u per direct de funtcie als secretaris van de Bewust Verder 2002 dient neer te leggen en ook niet meer uitnaam van de Bewust Verder 2002 als zodanig op de voorgrond zal treden of handelen uitnaam van de Bewust Verder 2002.
Ik hoop je hiermee volledig en voldoende op de hoogte te hebben gebracht en hoop dat je de benodigde spullen die de Bewust Verder 2002 toe komen zo spoedig mogelijk bij een van de bestuursleden inleverd.”

2.15. Op dezelfde dag ontvangen de leden van Bewust Verder 2002 van [persoon 1] per email een brief met de volgende inhoud:
“Naar aanleiding van een aantal onenigheden binnen het bestuur van de BV2002, heeft het bestuur bij meerderheid van stemmen besloten het vertrouwen in de Hr. G.R. [eiser] per direct op te zeggen en zullen wij hem uit zijn functie als secretaris zetten.
Wij hopen op zeer korte termijn een goede invulling te kunnen geven aan de functie van secretaris.
2.16. (…)
Met vriendelijke groet en uit naam van het Bestuur BV2002
J. [persoon 1]
Voorzitter”

2.17. [eiser] heeft in de avond van 31 mei 2011 een e-mailbericht aan [persoon 9] (lid van Bewust Verder 2002) verstuurd, waarin de e-mailadressen van alle leden van Bewust Verder 2002 worden genoemd.
[persoon 9] heeft vervolgens op dezelfde dag een e-mailbericht aan alle leden van Bewust Verder 2002 verstuurd met de volgende inhoud:
“beste collega.s ik heb de mail van onze voorzitter dhr kop gelezen maar naar mijn mening kan dat niet zomaar dar het bestuur een vergadering inlast is zonder zonder dat wij als lid van bv 2002 dat weten. en ze zo maar een bestuurslid de laan uitsturen daar je de veraderingen voor, bovendien weten wij niet eens wat er allemaal afspeelt.Ik vind dat de heer [ei[eiser] zich mag verdedigen en dat het aan ons is of de heer [eiser] mag blijven of niet of dat we iemand anders de laan uit moeten sturen dat is ons recht… naar mijn mening kunnen we beter aangeven dat we een vergadering willen. als dit zo door gaat vrees ik zeker voor mijn baan bij de ret….. nogmaals wil ik weten wat er allemaal afspeelt en ik neem aan dat jullie dat ook willen gr aad schouten lid van bv 2002.”

2.18. Op 3 juni 2011 heeft [persoon 6] haar reactie op het e-mailbericht van [persoon 9] aan [eiser] gemaild. Haar e-mailbericht vermeldt:
“Hallo [eiser],
als lid wil ik toch graag het volgende kwijt.
Wat je nu aan het doen bent, is met modder gooien en ik vind dat dat niet kan.
Wees wijs en stop daarmee, heeft ook geen enkele toegevoegde waarde.
Dit zijn persoonlijke mailtjes en dit soort mailtjes mag je niet verspreiden.”

2.19. De advocaat van [eiser] heeft op 24 juni 2011 een brief aan het bestuur van Bewust Verder 2002 verstuurd, waarin hij heeft medegedeeld dat [eiser] zijn functie als secretaris van Bewust Verder 2002 niet neerlegt totdat een geldig besluit is genomen over het functioneren van [persoon 1], [persoon 2] en hemzelf en hij verzoekt om het bijeenroepen van een algemene vergadering.

2.20. Namens het bestuur stuurt [persoon 1] op 30 juni 2011 een brief terug aan de advocaat van [eiser]. Deze brief vermeldt, voor zover relevant:
“Naar aanleiding van uw brief d.d. 24 juni 2011, wil ik als voorzitter van Bewust Verder 2002 namens het volledige bestuur van Bewust Verder 2002 reageren. Voor alle duidelijkheid stelt het bestuur zich op het standpunt dat de besluiten die genomen zijn omtrent de heer [eiser] unaniem zijn.
In uw brief dd 24 juni 2011 wijst u op artikel 7 uit de statuten, maar dit is in deze zaak niet aan de orde, daar de heer [eiser] zich op zodanige wijze gedragen heeft dat er niet meer redelijkerwijs gevergd kan worden dat het lidmaatschap blijft bestaan. Het bestuur overweegt artikel 6 van de statuten toe te passen.
Dit is mede ingegeven door het volgende: de heren J. [persoon 1] en [persoon 2] hebben op 21 mei 2011 in een e-mailbericht aan de bestuursleden van Bewust Verder 2002, onder mededeling van strikt vertrouwelijk (artikel 10 van het huishoudelijk reglement), hun vertrouwen opgezegd in de heer [eiser].
De reactie van de heer [eiser] was het betreffende stuk van strikt vertrouwelijk, onrechtmatig met gebruik van het leden bestand en de hierbij behorende persoonsgegevens (eigendom van Bewust Verder 2002) voor alle bij hem bekende leden te publiceren en te versturen. Het schenden van de vertrouwelijkheid, het zonder toestemming van het bestuur gebruiken van bestanden die het eigendom zijn van Bewust Verder 2002 en het ontketenen van een hetze tegen in beginsel een aantal bestuursleden en later tegen alle bestuursleden.”

2.21. De advocaat van [eiser] stuurt op 7 juli een brief aan het bestuur van Bewust Verder 2002. Hij verzoekt het bestuur dringend een algemene vergadering te beleggen. Verder deelt hij mede dat, indien het bestuur blijft weigeren een algemene vergadering te plannen, meer dan een tiende van de leden het bestuur verzoekt een algemene vergadering te beleggen.

2.22. Op 18 juli verstuurt [eiser] aan de leden van Bewust Verder 2002 een uitnodiging voor aan algemene vergadering op 28 juli 2011.
Op deze vergadering verschenen tien leden. De notulen van deze vergadering luiden – voor zover relevant – als volgt:
“Op vragen van leden betreffende de lage opkomst en het verzoek van schriftelijke aanvragen zoals gemeld in de statuten (Art:9 regel 9) kwam de Hr. G. [eiser] met het antwoord dat die allemaal per mail bij hem een verzoek hadden gedaan, hierop werd gelijk aangegeven dat dit niet bij het overige bestuur is aangeleverd. (Art:9 regel 9)
Ook op de vraag wie er allemaal waren uitgenodigd, kon de heer Hr. H.[eiser] geen duidelijk antwoordt geven, deze vraag werd gesteld omdat het bestuur had vernomen dat er verschillende personen geen uitnodiging hadden gekregen.
Het is namelijk zo dat voor een algemene vergadering alle leden een uitnodiging dienen te ontvangen.
Op grond van het bovenstaand gegeven en andere feiten hebben verschillende leden aangegeven deze vergadering nietig te verklaren.
Volgens de Hr. G.[eiser] kan dit niet en blijf hij volharden in zijn standpunt dat het een rechtsgeldige ledenvergadering is. Dit is niet juist, alleen de voorzitter kan te allen tijden een algemene vergadering of bestuursvergadering uitschrijven (artikel 6 huishoudelijk reglement). (…)
Na het nietig verklaren heeft de [persoon [persoon 10] namens de voorzitter aangegeven dat er een algemene vergadering zal worden gehouden op 23 augustus 2011 ook rekening houdend met de statuten/huishoudelijk reglement.”

2.23. Op 23 augustus 2011 is een algemene vergadering gehouden, waar 23 leden aanwezig waren. Tijdens deze vergadering is gestemd over het ontslag van [persoon 1], [persoon 2] en [eiser]. Van de 23 aanwezige leden stemden elf leden voor het ontslag van [eiser] en negen tegen. Drie leden hebben blanco gestemd.
De notulen van deze vergadering vermelden – voor zover relevant:
“Dit betekent, dat er een besluit is genomen dat de Hr. G [eiser] door een meerderheid van stemmen uit zijn functie wordt gezet als Secretaris van de vakbond Bewust Verder 2002.”

2.24. [persoon 1] heeft op 24 augustus 2011 namens het bestuur van Bewust Verder 2002 een brief aan de leden van Bewust Verder 2002 gestuurd. Deze brief luidt – voor zover relevant – als volgt:
“Op dinsdagavond 23 augustus 2011 is er een algemene vergadering (ALV) geweest.
Op deze vergadering is er met een meerderheid van stemmen door de aanwezige leden een besluit genomen om afscheid te gaan nemen van de secretaris de heer G.R. [eiser].”

2.25. Op 7 september 2011 heeft [persoon 1] namens het bestuur van Bewust Verder 2002 een aangetekende brief aan [eiser] verstuurd met de volgende inhoud, voor zover relevant:
“Na zorgvuldig overleg kan het bestuur van Bewust Verder 2002 niet meer anders dan naar het zwaarste middel te grijpen en u te ontzetten/royeren, gelet op artikelen 6 en 7 van de Statuten.
De reden dat het bestuur heeft besloten om het zwaarste middel te moeten gaan inzetten is de volgende, wij tolereren uw gedrag niet langer, u weigert zich te houden aan het besluit dat democratisch is genomen, in de Algemene vergadering van 23 augustus 2011. In deze vergadering is besloten, dat u per direct uw functie als secretaris dient neer teleggen. Ondanks dit alles blijft u zich als secretaris profileren en post sturen.
Wij zijn van mening dat u leden benadeelt en schade berokkent door misbruik te maken van de e-mailbestanden van Bewust Verder 2002 en het openbaar maken en afstaan hiervan aan derden, wat overigens bij wet verboden is. Dit is u al meerdere malen bij woord en geschrift kenbaar gemaakt.”

2.26. [eiser] heeft bij brief van 4 oktober 2011 beroep aangetekend tegen het besluit waarin hij als lid is ontzet. Hij schrijft dat hij verwacht dat dit beroep – conform de statuten – door de algemene vergadering zal worden behandeld.

2.27. [persoon 1] heeft de leden van Bewust Verder 2002 op 10 oktober 2011 een brief gestuurd, waarin hij meedeelt dat afscheid is genomen van [eiser] als secretaris en hij tevens als lid zal worden geroyeerd/ontzet per 7 september 2011. Verder deelt [persoon 1] mede dat [persoon 6], [persoon 10] en [persoon 11] toetreden tot het bestuur van Bewust Verder 2002.

2.28. Op 14 november 2011 heeft Bewust Verder 2002 een algemene vergadering gehouden. De notulen van deze vergadering luiden – voor zover relevant – als volgt:
“Hierop heeft de heer J. [persoon 10] direct antwoord met de mededeling dat wat betreft het ontslag als secretaris dit een gepasseerd station is, dit is namelijk besloten in de Algemene Leden Vergadering van 23 augustus 2011, waar hij en zijn advocaat schriftelijk van op de hoogte zijn gebracht, op dit moment niet aan de orde is, hier wordt alleen maar gesproken over het ontzetten/royement, dit is ook duidelijk gemaakt in de uitnodiging voor deze vergadering aan de heer G.R. [eiser], en op wat voor gronden hij ontzet/geroyeerd, door het bestuur van Bewust Verder 2002. (…)
De heer J. [persoon 10] begint zijn uitleg met een opsomming van feiten en overtredingen waar de heer G.R. [eiser] zich volgens het bestuur van Bewust Verder 2002 zich aan schuldig heeft gemaakt en met sommige punten nog steeds mee bezig is, zoals het in diskrediet brengen van de vereniging.
De redenen van het ontzetten/royeren:
– Het verspreiden van onjuiste en opruiende mails
– Het schenden van artikel 10 van het huishoudelijk reglement door brieven te sturen waar “Vertrouwelijk” op rust.
– Het telkens negatieve uitlaten van reacties tegen over collega’s op de werkvloer. en het management.
– Het zich al meerdere malen uitspreken dat hij op persoonlijke titel verder gaat en geen binding meer heeft met de BV2002,
– Het misbruiken van e-mail adressen en het verstrekken aan dede van deze bestanden wat uit het oogpunt van privacy bij wet verboden is en tevens een strafbaar feit is.
– Het nog steeds illegaal gebruik maken van de spullen de toebehoren aan Bewust Verder 2002
– Het zich onttrekken aan de verantwoordelijkheden en taken als secretaris
(…)
De stelling luidt: zijn de leden het eens met het besluit van het bestuur om de heer G.R. [eiser] te ontzetten/royeren (…)
Hiermee is het besluit unaniem aangenomen.”

2.29. [persoon 6], [persoon 10], Jankipersadsing, [persoon 7] en [per[persoon 12] (hierna: [persoon 12]) zijn per 14 november 2011 als bestuurders van Bewust Verder 2002 ingeschreven in het handelsregister.

2.30. Op 15 november 2011 stuurt [persoon 1] namens het bestuur van Bewust Verder 2002 een brief aan [eiser], waarin hij meedeelt dat de vergadering unaniem heeft besloten achter het besluit van het bestuur te gaan staan om [eiser] te ontzetten/royeren als lid van Bewust Verder 2002.

3. Het geschil
in conventie
3.1. [eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
? het besluit inhoudende dat [eiser] als bestuurslid van Bewust Verder 2002 werd ontslagen te vernietigen wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid op grond van artikel 2:15 lid 1 sub b BW en Bewust Verder 2002 te veroordelen [eiser] in al zijn rechten als secretaris van Bewust Verder 2002 te herstellen en dit ook aan alle andere leden schriftelijk kenbaar te maken zulks binnen drie dagen na de dagtekening van het in dezen te wijzen vonnis, onder verbeurte van een dwangsom van € 250,- per dag dat Bewust Verder 2002 in gebreke blijft aan het vonnis te voldoen, althans een in goede justitie te bepalen bedrag; en
? het besluit waarmee [eiser] uit het lidmaatschap van Bewust Verder 2002 werd ontzet te vernietigen wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid op grond van artikel 2:15 lid 1 sub b BW en Bewust Verder 2002 te veroordelen [eiser] in al zijn rechten als lid van Bewust Verder 2002 te herstellen en dit ook aan alle andere leden schriftelijk kenbaar te maken, zulks binnen drie dagen na de dagtekening van het in deze te wijzen vonnis, onder verbeurte van een dwangsom van € 250,- per dag dat Bewust Verder 2002 in gebreke blijft aan het vonnis te voldoen, althans een in goede justitie te bepalen bedrag; en
? te verklaren voor recht dat de benoemingen door het bestuur van Bewust Verder 2002 van de heren [persoon 10], [persoon 7], [persoon 13], [persoon 12] en van mevrouw [persoon 6] tot bestuurslid nietig zijn en dat deze personen derhalve geen deel uitmaken van het bestuur van Bewust Verder 2002; en
? Bewust Verder 2002 te veroordelen tot betaling aan [eiser] van:
a. de kosten van de algemene vergadering van 28 juli 2011 van € 68,70 inclusief BTW, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 12 september 2011 tot aan de dag der algehele voldoening; en
b. een bedrag van € 2.500,- ter vergoeding van de door Bewust Verder 2002 geleden c.q. nog te lijden schade, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, met bepaling dat, als deze kosten niet binnen zeven dagen na dagtekening van het in dezen te wijzen vonnis worden voldaan, daarover vanaf de achtste dag na dagtekening van het vonnis wettelijke rente is verschuldigd; en
c. een vergoeding voor gemaakte buitengerechtelijke kosten van € 714,-, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening; en
d. een bedrag van € 131,- zonder betekening, verhoogd met een bedrag van € 68,- in geval van betekening, aan nakosten, als bedoeld in artikel 237 lid 4 Rv met bepaling dat, als deze kosten niet binnen zeven dagen na de dagtekening van het in dezen te wijzen vonnis worden voldaan, daarover vanaf de achtste dag na dagtekening van het vonnis wettelijke rente verschuldigd is; en
e. de kosten van deze procedure met bepaling dat, als deze kosten niet binnen zeven dagen na de dagtekening van het in dezen te wijzen vonnis worden voldaan, daarover vanaf de achtste dag na dagtekening van het vonnis, wettelijke rente is verschuldigd.

3.2. Bewust Verder 2002 voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

In reconventie

3.4. Bewust Verder 2002 vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [eiser] te veroordelen tot betaling van € 77,80 als vergoeding voor de postzegels en enveloppen die [eiser] volgens haar in zijn bezit heeft en tot betaling van € 251,50 voor de kosten van twee ledenvergaderingen op 23 augustus 2011 en 14 november 2011, beide bedragen vermeerderd met de proceskosten.

3.5. [eiser] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering.

3.6. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling
in conventie
4.1. De vordering van [eiser] ziet op het besluit tot ontslag als bestuurslid, op het besluit tot ontzetting als lid van Bewust Verder 2002, op de benoeming van de heren [persoon 10], [persoon 7], [persoon 13] en [persoon 12] en van mevrouw [persoon 6] en op verschillende kosten- en schadeposten.
Het besluit tot ontslag van [eiser] als bestuurder van Bewust Verder 2002

4.2. [eiser] betwist allereerst dat er een rechtsgeldig besluit is genomen waarmee hij is ontslagen als bestuurder van Bewust Verder 2002. Voor zover dit besluit wel rechtsgeldig zou zijn genomen, is het besluit volgens hem vernietigbaar wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid.

4.3. Een besluit tot ontslag van een bestuurslid van een vereniging wordt op grond van artikel 2:37 lid 6 en 3 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) genomen door hetzelfde orgaan dat de bestuurslid heeft benoemd: de algemene vergadering. Hiervan kan bij statuten worden afgeweken.
Artikel 7 van de statuten van Bewust Verder 2002 bepaalt, als aanvulling op de wettelijke bepalingen, dat een bestuurder te allen tijde door de algemene vergadering kan worden ontslagen, waarbij vereist is dat ten minste de helft van de leden aanwezig is. Indien niet het vereiste aantal leden aanwezig is, wordt binnen vier weken een nieuwe vergadering gehouden. In deze vergadering kan, ongeacht het aantal aanwezige leden, een besluit worden genomen.
De algemene vergadering heeft op 23 augustus 2011 gestemd over het ontslag van [eiser] als bestuurder van Bewust Verder 2002. Van de 22 leden die hebben deelgenomen aan de stemming hebben elf leden vóór en negen leden tegen het ontslag van [eiser] gestemd. Twee leden hebben blanco gestemd; deze stemmen tellen – op grond van artikel 10 van de statuten – niet mee. De meerderheid van stemmen wordt gevormd door de helft vermeerderd met één. (Noot, dit is onjuist, bijv. bij 11 stemmen voor, 10 tegen, is er wel een meerderheid voor, maar niet de helft + 1) In dit geval waren er dus vereist tien (de helft van de twintig uitgebrachte stemmen) plus één, dus elf stemmen. Het besluit tot ontslag van [eiser] als bestuurder is dan ook rechtsgeldig.

4.4. [eiser] stelt zich op het standpunt dat het besluit tot zijn ontslag op grond van artikel 2:15 BW vernietigbaar is, omdat er geen (concrete) redenen of goede gronden zijn die het ontslag kunnen rechtvaardigen. De rechtbank overweegt dat het besluit tot ontslag van [eiser] als bestuurder blootstaat aan nietigverklaring wegens strijd met redelijkheid en billijkheid die bij de totstandkoming van het besluit in acht moeten worden genomen. De toetsing van het besluit aan de eisen van redelijkheid en billijkheid is een marginale. De rechtbank dient slechts te beoordelen of de algemene vergadering in de omstandigheden van het geval in redelijkheid tot het besluit tot ontslag van [eiser] als bestuurder van Bewust Verder 2002 heeft kunnen komen. In het onderhavige geval heeft het bestuur van Bewust Verder 2002 op 31 mei 2011 aan alle leden medegedeeld dat het geen vertrouwen meer had in [eiser]. Verder staat vast dat [eiser] – kort nadat hij op 21 mei 2011 van de overige bestuursleden van Bewust Verder 2002 had vernomen dat het vertrouwen in hem werd opgezegd – alle e-mailadressen van de leden doorgestuurd aan [persoon 9]. Daarnaast is door beide partijen gesteld dat in de periode voorafgaand aan het ontslag tussen hen meningsverschillen zijn geweest. Hoewel deze volgens [eiser] zijn opgelost, kunnen deze er wel aan hebben bijgedragen dat het vertrouwen in hem afnam. Uit de e-mailwisselingen en uit het besprokene op de comparitie van partijen is gebleken dat de verhoudingen tussen [eiser] enerzijds en de andere bestuursleden anderzijds onwerkbaar waren geworden. Deze omstandigheden maken dat de algemene vergadering in redelijkheid heeft kunnen overgaan tot het ontslag van [eiser].
De rechtbank zal niet ingaan op de betwiste stelling van Bewust Verder 2002 dat [eiser] als secretaris slecht heeft gefunctioneerd. De algemene vergadering heeft immers reeds op basis van de hiervoor geschetste omstandigheden in redelijkheid en billijkheid tot het besluit tot ontslag van [eiser] als bestuurder van Bewust Verder 2002 kunnen komen.

Het besluit tot ontzetting van [eiser] als lid van Bewust Verder 2002

4.5. [eiser] is bij het besluit van het bestuur van 7 september 2011 als lid van Bewust Verder 2002 ontzet. Het beroep van [eiser] tegen dit besluit is behandeld tijdens de algemene vergadering op 14 november 2011. De algemene vergadering heeft unaniem het besluit van het bestuur bekrachtigd. In deze procedure stelt [eiser] dat het besluit van de algemene vergadering waarin hij is ontzet als lid van Bewust Verder 2002 in strijd is met de redelijkheid en billijkheid. Volgens [eiser] had het bestuur met concrete feiten en omstandigheden moeten komen die dermate zwaarwegend zijn dat zij het ontzettingsbesluit rechtvaardigen, had het bestuur moeten openstaan voor een inhoudelijke discussie over de valse beschuldigingen en had de algemene vergadering over zijn ontzetting als lid moeten stemmen waar hij bij was.

4.6. Artikel 3:37 (lees: 3:35) lid 3 BW bepaalt dat ontzetting van een lid alleen mag worden uitgesproken wanneer een lid in strijd met de statuten, reglementen of besluiten der vereniging handelt of de vereniging op onredelijke wijze benadeelt. Hiervan kan niet worden afgeweken in de statuten.
Bewust Verder 2002 heeft ter onderbouwing van haar besluit aangevoerd dat [eiser] de e-mailadressen van leden op 31 mei 2011 heeft doorgezonden aan [persoon 9], terwijl dit vertrouwelijke informatie was. Verder heeft [eiser] onjuiste en opruiende e-mailberichten verstuurd aan de leden van Bewust Verder 2002 en derden.

De rechtbank overweegt dat uit hetgeen is gesteld en gebleken niet kan worden afgeleid dat door het openbaar maken aan een lid van Bewust Verder 2002 van de e-mailadressen van de leden, Bewust Verder 2002 op onredelijke wijze is benadeeld. Ook het stemgedrag van leden over het ontslag van [eiser] is er niet door beïnvloed. Over onjuiste en opruiende e-mailberichten die volgens Bewust Verder 2002 door [eiser] zouden zijn verstuurd aan leden en derden overweegt de rechtbank dat deze stelling door [eiser] is betwist, maar op geen enkele wijze is onderbouwd door Bewust Verder 2002. Het is daardoor voor de rechtbank niet bekend om welke e-mailberichten het gaat en welke schade Bewust Verder 2002 hierdoor heeft opgelopen. Deze stelling zal worden gepasseerd.
Bewust Verder 2002 voert verder aan dat [eiser] haar is blijven dwarszitten. Zij onderbouwt echter niet waaruit dit dwarszitten heeft bestaan. Voor zover Bewust Verder 2002 erop doelt dat [eiser] tegen de besluiten van het bestuur en de algemene vergadering van Bewust Verder 2002 in beroep is gekomen, kan dit hem niet worden verweten.
Gelet op het voorgaande heeft het bestuur op basis van de aangevoerde omstandigheden in redelijkheid niet kunnen komen tot het besluit [eiser] als lid te ontzetten. Deze omstandigheden kunnen de beslissing niet dragen en het besluit zal worden vernietigd.
De gevorderde dwangsom – op de vordering [eiser] binnen drie dagen na dit vonnis in zijn rechten als lid te herstellen en dit ook aan de andere leden kenbaar te maken – is niet door Bewust Verder 2002 betwist en zal worden toegewezen, zij het gemaximaliseerd tot € 5.000,-. Gelet op de korte termijn van drie dagen zal de hierna in het dictum te noemen termijn worden bepaald.

Het besluit tot benoeming van de heren [persoon 10], [persoon 7], [persoon 13] en [persoon 12] en van mevrouw [persoon 6]

4.7. [eiser] vordert een verklaring voor recht dat de benoemingen van de heren [persoon 10], [persoon 7], [persoon 13] en [persoon 12] en van mevrouw [persoon 6] tot bestuurslid nietig zijn en dat deze personen derhalve geen deel uitmaken van het bestuur van Bewust Verder 2002. De besluiten waarmee zij tot bestuurders zijn benoemd zijn volgens hem nietig, omdat zij zijn genomen door het bestuur en niet door de algemene vergadering. Bewust Verder 2002 voert aan dat voornoemde personen wel door de algemene vergadering zijn benoemd, maar dat van die betreffende vergadering(en) door toedoen van [eiser] geen verslagen gemaakt zijn. Daarnaast blijkt uit het handelsregister dat zij bestuurders zijn, aldus Bewust Verder 2002.

4.8. In de statuten van Bewust Verder 2002 staat geen afwijking van de in artikel 3:37 lid 2 BW opgenomen hoofdregel dat de benoeming van haar bestuurders geschiedt door de algemene vergadering. [eiser] heeft – in tegenstelling tot hetgeen Bewust Verder 2002 heeft aangevoerd – belang bij deze verklaring voor recht, nu hij als lid van Bewust Verder 2002 aan de besluitvorming hierover moet kunnen deelnemen.
Hoewel Bewust Verder 2002 zich op het standpunt stelt dat de algemene vergadering wel degelijk een besluit heeft genomen over de benoeming van de heren [persoon 10], [persoon 7], [persoon 13] en [persoon 12] en van mevrouw [persoon 6], zijn hiervoor onvoldoende aanknopingspunten terug te vinden in haar stellingen en de door haar overgelegde stukken. Zo heeft zij niet gesteld tijdens welke algemene vergadering deze besluiten zouden zijn genomen. Wel is in het handelsregister ingeschreven dat de desbetreffende bestuursleden per 14 november 2011 in functie zijn getreden. In de notulen van deze op deze datum gehouden algemene vergadering is hierover echter niets vermeld en inschrijving in het handelsregister schept geen recht. Bewust Verder 2002 heeft haar stelling dat door de algemene vergadering besluiten zijn genomen tot benoeming van de heren [persoon 10], [persoon 7], [persoon 13] en [persoon 12] en van mevrouw [persoon 6] daarmee onvoldoende onderbouwd. De rechtbank zal in haar verdere beoordeling als uitgangspunt nemen dat de algemene vergadering geen benoemingsbesluiten heeft genomen.
Zij verwerpt daarbij het verweer van Bewust Verder 2002 dat [eiser] de notulen niet goed heeft opgesteld. Zorgvuldige notulering van ter algemene vergadering genomen benoemings- en ontslagbesluiten van bestuurdersleden is een taak die het gehele bestuur aangaat en derhalve valt onder de collectieve verplichting van het bestuur.
Bewust Verder 2002 stelt dat [eiser] zelf de heren [persoon 10], [persoon 7], [persoon 13] en [persoon 12] en van mevrouw [persoon 6] als “het bestuur” meerdere malen heeft aangeschreven. De in artikel 2:37 lid 2 BW genoemde regel is echter dat de benoeming van een bestuurder van een stichting (sic!) geschiedt door de algemene vergadering. Dit brengt met zich mee dat niet kan worden aanvaard dat degene die, ondanks het ontbreken van een dergelijk besluit, de werkzaamheden van een bestuurder is gaan uitoefenen zonder dat dit voor de leden verborgen is gebleven en zonder dat zij tegen de vervanging bezwaar hebben gemaakt als bestuurder van de stichting (sic!) moet worden aangemerkt.
De door Bewust Verder 2002 gestelde besluiten tot benoeming van de heren [persoon 10], [persoon 7], [persoon 13] en [persoon 12] en van mevrouw [persoon 6] als bestuurslid zijn in strijd met artikel 2:37 lid 2 BW genomen en daarmee nietig op grond van artikel 2:14 BW. De vordering van [eiser] zal worden toegewezen.

De kosten- en schadeposten

4.9. [eiser] vordert € 68,70 aan kosten die hij heeft gemaakt voor de algemene vergadering op 28 juli 2011. Deze vordering wordt door Bewust Verder 2002 betwist. Hoewel Bewust Verder 2002 in de conclusie van antwoord aanvoerde een gedeelte van dit bedrag (€ 60,-) te zullen voldoen, heeft zij dit tijdens de comparitie van antwoord aangevuld met de opmerking dat dit alleen zou gelden, als zij van [eiser] de postzegels en enveloppen (waarvoor in reconventie een vergoeding wordt gevorderd) zou terugkrijgen. Nu [eiser] deze niet aan Bewust Verder 2002 heeft overhandigd, betwist zij de gehele vordering van € 68,70.
De rechtbank overweegt over de kosten betrekking hebben op een door [eiser], volgens hem namens een/tiende deel van de leden, bijeengeroepen algemene vergadering op 28 juli 2011 als volgt. [eiser] stelt dat het bestuur van Bewust Verder 2002 verplicht was tot het bijeenroepen van een algemene vergadering binnen vier weken na het verzoek daartoe van zijn advocaat van 24 juni 2011 en het bestuur dit niet heeft gedaan. Hij was vervolgens namens een/tiende van de leden bevoegd een algemene vergadering te plannen. Deze kosten dienen door Bewust Verder 2002 te worden gedragen.
De statuten vermelden in artikel 9 dat het bestuur van Bewust Verder 2002 verplicht is een algemene vergadering bijeen te roepen op een termijn van niet langer dan vier werken, wanneer tenminste een/tiende deel der leden een daartoe strekkend verzoek bij het bestuur heeft ingediend. In de brief van 24 juni 2011 verzoekt de advocaat van [eiser] inderdaad om het plannen van een algemene vergadering, maar uit deze brief kan niet worden afgeleid dat dit verzoek namens tenminste een/tiende deel van de leden wordt gedaan. Pas bij zijn brief van 7 juli 2011 vermeldt de advocaat dat hij een verzoek namens een/tiende deel van de leden doet. Hoewel het bestuur vanaf dat moment twee weken de tijd had om daaraan gevolg te geven, heeft [eiser] al voor het aflopen van deze termijn een uitnodiging voor een algemene vergadering verzonden. [eiser] was op grond van de statuten op dat moment nog niet bevoegd een algemene vergadering bijeen te roepen, zodat de kosten door hem dienen te worden gedragen.
De vordering van € 68,70 zal worden afgewezen.

4.10. Verder vordert [eiser] € 2.500,- aan vergoeding van immateriële schade wegens schending van zijn naam en reputatie. Volgens hem komt dit bedrag hem toe, omdat het opzeggen van het vertrouwen door het bestuur en de bekendmaking daarvan beschadigend voor zijn goede naam zijn. Bewust Verder 2002 heeft deze vordering betwist.
De rechtbank overweegt dat voor het toewijzen van een schadevergoeding – kennelijk op grond van een onrechtmatige daad – in elk geval de schade voldoende moet worden onderbouwd. [eiser] heeft echter slechts gesteld dat de schade bestaat uit de negatieve gevolgen van de aantasting van zijn naam en reputatie voor (het in aanmerking komen voor en) de uitoefening van posities in de ondernemingsraad (en zijn commissies) en in de vakbondswereld. Hij heeft de schade op geen enkele wijze onderbouwd.
De vordering van € 2.500,- voor immateriële schadevergoeding zal daarom worden afgewezen.

4.11. [eiser] heeft vergoeding van buitengerechtelijke (incasso-)kosten gevorderd voor een bedrag van € 714,-. De kosten waarvan [eiser] vergoeding vordert zijn brieven die zijn advocaat heeft geschreven aan het bestuur en de advocaat van Bewust Verder 2002 en de aanwezigheid van zijn advocaat bij de behandeling van het beroep tegen het ontzettingsbesluit. Dit zijn kosten die betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten, te weten een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen op het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. Verder overweegt de rechtbank dat de kosten in redelijkheid zijn gemaakt en de omvang daarvan redelijk is (doordat het in het Rapport Voor-Werk II gehanteerde forfaitaire tarief dat in zijn algemeenheid redelijk wordt geacht niet te boven gaat). Aan de betwisting van Bewust Verder 2002 gaat de rechtbank voorbij, nu deze op geen enkele manier is onderbouwd.
De wettelijke rente over deze buitengerechtelijke (incasso-)kosten zal als onbetwist worden toegewezen.

4.12. Aangezien elk van partijen als op enig punt in het ongelijk gesteld is, zal de rechtbank de proceskosten compenseren, zoals in het dictum vermeld.

in reconventie
4.13. Bewust Verder 2002 vordert € 77,80 als vergoeding voor de postzegels en enveloppen die [eiser] volgens haar in zijn bezit heeft. [eiser] betwist dat hij deze zaken in zijn bezit heeft.
De rechtbank overweegt dat in deze procedure niet is komen vast te staan dat [eiser] de postzegels en enveloppen in zijn bezit heeft. Het zijn van secretaris van een vereniging brengt dat niet automatisch met zich mee. Bewust Verder 2002 stelt wel dat [eiser] post verstuurde, maar zegt slechts dat [eiser] de postzegels en enveloppen in bezit zou hebben voor “eventueel” te verzenden post. Gelet op deze magere stelling en de betwisting door [eiser], had het op de weg van Bewust Verder 2002 gelegen haar vordering nader te onderbouwen. Door dit na te laten, heeft zij haar vordering onvoldoende onderbouwd. De vordering van € 77,80 zal dan ook worden afgewezen.

4.14. Bewust Verder 2002 vordert tevens € 251,50 voor de kosten van twee ledenvergaderingen op 23 augustus 2011 en 14 november 2011. Bewust Verder 2002 heeft door de volgens haar onrechtmatige gedragingen van [eiser] deze extra vergaderingen moeten inplannen en vordert de kosten van deze vergaderingen terug.
Deze vordering zal worden afgewezen. [eiser] heeft tijdens deze algemene vergaderingen de mogelijkheid gekregen om te protesteren tegen zijn ontslag als bestuurder en zijn ontzetting als lid. Van Bewust Verder 2002 mag worden verwacht dat zij [eiser] deze mogelijkheid biedt. De vergaderingen vallen onder de activiteiten van een vereniging en dienen dan ook door Bewust Verder 2002 te worden betaald.

4.15. Bewust Verder 2002 zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van [eiser] worden veroordeeld. De vorderingen in reconventie hangen dermate samen met de vorderingen in conventie, dat de proceskosten in reconventie van [eiser] op nihil worden begroot.

5. De beslissing
De rechtbank

in conventie
5.1. vernietigt het besluit inhoudende dat [eiser] uit zijn lidmaatschap van Bewust Verder 2002 is ontzet;

5.2. veroordeelt Bewust Verder 2002 om [eiser] in al zijn rechten als lid van Bewust Verder 2002 te herstellen en dit ook aan de andere leden kenbaar te maken, zulks binnen vijftien dagen na de dagtekening van dit vonnis, onder verbeurte van een dwangsom van € 250,- per dag dat Bewust Verder 2002 hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 5.000,-;

5.3. verklaart voor recht dat de besluiten tot benoeming door het bestuur van Bewust Verder 2002 van de heren [persoon 10], [persoon 7], [persoon 13] en [persoon 12] en van mevrouw [persoon 6] tot bestuurslid nietig zijn en dat deze personen derhalve geen deel uitmaken van het bestuur van Bewust Verder 2002;

5.4. veroordeelt Bewust Verder 2002 in het bedrag van € 714,- aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:120 lid 1 BW vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

5.5. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.6. verklaart dit vonnis in conventie uitvoerbaar bij voorraad;

5.7. wijst het meer of anders gevorderde af;

in reconventie
5.8. wijst de vorderingen af;

5.9. veroordeelt Bewust Verder 2002 in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op nihil. 

Dit vonnis is gewezen door mr. L.J. Sarlemijn

Royement (Slagvast)

Hof Den Haag 14 febrauri 2012,  LJN BV5605 (Slagvast)


Lid wordt geroyeerd na 30 jaar lidmaatschap en 10 jaar bestuurslidmaatschap. Dat kan, maar de procedure duurt wel op de dag af 4 jaar. Gerechtelijke vernietiging van ALV besluit tot bevestiging van bestuursbesluit tot ontzetting tast het bestuursbesluit niet aan. 

Uitspraak
GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE
in de zaak van

[X.], appellante, tegen:

SPORTVERENIGING SLAGVAST-KAMPERLAND,
geïntimeerde, hierna te noemen: Slagvast,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 1 november 2011 in het hoger beroep van het door de rechtbank Middelburg onder nummer 71245 / HA ZA 10-12 gewezen vonnis van 30 juni 2010.

8 De verdere beoordeling

8.1.1 Slagvast is een tennisvereniging. [appellante] is vanaf ongeveer 1980 lid van Slagvast geweest.

8.1.2 Bij brief van 26 juli 2007 heeft het bestuur van Slagvast [appellante] meegedeeld dat zij per direct wordt geschorst als lid van Slagvast naar aanleiding van een brief die zij aan één van de leden van Slagvast heeft gezonden en eerdere incidenten.

8.1.3 Bij brief van 2 augustus 2007 heeft het bestuur van Slagvast [appellante] in kennis gesteld van haar definitieve besluit van 1 augustus 2007 om de opgelegde schorsing te handhaven tot en met de eerst komende Algemene Ledenvergadering. Het bestuur heeft tevens aangekondigd dat zij tijdens deze Algemene Ledenvergadering een voorstel tot ontzetting van [appellante] uit het lidmaatschap zal indienen.

8.1.4 Bij brief van 14 februari 2008 heeft het bestuur van Slagvast [appellante] meegedeeld dat het heeft besloten haar uit het lidmaatschap van Slagvast te ontzetten en haar gewezen op de mogelijkheid van schriftelijk bezwaar.

8.1.5 Bij brief van 29 februari 2008 aan de Algemene Ledenvergadering van Slagvast heeft de (toenmalige) advocaat van [appellante] meegedeeld bezwaar te maken tegen, respectievelijk in beroep te komen van, het besluit van het bestuur tot ontzetting van [appellante] uit het lidmaatschap van Slagvast.

8.1.6 Bij brief van 16 maart 2008 heeft het bestuur van Slagvast [appellante] meegedeeld dat het bezwaar zou worden behandeld in de Algemene Ledenvergadering van 21 maart 2008 en dat [appellante] geen toegang had tot die vergadering.

8.1.7 Bij brief van 5 april 2008 heeft het bestuur van Slagvast [appellante] meegedeeld dat de Algemene Ledenvergadering op 21 maart 2008 heeft ingestemd met het besluit van het bestuur tot ontzetting van [appellante] uit het lidmaatschap van Slagvast. Van de 50 aanwezige seniorleden hebben 49 voor het besluit gestemd en 1 tegen.

8.1.8 Bij verstekvonnis van de rechtbank Middelburg van 22 april 2009 is het besluit van de Algemene Ledenvergadering van 21 maart 2008 vernietigd, voor zover dit ziet op de beslissing van het bestuur van Slagvast om [appellante] uit het lidmaatschap van Slagvast te ontzetten.

8.1.9 Op 8 mei 2009 heeft een nieuwe Algemene Ledenvergadering plaatsgevonden. [appellante] en haar (toenmalige) advocaat waren hierbij aanwezig. De Algemene Ledenvergadering heeft gestemd over het bestuursbesluit van 14 februari 2008 tot ontzetting van [appellante] uit het lidmaatschap van Slagvast. Met 38 stemmen voor, 2 stemmen tegen en 2 onthoudingen is het bestuursbesluit bekrachtigd.

8.1.10 Bij brief van 1 december 2009 aan de secretaris van Slagvast heeft [appellante] meegedeeld dat zij geen schriftelijke bevestiging heeft ontvangen van de mondelinge mededeling aan haar dat zij opnieuw was ontzet uit het lidmaatschap van Slagvast.

8.1.11 Bij brief van 3 december 2009 heeft de advocaat van het bestuur van Slagvast aan [appellante] bevestigd dat de Algemene Ledenvergadering van Slagvast op 8 mei 2009 een beslissing heeft genomen op het door haar ingediende bezwaarschrift, waarbij 38 van de 42 stemgerechtigde leden hebben ingestemd met haar royement als lid van Slagvast.

8.2.1 [appellante] vordert zowel in eerste aanleg als in hoger beroep vernietiging van het besluit van de Algemene Ledenvergadering van 8 mei 2009, voor zover dit ziet op de beslissing om [appellante] uit het lidmaatschap van Slagvast te ontzetten, primair op grond van artikel 2:15 lid 1 sub a BW en subsidiair op grond van artikel 2:15 lid 1 sub b BW. Voorts vordert zij haar toe te laten tot de terreinen en gebouwen van Slagvast op verbeurte van een dwangsom van € 250,- per dag of gedeelte daarvan bij gebreke daarvan, met een maximum van € 10.000,- en Slagvast te veroordelen aan haar een bedrag van € 2.500,- te voldoen als vergoeding van door haar geleden immateriële schade. Tot slot vordert [appellante] Slagvast te veroordelen in de proceskosten.

8.2.2 Bij het vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de vorderingen van [appellante] afgewezen. De rechtbank was van oordeel dat het besluit van de Algemene Ledenvergadering van 8 mei 2009 niet vernietigbaar was wegens strijd met een statutaire of wettelijke bepaling betreffende de totstandkoming van besluiten of strijd met de redelijkheid en billijkheid. [appellante] kan zich met dit vonnis niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

8.3 Het gaat in hoger beroep om de vraag of het besluit van de Algemene Ledenvergadering van 8 mei 2009, voor zover dit ziet op de beslissing om [appellante] uit het lidmaatschap van Slagvast te ontzetten, vernietigbaar is op grond van artikel 2:15 BW wegens strijd met wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen of wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW worden geëist. In dit kader zijn artikel 2:35 lid 1, 3 en 4 BW en artikel 10 van de statuten van Slagvast van belang. Artikel 10 van de statuten van Slagvast luidt, voor zover hier aan de orde :

1. Het lidmaatschap van een lid van de vereniging eindigt door:
a. …
b. …
c. ontzetting.
2. Gronden voor ontzetting uit de vereniging zijn:
a. nalatigheid in het voldoen van de aan het lid door de vereniging opgelegde financiële verplichtingen;
b. handelen in strijd met de statuten, huishoudelijk reglement en/of andere door de Algemene Ledenvergadering vastgestelde reglementen of regelingen;
c. het bij voortduring schaden van de belangen van de vereniging.
3. De ontzetting wordt door het bestuur uitgesproken.
4. Een lid van het lidmaatschap ontzet op de gronden als genoemd in lid 2 van dit artikel wordt van deze ontzetting door het bestuur bij aangetekend schrijven mededeling gedaan.
5. Het lid bedoeld in het voorgaande lid kan tegen zijn ontzetting binnen een maand na ontvangst van het desbetreffende schrijven schriftelijk bezwaar indienen bij het bestuur.
6. Het bestuur brengt de inhoud van het bezwaarschrift ter kennis van de Algemene Ledenvergadering, welke vergadering op het bezwaarschrift bij schriftelijke stemming een definitieve beslissing neemt. Tot het tijdstip waarop het definitieve besluit van de Ledenvergadering is genomen, blijft het lid van het lidmaatschap ontzet.
7. …

8.4 De eerste drie grieven van [appellante] richten zich tegen het oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van strijd met een statutaire of wettelijke bepaling betreffende de totstandkoming van besluiten. [appellante] voert in haar eerste grief aan dat na het vonnis van de rechtbank Middelburg van 22 april 2009 een nieuw bestuursbesluit genomen had moeten worden en dat de Algemene Ledenvergadering een beslissing had moeten nemen over dit nieuwe bestuursbesluit in plaats van een nieuwe beslissing over het bestuursbesluit van 14 februari 2008. Volgens [appellante] is ook het bestuursbesluit van 14 februari 2008 door het vonnis van de rechtbank Middelburg van 22 april 2009 vernietigd. Het besluit is destijds niet op de juiste wijze tot stand gekomen, noch op de juiste wijze aan [appellante] kenbaar gemaakt. Deze gebreken kunnen niet worden verholpen door een nieuwe beslissing van de Algemene Ledenvergadering.

8.5 Het hof stelt voorop dat indien een besluit van een bestuursorgaan (bedoeld zal zijn: orgaan, red.) in strijd is met een statutaire of wettelijke bepaling betreffende de totstandkoming van besluiten in de zin van artikel 2:15 lid 1 BW, dit besluit op grond van artikel 2:15 lid 3 BW alleen door de rechter vernietigd kan worden. De rechtbank Middelburg heeft in haar vonnis van 22 april 2009 het besluit van de Algemene Ledenvergadering van 21 maart 2008 tot ontzetting van [appellante] uit het lidmaatschap vernietigd, niet het bestuursbesluit van 14 februari 2008. Vernietiging van een besluit van de Algemene Ledenvergadering over een bestuursbesluit leidt niet van rechtswege tot vernietiging van dat bestuursbesluit. Dit betekent dat het bestuur geen nieuw besluit tot ontzetting van [appellante] uit het lidmaatschap van Slagvast hoefde te nemen. Immers het bestuursbesluit van 14 februari 2008 is in stand gebleven. De Algemene Ledenvergadering diende naar aanleiding van het vonnis van de rechtbank Middelburg van 22 april 2009 een nieuw besluit te nemen over het bestuursbesluit van 14 februari 2008. Gezien het voorgaande behoeft de stelling dat het bestuursbesluit niet op de juiste wijze tot stand is gekomen en kenbaar is gemaakt, geen bespreking en faalt de eerste grief.

8.6 [appellante] voert in haar tweede grief aan dat het bijeenroepen van de Algemene Ledenvergadering van 8 mei 2009 niet op de juiste wijze heeft plaatsgevonden, gezien het beperkte aantal leden dat aanwezig was. Volgens [appellante] is niet duidelijk of alle leden uitgenodigd waren en was de opkomst bij eerdere Algemene Ledenvergaderingen aanmerkelijk hoger. Slagvast heeft deze stellingen gemotiveerd betwist. Zij stelt onder meer dat op 15 april 2009 aan alle leden een uitnodiging voor de Algemene Ledenvergadering van 8 mei 2009 is verzonden onder meezending van de agenda. Voorts stelt Slagvast dat een opkomst van 42 stemgerechtigde leden (van de in totaal 180 leden, waaronder 20 jeugdleden) een gebruikelijke opkomst is bij de Algemene Ledenvergadering van Slagvast. Tijdens de comparitie van partijen in eerste aanleg heeft mevrouw [bestuurslid], bestuurslid van Slagvast, verklaard dat in de jaren vóór de Algemene Ledenvergadering van 8 mei 2009 dertig leden aanwezig waren.
Het hof is van oordeel dat [appellante], gelet op de gemotiveerde betwisting door Slagvast, onvoldoende nader heeft onderbouwd dat en in hoeverre het bijeenroepen van de Algemene Ledenvergadering niet op de juiste wijze heeft plaatsgevonden en dat de opkomst bij eerdere Algemene Ledenvergaderingen aanmerkelijk hoger was. Ook de tweede grief faalt derhalve.

8.7. [appellante] voert in haar derde grief aan dat op de Algemene Ledenvergadering van 8 mei 2009 haar bezwaarschrift voor de stemming onvoldoende inhoudelijk is behandeld. Pas na de stemming kreeg haar toenmalige raadsman het woord en konden de bezwaren verder uiteen gezet worden. Ook deze grief faalt. Uit het door Slagvast als productie 1 bij de conclusie van antwoord in eerste aanleg overgelegde (concept)verslag van de Algemene Ledenvergadering van 8 mei 2009, blijkt dat de raadsman van [appellante] voor de stemming aan het woord is geweest en de bezwaren van [appellante] uiteen heeft gezet. Voorts blijkt uit dit verslag dat de voorzitter aan [appellante] en haar raadsman heeft gevraagd of zij voldoende gelegenheid hebben gekregen om hun verhaal te doen en dat daarop bevestigend is geantwoord. [appellante] heeft niet dan wel onvoldoende onderbouwd gesteld dat de inhoud van het verslag van de Algemene Ledenvergadering van 8 mei 2009 niet juist is.

8.8 De vierde grief van [appellante] richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat het besluit van de Algemene Ledenvergadering van 8 mei 2009 niet in strijd is met de redelijkheid en billijkheid. [appellante] voert aan dat zij nooit een correcte uiteenzetting heeft gekregen over de achterliggende redenen waarom zij uit het lidmaatschap werd ontzet. Voorts voert zij aan dat er geen grond was om haar uit het lidmaatschap te ontzetten. Er was van haar zijde geen sprake van ongewenst en onacceptabel gedrag jegens andere (bestuurs)leden. Tevens voert [appellante] onder meer aan dat het in strijd met de redelijkheid en billijkheid is dat zij wel uit het lidmaatschap is ontzet, terwijl de gedragingen van andere (bestuurs)leden zijn gedoogd.
Voor de vraag of het besluit van de Algemene Ledenvergadering van 8 mei 2009 in strijd is met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW worden geëist, dient bekeken te worden of de Algemene Ledenvergadering, bij afweging van alle bij het besluit betrokken belangen van Slagvast en degenen die krachtens de wet en de statuten bij de organisatie van Slagvast zijn betrokken, in redelijkheid en naar billijkheid tot het besluit heeft kunnen komen. Naar het oordeel van het hof heeft de Algemene Ledenvergadering in redelijkheid kunnen komen tot het besluit tot ontzetting van [appellante] uit het lidmaatschap van Slagvast.
Het hof is van oordeel dat uit de correspondentie tussen het bestuur en [appellante] de redenen voor de ontzetting voldoende duidelijk blijken, zodat de stelling van [appellante] dat zij daarover niet of onvoldoende is ingelicht geen doel treft. Bij brief van 26 juli 2007 wordt [appellante] door het bestuur geschorst vanwege de brief van 25 juli 2007 die zij aan de heer [Y.] heeft verzonden en vanwege eerdere incidenten. Uit de uitgebreide correspondentie tussen [appellante] en het bestuur voorafgaand aan 26 juli 2007, die in eerste aanleg bij de dagvaarding en de conclusie van antwoord is overgelegd, blijkt om welke incidenten het gaat en dat dit op 26 juli 2007 ook aan [appellante] duidelijk is geweest. Uit de brief van het bestuurvan 14 februari 2008 aan [appellante] blijkt dat deze incidenten, alsmede het feit dat zij tijdens de schorsing zich, ondanks een verbod daartoe, de toegang heeft verschaft tot het tenniscomplex, hebben geleid tot het besluit tot ontzetting. Het bestuur vermeldt tevens de statutaire gronden voor ontzetting, namelijk dat [appellante] door haar handelen voor en tijdens de schorsing voortdurend de belangen van Slagvast schaadt en dat zij tevens in strijd handelt met de statuten en het huishoudelijk reglement. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen moet uit bedoelde correspondentie, waarvan de inhoud door [appellante] niet, dan wel onvoldoende, is betwist, worden geconcludeerd dat er van de zijde van [appellante] ongewenst en onacceptabel gedrag jegens andere (bestuurs)leden heeft plaatsgevonden. Door dit gedrag wordt Slagvast op onredelijke wijze benadeeld. [appellante] stelt dat juist andere leden van Slagvast zich onbetamelijk gedroegen en dat zij die leden daarop heeft aangesproken. Wat hiervan zij, dit doet niets af aan de laakbare manier waarop [appellante] zelf zaken aan de orde heeft gesteld. Ook indien wordt meegenomen dat [appellante] reeds dertig jaar lid was van Slagvast en tien jaar bestuurslid is geweest, is het hof van oordeel dat de Algemene Ledenvergadering – gehoord de bezwaren van de zijde van [appellante] tegen het bestuursbesluit – in redelijkheid de belangen van Slagvast bij ontzetting van [appellante] uit het lidmaatschap zwaarder heeft kunnen laten wegen dan de belangen van [appellante] bij voortduring van het lidmaatschap. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat het gaat om meerdere incidenten, verspreid over een aantal jaren, dat [appellante] diverse malen schriftelijk is gewaarschuwd en gewezen op de mogelijke consequenties van haar gedrag en dat dit niet heeft geleid tot een andere houding en andere toon van [appellante]. Dit betekent dat ook de vierde grief faalt.

8.9 Doordat de eerste vier grieven falen, faalt ook de vijfde grief. [appellante] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.

9 De uitspraak
Het hof:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

Alsnog niet-toelaten lid niet mogelijk (Zwolse Ruiterclub)

Rechtbank Zwolle-Lelystad, 6 april 2012, LJN BW1156 (Zwolse Ruiterclub)


Eerdere omzetting vereniging in stichting (met vastgoed) en nieuwe vereniging. Stichting verkoopt vastgoed aan bestuurder en familie. Toelating lidmaatschap, aanbod en aanvaarding, ongeldig verklaring toelating niet mogelijk, hoor-en-wederhoor bij royement van actief lid. Zwolse manegestrijd. Vordering tegen voorzitter in persoon afgewezen.


Uit Rb. Zwolle, 1-3-2010, LJN BM1708
“2.1. De Ruitersportvereniging Ritsaert was een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid. Deze vereniging is omgezet in Stichting Ruitersport Zwolle Zuid (gedaagde). Door de leden van de omgezette (oude) Ruitersportvereniging Ritsaert is een nieuwe vereniging opgericht met de naam Zwolse Ruiterclub Ritsaert (eiseres).
2.2. De stichting is destijds opgericht om het vermogen (van de oude vereniging) in onder te brengen.Tot dat vermogen behoort onder meer een gebouwencomplex bestaande uit meerdere binnen- en buitenmaneges, stallen, een weide en een kantine (het hierna nader omschreven “Ruitersportcentrum Zwolle”) en paarden en pony’s.”



Het stichtingsbestuur schrapt nu de statutaire link met de Zwolse Ruiterclub en verkoopt het vastgoed aan de penningmeester van de stichting en een dochter van een bestuurslid van de stichting. Enkele personen worden lid van de Zwolse Ruiterclub en vragen om agendering van ontslag van het bestuur op de ALV. Het bestuur verklaart hun lidmaatschap ongeldig. Media spreken van jarenlang plan van bestuurders om manage voor zacht prijsje in handen te krijgen.








Vonnis in kort geding van 6 april 2012in de zaak van
[leden], eisers, tegen
1. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheidZWOLSE RUITERCLUB “RITSAERT”,gevestigd en kantoorhoudende te Zwolle,2. [gedaagde], in zijn hoedanigheid als voorzitter van de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid Zwolse Ruiterclub “Ritsaert”,
2. De feiten2.1. Ritsaert is een vereniging die – kort gezegd – als doelstelling heeft het (doen) beoefenen en bevorderen van de paarden- en/of ponysport. De activiteiten van Ritsaert vinden plaats op het Ruitersportcentrum Zwolle (verder: het ruitersportcentrum).
2.2. De statuten van Ritsaert van 26 april 2011 houden – voor zover van belang – het volgende in:
Artikel 4 lid 1 en 2:
“1. Leden van de vereniging zijn natuurlijke personen. (…). Een lid kan slechts tot het lidmaatschap worden toegelaten indien hij tevens als lid tot de KNHS wordt toegelaten, tenzij het lid reeds uit andere hoofde lid is van de KNHS.
2. De toelating tot de vereniging kan nader worden geregeld in een reglement.”
Artikel 6 lid 1, 3 en 5, eerste zinsnede:
“1. Het lidmaatschap van de vereniging eindigt door het overlijden van het lid, alsmede door opzegging of royement door de vereniging of opzegging door het verenigingslid.”
“3. Opzegging door de vereniging geschiedt door het bestuur. De vereniging kan het lidmaatschap opzeggen tegen het einde van zijn boekjaar. Opzegging door de vereniging kan geschieden wanneer:a. het lid zijn verplichtingen tegenover de vereniging niet of niet tijdig nakomt, waaronder begrepen het niet nakomen van financiële verplichtingen tegenover de vereniging;b. het lid de belangen van de vereniging of van de paardensport schaadt;c. het lid niet voldoet aan de vereisten die de statuten voor het lidmaatschap stellen;d. de KNHS het lid het lidmaatschap opzegt.Voorts kan de vereniging het lidmaatschap met onmiddellijke ingang door opzegging doen beëindigen indien redelijkerwijs van de vereniging niet kan worden verlangd het lidmaatschap te laten voortdurenen/of indien de KNHS het lid het lidmaatschap opzegt.”
“5. Het bestuur is bevoegd een lid te ontzetten uit diens lidmaatschap (royement) wanneer het lid in ernstige mate in strijd handelt met de statuten, reglementen of besluiten van de vereniging of de vereniging op onredelijke wijze benadeelt.”
Artikel 15, lid 1, 3, 4 en 5
“1. De agenda van de algemene vergadering wordt ten minste drie weken voor de dag van de algemene vergadering ter kennis van de leden gebracht door publicatie in de officiële mededelingen of door toezending aan de leden.”
“3. Uiterlijk twee weken voor de dag van de vergadering van de algemene vergadering kunnen ten minste drie leden voorstellen aan de agenda toegevoegd worden.
4. Het bestuur is bevoegd later ingekomen voorstellen, alsmede eigen voorstellen alsnog op de agenda te plaatsen.
5. De algemene vergadering kan geen besluiten nemen over voorstellen die niet in de agenda zijn vermeld, tenzij de algemene vergadering bij meerderheid anders beslist.”
2.3. Het ruitersportcentrum bestaat uit een terrein met daarop een gebouwencomplex gelegen aan de Hollewandsweg 15-15c te Zwolle. De Stichting Ruitersport Zwolle-Zuid (verder: de stichting) heeft in 2001 – onder meer – het ruitersportcentrum in eigendom verkregen.
2.4. In de statuten van de stichting van 13 april 2001 is in artikel 2 het doel van de stichting vastgelegd. Artikel 2 lid 1 luidde – voor zover van belang – als volgt:
“De stichting heeft ten doel: de instandhouding en exploitatie van een binnen- en buitenmanege ter bevordering van de paardensport in Zwolle en omgeving, alsmede de verbetering van de kwaliteit daarvan, alles in de ruimste zin des woords. Zulks in het bijzonder ten gunste van de Zwolse Ruiterclub “Ritsaert” dan wel de leden van die vereniging. (…).” 
2.5. Op grond van artikel 4 van voornoemde statuten had Ritsaert een benoemingsrecht ten aanzien van ten minste twee en ten hoogste drie bestuursleden in het bestuur van de stichting. 
2.6. In april 2011 zijnde statuten van de stichting gewijzigd. In de nieuwe statuten is de zinsnede dat de stichting ten gunste van de vereniging opereert niet meer opgenomen.
2.7. In artikel 4 lid 2 van de statuten is – voor zover van belang – het volgende bepaald: 
“Het bestuur van de vereniging: Vereniging Zwolse Ruiterclub “Ritsaert”, gevestigd te Zwolle heeft een recht tot voordracht ten aanzien van ten minste twee en ten hoogste drie bestuursleden; (…).”
2.8. Op dit moment hebben drie bestuursleden van Ritsaert zitting in het bestuur van de stichting.
2.9. Eisers sub 1 en 5 tot en met 13 hebben zich begin maart 2012 als niet-rijdend leden van Ritsaert aangemeld. Bij brieven van 1 en 2 maart 2012 heeft [naam A] de lidmaatschappen van hen als niet-rijdende leden bevestigd. In deze brieven is het volgende opgenomen:
“Hierbij bevestig ik uw lidmaatschap als niet-rijdend lid van de Zwolse Ruiterclub Ritsaert en ik dank u voor het aanmelden.
Met vriendelijke groet,[naam A]Secretaris Zwolse Ruiterclub Ritsaert”
2.10. De stichting heeft alle activa, opstallen en andere (on)roerende goederen verkocht. Het erfpachtrecht van het perceel, plaatselijk bekend Hollewandsweg 15, 15A en 15C, te Zwolle, en de opstallen zijn op 15 maart 2012 voor € 250.000,– geleverd aan WIKA Holding B.V., die (middellijk) toebehoort aan [naam B] en [naam C]. [naam B] is bestuurslid van de stichting en [naam C] is dochter van [naam D], eveneens bestuurslid van de stichting. 
2.11. Het bestuur van Ritsaert heeft haar leden schriftelijk uitgenodigd voor een algemene ledenvergadering op 28 maart 2012 onder vermelding van de agendapunten.
2.12. [eiser A], [eiser B] en [eiser C] hebben bij e-mail en brief van 17 maart 2012 het bestuur van Ritsaert verzocht een viertal punten op de agenda van de algemene ledenvergadering te plaatsen. Het betreft de volgende punten:
“1. De aanpassing van de statuten van de stichting in april 20112. De voorgenomen verkoop van de stichting van alle activa, opstallen en andere(on)roerende zaken die destijds aan de vereniging toebehoorden aan een bestuurslid van de stichting en een dochter van een bestuurslid van de stichting.3. Ontslag/schorsing huidig bestuur4. Benoeming nieuw bestuur.” 
2.13. Bij brieven van 22 maart 2012 heeft Ritsaert de inschrijvingen van eisers sub 1 en 4 tot en met 13 als lid ongeldig verklaard. In de brieven staat het volgende vermeld:
“U heeft zich aangemeld als lid van de vereniging Zwolse Ruiterclub Ritsaert, en als zodanig bent u door onze secretaris ingeschreven.
Men kan echter alleen lid worden van onze vereniging indien men diensten afneemt van het Ruitersportcentrum Zwolle, dat wil zeggen indien men rijlessen volgt of een paard in pensionstalling heeft. 
Nu gebleken is dat u noch rijlessen volgt op het Ruitersportcentrum Zwolle, noch een paard in pensionstalling heeft, heeft de secretaris u ten onrechte als lid ingeschreven. 
Middels deze brief wordt uw inschrijving dan ook ongeldig verklaard.” 
2.14. [eiser C] is door Ritsaert bij besluit van 16 maart 2012 met onmiddellijke ingang geroyeerd als lid. Zij is daar enige dagen later bij ongedateerde brief van in kennis gesteld. In de brief is– voor zover van belang – het volgende opgenomen:
“Dit royement is gebaseerd op de volgende overwegingen.1. Door uw acties om de verkoop van het Ruitersportcentrum Zwolle te voorkomen heeft u tevens de vereniging benadeeld. Hiertoe wordt opgemerkt dat de (mede) op uw initiatief verschenen publicaties in “De Stentor” en uw ingezonden brief in deze krant een negatieve uitstraling op de vereniging hebben.2. Daarnaast heeft u leden van de vereniging telefonisch en per mail benaderd om uw verhaal te vertellen met betrekking tot de verkoop van het Ruitersportcentrum Zwolle, waarbij u deze leden dringend verzocht heeft om naar de algemene ledenvergadering te komen om het huidige verenigingsbestuur af te zetten. Tevens heeft u oud leden benaderd om nog even lid van de vereniging te worden zodat ook zij toegang hebben tot de ledenvergadering en dat u bereid bent om de contributie voor hen te betalen.3. In dit kader heeft u gebruik gemaakt van gegevens die de leden van de vereniging in vertrouwen aan het bestuur van de vereniging gegeven hebben. Hiervan had u, alleen al uit privacy-overwegingen, geen gebruik mogen maken.”
2.15. Ritsaert heeft bij brief van 22 maar 2012, gericht aan [eiser B], het verzoek om de agenda van de algemene ledenvergadering aan te vullen met de voorgestelde onderwerpen afgewezen. In de brief is – voor zover van belang – het volgende opgenomen:
“Het bestuur richt haar antwoord op dit verzoek alleen aan u, aangezien mevrouw [eiser] geroyeerd is als lid en de inschrijving van [naam E] ongeldig is, omdat hij niet in aanmerking komt voor een lidmaatschap gelet op het beleid dat de vereniging dienaangaande heeft. (Hij neem geen diensten afvan het ruitersportcentrum.)
Uw verzoek om aanvulling van de agenda voor de Algemene Ledenvergadering is, gelet op het bepaalde in artikel 15, derde lid, van de statuten van de vereniging, niet alleen te laat ingediend, maar moet tevens door drie leden worden gedaan. Ingevolge het vierde lid van dit artikel is het bestuur echter bevoegd later ingekomen voorstellen alsnog op de agenda te plaatsen.
Het bestuur zal echter geen gebruik maken van deze bevoegdheid, omdat de eerste twee door u aangevoerde punten geen verenigingsaangelegenheden zijn. Als bestuur zullen wij in de ledenvergadering wel een uitleg geven naar de leden over de verkoop van het Ruitersportcentrum Zwolle.
Evenmin bestaat aanleiding om het derde en vierde punt aan de agenda toe te voegen, aangezien het bestuur geen enkele reden ziet om af te treden.”
3. Het geschil

4. De beoordeling4.1. Ritsaert c.s. heeft gesteld dat zij rauwelijks is gedagvaard, zodat [eiser] c.s. niet ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vorderingen, althans in de proceskosten moet worden veroordeeld. De voorzieningenrechter stelt voorop dat het feit dat de ene partij de andere partij zonder voorafgaande sommatie dagvaardt nog niet meebrengt dat eerstgenoemde partij niet ontvankelijk is in haar vorderingen. Wel kan dit onder omstandigheden meebrengen dat de rauwelijks dagvaardende partij, ondanks dat zij in het gelijk wordt gesteld, geen of slechts in beperkte mate aanspraak kan maken op de gebruikelijke vergoeding voor proceskosten.
In het onderhavige geval kan aangenomen worden dat [eiser] c.s. niet voorafgaande aan het uitbrengen van de dagvaarding in gesprek is gegaan met Ritsaertc.s. en evenmin Ritsaert c.s. heeft gesommeerd datgene te doen wat thans in kort geding is gevorderd. Dit kan echter niet tot het door Ritsaert c.s. gewenste gevolg leiden. Immers, de brieven waarin de inschrijvingen ongeldig werden verklaard en de brief waarin [eiser B] werd meegedeeld dat de agenda niet werd aangevuld zijn gedateerd 22 maart 2012, terwijl [eiser C] rond die tijd de brief betreffende haar royement heeft ontvangen. Nu de algemene ledenvergadering op 28 maart 2012 stond gepland, was er sprake van een dusdanige spoedeisendheid dat [eiser] c.s. niet verweten kan worden dat zij direct tot dagvaarding is overgegaan.
4.2. Van een spoedeisend belang is – hoewel de algemene ledenvergadering is uitgesteld – nog steeds sprake aangezien op korte termijn een nieuwe datum te verwachten is.
4.3. De voorzieningenrechter zal thans beoordelen of er redenen bestaan om de besluiten van Ritsaert c.s. om eisers als lid te weigeren te schorsen. Deze besluiten gelden niet voor [eiser B] en [eiser C], zodat devoorzieningenrechter ervan uitgaat dat uitsluitend eisers 1 en 4 tot en met 13 dit vorderen.
De voorzieningenrechter stelt vast dat artikel 4 van de statuten van Ritsaert slechts twee eisen stelt aan het lidmaatschap: het moet gaan om een natuurlijk persoon en de persoon moet als lid worden toegelaten tot de KNHS. Niet is gebleken dat deze eisen in onderhavig geval een belemmering vormen om betrokkenen als lid toe te laten. In de brieven van Ritsaert van 22 maart 2012 staat voorts vermeld dat men alleen lid kan worden van Ritsaert indien men diensten afneemt van het Ruitersportcentrum Zwolle. Dit is echter in de statuten van de vereniging niet terug te vinden, terwijl de vereniging blijkens het contributieoverzicht ook niet-rijdende leden heeft. Ritsaert c.s. heeft in dat verband aangevoerd dat het algemeen beleid is dat zij alleen leden toelaat die actief deelnemen dan wel betrokken zijn bij de vereniging. Dat dit beleid op rechtsgeldige wijze is vastgelegd, heeft Ritsaert c.s. echter niet aannemelijk gemaakt.Bovendien hebben de betreffende eisers met kracht van argumenten bepleit zeer betrokken te zijn bij de vereniging. Door hen, zonder navraag naar hun bedoelingen, uit te sluiten van het lidmaatschap heeft Ritsaert naar het voorshands oordeel van de voorzieningenrechter in strijd gehandeld met de vereiste redelijkheid en billijkheid, alsmede het hierna in rechtsoverweging 4.4 te vermelden beginsel van hoor en wederhoor.
Voorts geldt het volgende.In de statuten van Ritsaert is over de toelating als lid uitsluitend bepaald dat dit nader kan worden geregeld in een reglement. Niet gesteld is dat dit heeft plaatsgevonden, zodat de aanvullende regel van artikel 2:33 BW geldt. Volgens deze bepaling beslist het bestuur van de vereniging over de toelating van een lid en kan bij niet-toelating de algemene vergadering alsnog tot toelating besluiten.In casu hebben de betrokkenen zich als lid aangemeld en vervolgens het lidmaatschap bevestigd gekregen door [naam A]. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is volgens de regels van aanbod en aanvaarding een geldig lidmaatschap tot stand gekomen. Ritsaert c.s. heeft weliswaar betoogd dat zij niet aan de bevestiging van [naam A] is gebonden, omdat zij dit op persoonlijke titel heeft gedaan, maar dat kan Ritsaert c.s. niet baten. Als vaststaand kan immers aangenomen worden dat [naam A] blijkens het uittreksel van de Kamer van Koophandel sinds 24 november 2010 bestuurder van Ritsaert is. Weliswaar staat zij niet als secretaris van Ritsaert geregistreerd,maar aannemelijk is geworden dat zij wel belast is met het secretariaat van Ritsaert. In de brieven van 22 maart 2012 heeft Ritsaert verwezen naar de inschrijving“door onze secretaris”. Daar komt bij dat, blijkens de door Ritsaert c.s. overgelegde productie E, Ritsaert er eveneens van uitgaat dat haar secretariaat bestaat uit [naam F] en [naam A]. Nu [naam A] bestuurder van Ritsaert is en daarbij (feitelijk) is belast met het secretariaat en betrokkenen na hun aanmelding bij de vereniging vervolgens een reactie hebben ontvangen van de vereniging in de vorm van een bevestiging van het lidmaatschap afkomstig van een bestuurslid, hebben zij redelijkerwijs mogen aannemen dat zij lid waren geworden van de vereniging.
Artikel 6 van de statuten bepaalt op welke wijze het lidmaatschap eindigt. De door Ritsaert gehanteerde methode om de inschrijving ongeldig te verklaren is daarin niet vastgelegd. Voor zover dit – welwillend lezend – als een opzegging zou moeten worden beschouwd als bedoeld in lid 3 sub c van artikel 6 geldt dat in dat geval pas tegen het einde van het boekjaar mag worden opgezegd.
Slotsom is dat in hoge mate aannemelijk is dat een bodemrechter, later oordelend, de onderhavige besluiten als in strijd met de statuten, althans op basis van de gronden als bedoeld in artikel 2:14 of 2:15 BW nietig zal verklaren. Er bestaat derhalve aanleiding om de onderhavige besluiten te schorsen, totdat in de bodemprocedure is beslist.
4.4. De voorzieningenrechter komt vervolgens toe aan de beoordeling van het besluit van het bestuur van Ritsaert van 14 maart 2012 om [eiser C] met onmiddellijke ingang te royeren als lid van de vereniging. Dit besluit is bij ongedateerd schrijven aan [eiser C] kenbaar gemaakt. De voorzieningenrechter constateert dat de statuten in artikel 6 lid 5 de bevoegdheid geven aan het bestuur om een lid te royeren, onder meer wanneer het lid de vereniging op onredelijke wijze benadeelt. Deze grond heeft het bestuur in haar ongedateerd schrijven ook gebruikt. De voorzieningenrechter laatin het midden het antwoord op de vraag of de gedragingen van [eiser C] (voldoende) reden waren tot royement, omdat reeds op andere gronden de vordering tot schorsing toewijsbaar is.


Royement is de zwaarst mogelijke verenigingsrechtelijke sanctie en is een maatregel van tuchtrechtelijke aard. Dit brengt mee dat de besluitnemende instantie grote zorgvuldigheid moet betrachten bij de besluitvorming en dient te handelen conform de algemene rechtsbeginselen, waaronder het beginsel van hoor en wederhoor. Ditgeldt te meer wanneer het iemand betreft die, zoals wel vaststaat, meer dan 10 jaar lid is van de vereniging, bestuurslid is geweest en ten tijde van het royement nog in een of meer commissies zat.



Vaststaat dat in de bestuursvergadering van Ritsaert van 14 maart 2012 het besluit is genomen [eiser C] als lid van de vereniging te royeren en dat zij vóór dat besluit niet is gehoord door het bestuur. 
Nu vóór het nemen van het royementsbesluit door Ritsaert geen hoor en wederhoor is toegepast, heeft Ritsaert bij de voorbereiding van dat besluit een elementair rechtsbeginsel geschonden. De voorzieningenrechter acht de kans zeer gering dat het royementsbesluit– indien beoordeeld in een bodemprocedure – in stand zal blijven. De vordering tot schorsing van het besluit om [eiser C] als lid van Ritsaert te royeren zal dan ook worden toegewezen. 
4.5. Uit het vorenstaande volgt dat Ritsaert [eiser] c.s. op dit moment dient aan te merken als volwaardigeleden (met stemrecht) en dat zij haar dient toe telaten tot de (eerstvolgende) algemene ledenvergadering(en). Zij dient aldaar in staat te worden gesteld haar rechten als lid uit te oefenen. Dit wordt slechts anders indien het lidmaatschap van een betrokkene (op andere, rechtsgeldige wijze) eindigt. De vorderingen onder 2 en 3 zijn in zoverre toewijsbaar.
4.6. De vordering onder 4 zal worden afgewezen, nu de algemene ledenvergadering van 28 maart 2012 is uitgesteld.
4.7. [eiser] c.s. heeft aangevoerd dat zij belang heeft om op korte termijn geïnformeerd te worden over de statutenwijziging van de stichting en de verkoop van het ruitersportcentrum, omdat zij mogelijk de vernietiging van deze besluiten wil inroepen, hetgeen binnen een termijn van één jaar dient plaats te vinden. De voorzieningenrechter ziet hierin, gelet op de in statuten voorgeschreven termijnen, aanleiding om Ritsaert te gebieden om binnen twee weken na betekening van dit vonnis een algemene ledenvergadering bijeen te roepen op de volgens de statuten voorgeschreven wijze, waarbij devergadering binnen een termijn van vier weken dient plaats te vinden.
4.8. Ten slotte is aan de orde de vordering om alle aan te dragen onderwerpen te agenderen en te behandelen, waaronder de eerder aan de orde geweest zijnde onderwerpen, als vermeld in rechtsoverweging 2.12.
De voorzieningenrechter merkt in dat verband op dat het haar verbaast dat het bestuur nietal uit zichzelf de verkoop van de ruitersportcentrum op de agenda van de algemene ledenvergadering heeft gezet. Naar het oordeel van devoorzieningenrechter is voldoende aannemelijk geworden dat sprake is van een verwevenheid tussen Ritsaert en de stichting, die ertoe noopt de gang van zaken bij de stichting af te stemmen met Ritsaert. Van belang is dat de stichting in het leven is geroepen ten dienste van Ritsaert. Daar komt bij dat statutair is bepaald dat drie bestuursleden van Ritsaert tevens bestuurslid van de stichting zijn. Ritsaert c.s. heeft weliswaar betoogd dat de desbetreffende bestuursleden zitting hebben in het stichtingsbestuur zonder last of ruggespraak, maar voorshands moet worden aangenomen dat de bestuursleden van Ritsaert haar belangen vertegenwoordigen in het stichtingsbestuur.Naar het voorshands oordeel van de voorzieningenrechter zijn de statutenwijziging van de stichting en de verkoop van het ruitersportcentrum veranderingen die de vereniging direct raken en daarmee, anders dan Ritsaert c.s. stelt, een verenigingsaangelegenheid. [eiser] c.s. heeft terecht zorg geuit over de gang van zaken bij de stichting. Niet uit te sluiten valt dat zij, en andere leden, in het uitoefenen van hun hobby beknot dreigen te worden. De leden van Ritsaert zijn niet, dan wel in beperkte mate, geïnformeerd over de veranderingen, terwijl daar wel alle aanleiding toe was. Ook het bestuur vindt dat op haar de plicht rust om op de ledenvergadering verantwoording af te leggen over het gevoerde beleid. Zelfs op het verzoek tot agendering van deze onderwerpen heeft het verenigingsbestuur afwijzend gereageerd, terwijl de stichting en het verenigingsbestuur zich ondanks alle onrust is blijven hullen in een zweem van geheimzinnigheid. [eiser] c.s. heeft derhalve alle belang bij agendering van deze onderwerpen. Dat het bestuur tijdens de algemene ledenvergadering wel uitleg wil geven, is geen argument om deze punten niet te agenderen.
Het belang van [eiser] c.s. bij de agendering van de voorgedragen vergaderpunten is alleen al gelegen in het feit dat, gelet op het bepaalde in artikel 15 lid 5 van de statuten, de agendering daarvan van invloed kan zijn op de besluitvorming tijdens de algemene ledenvergadering.
Er bestaat eveneens aanleiding de punten 3 en 4 te agenderen. Dat het bestuur geen reden ziet af te treden, betekent nog niet dat deze punten niet behoren te worden geagendeerd. Kennelijk gaat Ritsaert c.s. ervan uit dat het bestuur zal worden weggestemd, maar [eiser] c.s. wil niet meer en niet minder dan de mogelijkheid hebben deze punten op de vergadering aan de orde te stellen. Ritsaert heeft daartegen onvoldoende ingebracht.
Slotsom isdat er met betrekking tot deze vier punten reden bestaat de vordering toe te wijzen. De voorzieningenrechter acht de vordering voor het overige te ruim geformuleerd, zodat de vordering onder 6 zal worden toegewezen als na te melden.
4.9. De door [eiser] c.s. gevorderde dwangsommen zullen, gelet op de geringe inkomsten van Ritsaert, worden beperkt tot € 500,00 per overtreding, met dien verstande dat tegen ieder afzonderlijk lid een afzonderlijke overtreding kan worden begaan, en gemaximeerd tot een bedrag van in totaal€ 15.000,00. De dwangsommen zullen worden toegewezen als volgt. 
4.10. Met betrekking tot de vordering tegen [gedaagde], als voorzitter van Ritsaert, oordeelt de voorzieningenrechter als volgt. [eiser] c.s. heeft aangevoerd dat zij [gedaagde] heeft gedagvaard, omdat hij als voorzitter van Ritsaert uitvoering dient te geven aan het gevorderde. De voorzieningenrechter ziet in hetgeen door [eiser] c.s. is aangevoerd geen reden om de vorderingen ook tegen [gedaagde] toe te wijzen, daar het voor zich spreekt dat de voorzitter van Ritsaert zorg zal dragen voor de uitvoering van hetgeen waartoe Ritsaert is veroordeeld, mede gezien de op te leggen dwangsommen. Daarnaast is van belang dat [gedaagde] als afzonderlijk bestuurslid van Ritsaert te weinig beschikkingsmacht heeft en hij afhankelijk is van de medewerking van (een) andere bestuurder(s).

5. De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1. schorst de besluiten van Ritsaert waarbij [eiser C] als lid is geroyeerd en de inschrijvingen van eisers 1 en 4 tot en met 13 ongeldig zijn verklaard, totdat in de bodemprocedure zal zijn beslist,
5.2. gebiedt Ritsaert [eiser] c.s. als volwaardig lid (met stemrecht) te accepteren, totdat in de bodemprocedure zal zijn beslist. 
5.3. gebiedt Ritsaert [eiser] c.s. toe te laten in de eerstvolgende algemene ledenvergadering en iedere daarop volgende ledenvergadering en haar aldaar in staat testellen haar rechten als lid uit te oefenen, totdat in de bodemprocedure zal zijn beslist,
5.4. gebiedt Ritsaert om binnen twee weken na betekening van dit vonnis op de volgens de statuten voorgeschreven wijze een algemene ledenvergadering bijeen te roepen, waarbij de vergadering binnen een termijn van vier weken dient te worden gehouden;
5.5. gebiedt Ritsaert in de eerstvolgende algemene ledenvergadering de volgende onderwerpen te agenderen en te behandelen:a. de aanpassing van de statuten van de Stichting Ruitersport Zwolle-Zuid in april 2011b. de verkoop en levering door de Stichting Ruitersport Zwolle-Zuid van alle activa, opstallen en andere (on)roerende zaken, gelegen te Zwolle aan de Hollewandsweg 15 en 15 a t/m c;c. ontslag/schorsing huidig bestuur

d. benoeming nieuw bestuur.