Jezelf als bestuurder een vergoeding geven

 Kernpunten

  • In feite hebben [de twee bestuursleden] dus geld aan zichzelf betaald ten laste van [de vereniging], terwijl de functie van bestuurslid bij [de vereniging] onbezoldigd is én terwijl hun positie onhoudbaar was geworden. [De subsidiegever] had het vertrouwen in hen immers opgezegd. Tenslotte is van belang dat de leden van deze betalingen of de vaststellingsovereenkomsten niet op de hoogte zijn gesteld. Er is aan de leden geen instemming gevraagd of de mogelijkheid gegeven om iemand aan te wijzen de vereniging te vertegenwoordigen wegens het tegenstrijdige belang van de bestuurders (artikel 2:47 BW).
  • Artikel 2:47 BW per 18.11.2020: ” In alle gevallen waarin de vereniging een tegenstrijdig belang heeft met een of meer bestuurders[…] kan de algemene vergadering een of meer personen aanwijzen om de vereniging te vertegenwoordigen.” Dit wetsartikel zal worden gewijzigd.

ECLI:NL:RBGEL:2020:5944

vonnis

in de zaak van

de vereniging met volledige reechtsbevoegdheid Renkumse Huurders Vereniging

gevestigd te gemeente Renkum

eisende partij

tegen

[gedaagde]

wonende te [woonplaats]

gedaagde partij

procederend in persoon

Partijen worden hierna RHV en [gedaagde] genoemd.

1De procedure

2De feiten

2.1.

RHV stelt zich blijkens haar statuten onder meer ten doel:

Het behartigen van de belangen van de bewoners en ingeschreven woningzoekenden voor huurwoningen van Vivare te Renkum welke belangenbehartiging betrekking heeft op zowel de woningen als de woonomgeving.

2.2.

Vanaf 1 januari 2018 tot 17 juli 2018 vormden [gedaagde] en [naam 1] (hierna: [naam 1]) het bestuur van RHV.

2.3.

Vivare en RHV hebben naar aanleiding van problemen in de samenwerking op 5 juli 2018 aan [gedaagde] en [naam 1] een aangetekende brief gestuurd. In die brief is het vertrouwen in genoemde bestuursleden opgezegd. De samenwerking, alsmede subsidiebetaling, is opgeschort tot het moment waarop een volwaardig nieuw bestuur zal zijn geformeerd.

2.4.

Het dossier bevat een vaststellingsovereenkomst van 11 juli 2018 tussen RHV, vertegenwoordigd door een derde, zijnde [naam 2], en [gedaagde]. In de vaststellingsovereenkomst staat in de overwegingen onder meer dat verkend is onder welke voorwaarden [gedaagde] zijn bestuursfunctie wenst te beëindigen. In de vaststellingsovereenkomst staat onder meer:

12. RHV zal aan [gedaagde] binnen 14 dagen na heden een eenmalige vergoeding uitkeren á €4000,00.

2.5.

Een gelijkluidende vaststellingsovereenkomst is opgemaakt tussen RHV en [naam 1].

2.6.

Op 12 juli 2018 is een bedrag van € 4.000,- vanaf de rekening van RHV aan [gedaagde] overgemaakt onder vermelding van ‘Conform vaststellingsovereenkomst’.

2.7.

Op 13 juli 2018 is een bedrag van € 4.000,- vanaf de rekening van RHV aan [naam 1] overgemaakt onder vermelding van ‘Conform vaststellingsovereenkomst’.

2.8.

Het huidige bestuur van RHV heeft – nadat zij bekend raakten met de betalingen – in oktober 2019 [gedaagde] en [naam 1] verzocht om genoemde bedragen terug te betalen.

2.9.

Na vergeefse sommaties heeft RHV in februari 2020 overleg gehad met [gedaagde] over terugbetaling. Daarop volgde een e-mail van [gedaagde] van 22 februari 2020 waarin hij aangaf bereid te zijn om € 2.000,- terug te betalen. Dit voorstel is door RHV per e-mail van 27 februari 2020 verworpen.

2.10.

[naam 1] is op 29 februari 2020 overleden. Zijn erven hebben daarna een minnelijke regeling getroffen met RHV, waarbij zij een bedrag van € 4.000,- aan RHV hebben terugbetaald.

3De vordering en het verweer

3.1.

RHV vordert dat de kantonrechter [gedaagde] veroordeelt om aan haar te betalen:

primair:

€ 4.279,94, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 6 april 2020 en € 775,00 aan buitengerechtelijke kosten;

subsidiair:

€ 4.140,08, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 6 april 2020 en € 525,00 aan buitengerechtelijke kosten;

zowel primair als subsidiair:

de proceskosten en nakosten, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf veertien dagen na dagtekening van het vonnis.

3.2.

RHV baseert haar vordering, tegen de achtergrond van de vaststaande feiten, op de volgende – zakelijk weergegeven – stellingen. Er ontbreekt een rechtsgrond voor de betalingen. Bestuursleden van RHV verrichten hun taken immers onbezoldigd.

Primair is er sprake van interne bestuurdersaansprakelijkheid ex artikel 2:9 BW. [gedaagde] is daarom volledig aansprakelijk voor het onttrokken bedrag van € 8.000,- voor de betalingen aan [gedaagde] en [naam 1]. [gedaagde] kan als bestuurder van RHV hiervoor een ernstig persoonlijk verwijt worden gemaakt. De erven van [naam 1] hebben een bedrag van € 4.000,- voldaan, zodat [gedaagde] nog aansprakelijk is voor het restant van € 4.279,94, bestaande uit hoofdsom en wettelijke rente.

Subsidiair is er sprake van onrechtmatige daad en meer subsidiair van onverschuldigde betaling. Daarnaast heeft [gedaagde] ondanks sommaties heeft verschuldigde bedrag niet voldaan, zodat hij ook buitengerechtelijke kosten verschuldigd is.

3.3.

[gedaagde] voert als verweer dat de betaling van het bedrag van € 4.000,- een uitvloeisel is uit de tussen RHV en [gedaagde] gesloten vaststellingsovereenkomst. Deze vaststellingsovereenkomst is namens RHV aangegaan door, de door het bestuur daarvoor gemachtigde, Roguski. Roguski had geen tegenstrijdig belang en heeft de overeenkomst onafhankelijk kunnen opstellen. Daarnaast voert [gedaagde] aan dat hij de eveneens in de vaststellingsovereenkomst genoemde werkzaamheden, gericht op een goede overdracht, heeft uitgevoerd.

4De beoordeling

4.1.

RHV legt aan haar vordering primair interne bestuurdersaansprakelijkheid ex. artikel 2:9 BW ten grondslag. In genoemd artikel staat dat elke bestuurder tegenover de rechtspersoon is gehouden tot een behoorlijke vervulling van de hem opgedragen taak. Voor aansprakelijkheid is vereist dat de bestuurder ([gedaagde]) zijn bestuurszaak niet behoorlijk heeft uitgeoefend en hem daarvoor een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Of van een ernstig verwijt sprake is, dient te worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval.

4.2.

In dit geval heeft [gedaagde] (met [naam 1]) een derde gemachtigd om RHV te vertegenwoordigen om vaststellingsovereenkomsten met [gedaagde] (en [naam 1]) te sluiten. In de vaststellingsovereenkomsten is vastgelegd dat [gedaagde] en [naam 1] ieder recht hebben op een bedrag van € 4.000,-. Daarna hebben [gedaagde] en [naam 1] ervoor gezorgd dat deze bedragen daadwerkelijk aan henzelf zijn uitbetaald. In feite hebben zij dus geld aan zichzelf betaald ten laste van RHV, terwijl de functie van bestuurslid bij RHV onbezoldigd is én terwijl hun positie onhoudbaar was geworden. Vivare had het vertrouwen in hen immers opgezegd. Tenslotte is van belang dat de leden van deze betalingen of de vaststellingsovereenkomsten niet op de hoogte zijn gesteld. Er is aan de leden geen instemming gevraagd of de mogelijkheid gegeven om iemand aan te wijzen de vereniging te vertegenwoordigen wegens het tegenstrijdige belang van de bestuurders (artikel 2:47 BW).

4.3.

Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [gedaagde], gelet op bovengenoemde feiten en omstandigheden, zijn taak als bestuurder niet naar behoren uitgeoefend en kan hem daarvoor een ernstig verwijtbaar worden gemaakt. Er is geen objectivering voor de betaling van € 4.000,- die [gedaagde] zelf heeft bewerkstelligd. Dat [gedaagde] heeft gezorgd voor een goede overgang van bestuurstaken kan niet als grond voor betaling worden gezien. Dit behoorde tot zijn – onbezoldigde – taak als bestuurder. Het ongenoegen en/of frustratie van [gedaagde] over de rol van Vivare is evenmin een rechtvaardiging voor de betaling. [gedaagde] is daarom aansprakelijk voor de door RHV geleden schade. Dat [gedaagde] aanvoert dat hij zich heeft gehouden aan zijn verplichtingen volgend uit de vaststellingsovereenkomst, maakt het voorgaande niet anders.

4.4.

Gelet op het in artikel 2:9 BW bepaalde, is [gedaagde] daarbij aansprakelijk voor het geheel van de schade (oftewel hij is hoofdelijk aansprakelijk). Hij is daarom geheel aansprakelijk voor de aan hem en [naam 1] overgemaakte bedrag van € 8.000,- vermeerderd met wettelijke rente. Hierop strekt de terugbetaling door de erven van [naam 1] van € 4.000,- in mindering, zodat een bedrag van € 4.279,94, vermeerderd met rente vanaf 6 april 2020, door [gedaagde] moet worden voldaan. Dit deel van de vordering wordt daarom toegewezen.

4.5.

De kantonrechter acht voldoende aannemelijk gemaakt dat RHV buitengerechtelijke werkzaamheden heeft verricht dan wel heeft laten verrichten en dat hiervoor kosten zijn gemaakt. Dat een derde de buitengerechtelijke kosten heeft voldaan, maakt niet dat de vordering moet worden afgewezen. De hoogte van het gevorderde bedrag (€ 775,-) is in overeenstemming met de tarieven die zijn weergegeven in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten en die geacht worden redelijk te zijn. De vordering is daarom toewijsbaar.

4.6.

[gedaagde] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten dragen.

De gevorderde nakosten zullen worden begroot op een bedrag van € 120,00 zijnde een half salarispunt van het toe te wijzen salaris van de gemachtigde met een maximum van € 120,00, te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis. De rente over de proceskosten wordt toegewezen vanaf veertien dagen na de datum van het vonnis.

5De beslissing

De kantonrechter

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan RHV te betalen een bedrag van € 5.054,94 te vermeerderen met de wettelijke rente over € 4.279,94 vanaf 6 april 2020 tot aan de dag van volledige betaling;

5.2.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot deze uitspraak aan de kant van RHV begroot op € 108,37 aan dagvaardingskosten, € 499,00 aan griffierecht, € 600,00 aan salaris voor de gemachtigde en € 120,00 aan kosten die na dit vonnis zullen ontstaan, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf veertien dagen na de datum van het vonnis en, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, te vermeerderen met de explootkosten van betekening van het vonnis;

5.3.

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Bestuursaansprakelijkheid naleving fiscale regels

Kernpunten

  • Een voetbalvereniging had loonbelasting moeten betalen en heeft dat niet gedaan. De belasting dienst legt naheffingsaanslag op van ongeveer € 125.000. De vereniging gaat failliet. In deze zaak stelt de curator de oud-voorzitter (” verweerder”) aansprakelijk. 
  • “De rechtbank is van oordeel dat [verweerder] zijn taak als bestuurder van de Vereniging onbehoorlijk heeft vervuld en dat hij aansprakelijk is voor de schade die de Vereniging daardoor lijdt.” 
  • De rechtbank overweegt dat het handelen van de oud-voorzitter moet worden beoordeeld aan de hand van artikel 2:10 BW. Dat artikel schrijft op zich voor dat het bestuur een zorvuldige administratie moet voeren. De rechtbank overweegt dat het naleven van de fiscale daaronder valt (ik zou eerder zeggen dat dit valt onder artikel 2:9, eerste lid, eerste zin; en dat niet naleven van fiscale regels ook valt onder ‘ onbehoorlijk bestuur’  in de zin van artikel 2:9 lid , tweede zin).
  • De rechtbank:
    • ” Het naleven van de fiscale regels maakt daardoor onderdeel uit van de in artikel 2:10 BW neergelegde verplichting. De wetgever heeft naleving van de administratieplicht van artikel 2:10 BW opgelegd aan ‘het bestuur’. Het is dus een collectieve bestuurstaak die valt onder de ‘algemene zaken’ van het tweede lid van artikel 2:9 BW. Belastingen zijn onmisbaar voor een ordentelijk verloop van onze samenleving. Daarom is het belangrijk dat in Nederland woonachtige burgers en hier gevestigde rechtspersonen de fiscale regels naleven. 
    • Wanneer de administratie van een rechtspersoon op een zodanige manier wordt gevoerd dat een meer dan geringe kans bestaat op schending van de op haar toepasselijke fiscale regels, waardoor de overheid aanzienlijke belastingbedragen kan mislopen, rechtvaardigt dat in beginsel de kwalificatie onbehoorlijke taakvervulling van het bestuur van die rechtspersoon. 
    • Doet deze situatie zich voor dan kan een bestuurder van die rechtspersoon aansprakelijkheid ontlopen door feiten en omstandigheden te stellen (en zo nodig te bewijzen) die meebrengen dat hem, eventueel mede gelet op de aan andere bestuursleden toebedeelde taken, geen ernstig verwijt kan worden gemaakt en hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen van het onbehoorlijk bestuur af te wenden (zie eveneens het tweede lid van artikel 2:9 BW). 
    • Van belang hierbij is dat voor aansprakelijkheid op grond van artikel 2:9 BW, anders dan op grond van artikel 6:162 BW, niet is vereist dat de bestuurder moet hebben voorzien dat de rechtspersoon schade zou lijden door zijn onbehoorlijke taakvervulling”
  • Ook belangrijk is de overweging dat het onzorgvuldig was om geen fiscaal advies in te winnen:
  • [verweerder] neemt het standpunt in dat hem geen ernstig verwijt kan worden gemaakt omdat de penningmeester verantwoordelijk was voor de administratie van de Vereniging. Dit standpunt slaagt niet, ook als ervan wordt uitgegaan dat [verweerder] niet op de hoogte is geweest van de zwarte betalingen aan de schoonmakers. 
  • Van het bestuur van een vereniging, en zeker ook van de voorzitter van het bestuur van die vereniging, mag worden verwacht dat zij erop toezien dat alle op die vereniging toepasselijke fiscale regels worden nageleefd. 
  • Niet gesteld of gebleken is dat de Vereniging zelf iemand in huis had met voldoende relevante fiscale kennis. […] Daarom gaat de rechtbank ervan uit dat de Vereniging geen deskundig fiscaal advies heeft ingewonnen. Dat is onverantwoord, aangezien uit het rapport van de belastingdienst blijkt dat de Vereniging jaarlijks aan relatief veel mensen niet onaanzienlijke bedragen betaalde. 
  • De administratie van de Vereniging is dus op een zodanige manier gevoerd dat een meer dan geringe kans bestond op schending van de op haar toepasselijke fiscale regels, waardoor de overheid aanzienlijke belastingbedragen kon mislopen. [verweerder] heeft niets gedaan om dit risico te vermijden of tot aanvaardbare proporties te verkleinen. Daarom kan hem van deze schending van artikel 2:10 BW een ernstig verwijt worden gemaakt, ook als hij niet heeft stilgestaan bij de mogelijkheid van schade voor de Vereniging in de vorm van een naheffingsaanslag met hogere dan normale loonheffingstarieven.”
Kortom, voor alle bestuursleden in Nederland: check of je zeker weet dat de fiscale regels worden nageleefd, of dat de vereniging daarover deskundig advies heeft ingewonnnen. En de dekking van de bestuursaansprakelijkheidsverzekering.


Rechtspraak.nl samenvatting:
Aansprakelijkheid van een bestuurder van een stichting en een daaraan gelieerde voetbalvereniging op grond van artikel 2:9 BW wegens schending van artikel 2:10 BW. Wanneer de administratie van een rechtspersoon op een zodanige manier wordt gevoerd dat een meer dan geringe kans bestaat op schending van de op haar toepasselijke fiscale regels, waardoor de overheid aanzienlijke belastingbedragen kan mislopen, rechtvaardigt dat in beginsel de kwalificatie van onbehoorlijke taakvervulling van het bestuur van die rechtspersoon. Voor de beoordeling van de vraag of een bestuurder van die rechtspersoon een ernstig verwijt kan worden gemaakt is van belang dat voor aansprakelijkheid op grond van artikel 2:9 BW, anders dan op grond van artikel 162 BW, niet is vereist dat de bestuurder moet hebben voorzien dat de rechtspersoon schade zou lijden door zijn onbehoorlijke taakvervulling. In dit geval is de bestuurder aansprakelijk onder andere voor schade van de stichting en de vereniging die het gevolg is van het niet naleven van fiscale regels, ook als hij niet heeft stilgestaan bij de mogelijkheid van schade in de vorm van een naheffingsaanslag met hogere dan normale loonheffingstarieven.

ECLI:NL:RBMNE:2019:948

Vonnis van 7 maart 2019

in de zaak van

[de curator,]

tegen

[verweerder] ,
wonend in [woonplaats] ,
verweerder, hierna te noemen: [verweerder] ,


2Feiten

2.1.

In [jaar] heeft [verweerder] [voerbalvereniging] opgericht (hierna: de Vereniging). Het bestuur van de Vereniging heeft altijd uit diverse personen bestaan. [verweerder] was voorzitter van het bestuur. Feitelijk was hij dat tot [2012] . In de registers van de Kamer van Koophandel staat dat hij sinds [2013] geen bestuurder meer is.
2.2.

Namens de Vereniging heeft [verweerder] op [2010] de [stichting] opgericht (hierna: de Stichting). Vanaf die datum zijn de spelers en hoofdtrainer van het eerste elftal in dienst bij de Stichting. Ieder jaar, steeds voorafgaand aan een nieuw voetbalseizoen, sloot de Stichting een arbeidscontract voor de duur van een jaar met de spelers en de hoofdtrainer van het eerste elftal van de Vereniging.

2.3.

Op grond van de statuten van de Stichting werd haar bestuur benoemd door de Vereniging. Sinds haar oprichting was [verweerder] voorzitter van het bestuur van de Stichting. Na het vertrek van de penningmeester op 28 juni 2012 is geen nieuwe penningmeester benoemd. En sinds het vertrek van de secretaris op 1 mei 2014 was [verweerder] het enige bestuurslid van de Stichting.
2.4.

Het grootste deel van de inkomsten van de Stichting, waarmee met name de salarissen van de spelers en de hoofdtrainer van het eerste elftal van de Vereniging werden betaald, was afkomstig van [verweerder] . Bijna al het geld kwam namelijk van [verweerder] in privé, van zijn eenmanszaak en van zijn B.V. ( [b.v.] ). Dit gebeurde zolang [verweerder] dat wilde. Een klein deel van de inkomsten van de Stichting was afkomstig van derden. De (wijze van) financiering van de Stichting is nooit in een contract vastgelegd.
2.5.

In 2012 is de belastingdienst een boekenonderzoek begonnen bij de Vereniging. Dit onderzoek had onder andere betrekking op de uitbetalingen van de Vereniging aan personen over de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2013. Op 3 april 2014 heeft de belastingdienst aangekondigd dat zij ook een boekenonderzoek bij de Stichting ging uitvoeren. Dat boekenonderzoek is gestart op 30 juni 2014 en had onder andere betrekking op de aanvaardbaarheid van de aangiften loonheffingen over de periode van 29 oktober 2010 tot en met 31 december 2013.
2.6.

Op 4 december 2014 heeft de belastingdienst aan de Vereniging een naheffingsaanslag opgelegd over 2009. De Vereniging heeft tegen deze naheffingsaanslag een bezwaarschrift ingediend.
2.7.

Met ingang van 1 januari 2015 heeft [verweerder] alle betalingen aan de Stichting gestaakt. Ook de derden, die eerder geld aan de Stichting hadden verstrekt, hebben dat sinds 1 januari 2015 niet meer gedaan.
2.8.

Op 12 mei 2015 heeft de belastingdienst een brief gestuurd naar de Vereniging met daarin een overzicht van het totaal aan correcties (van met name de belastbare lonen) over de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2013. Op 15 juni 2015 heeft de belastingdienst de tekst voor een vaststellingsovereenkomst aan de Vereniging gestuurd. Hierna hebben gesprekken plaatsgevonden tussen de Vereniging en de belastingdienst, maar tot een schikking is het niet gekomen.
2.9.

In 2013 was de heer [penningmeester] (hierna: [penningmeester] ) bestuurslid/penningmeester van de Vereniging. [penningmeester] heeft een zogenoemd Concept financieel plan opgesteld d.d.
23 juni 2015. Uit dit rapport blijkt dat hij rekening hield met een schuld aan de belastingdienst van ongeveer € 85.000. Ook blijkt uit dit rapport dat de Vereniging en een aan haar gelieerde stichting (SBSDM) een gezamenlijke schuld hadden aan de gemeente [gemeente] van ongeveer € 40.000, en dat de Vereniging voor de bouw van een tribune met kleedkamers in 2011 € 110.000 had geleend bij de Rabobank, waarop ongeveer € 7.300 was afgelost. Daarnaast staat in dit rapport dat de Vereniging nog geen financier had voor de openstaande belastingclaim en dat een herfinanciering van de Vereniging, gelet op de totale schuldenlast, geen reële optie was. [penningmeester] heeft in het rapport de volgende opties genoemd die hij reëel vond:

  1. De totale schuldenlast van de Vereniging wordt teruggebracht tot maximaal € 140.000. Dit zou moeten worden bereikt doordat a) in overleg met de belastingdienst de belastingschuld zou worden verlaagd tot ongeveer € 30.000, b) doordat een deel van de rekening-courantschuld van de Vereniging aan oud- bestuurders zou worden gesaneerd (hoe staat er niet bij), en c) dat de schuld aan Rabobank zou worden gesaneerd (hoe staat er niet bij) of zou worden overgeheveld naar een in dat rapport genoemde derde/natuurlijke persoon.
  2. De Vereniging vraagt haar faillissement aan en maakt onder een andere naam een doorstart met een bijna schone lei.
2.10.

Op 30 september 2015 heeft [verweerder] besloten om alle activiteiten van de Stichting definitief te staken en is hij afgetreden als bestuurder van de Stichting. Hoewel [verweerder] hierna het bestuur van de Vereniging heeft verzocht om een nieuw bestuur van de Stichting te benoemen, is dat niet gebeurd.
2.11.

Op 23 november 2015 heeft de belastingdienst een rapport uitgebracht over het boekenonderzoek bij de Vereniging. Op 9 december 2015 heeft de belastingdienst een rapport uitgebracht over het boekenonderzoek bij de Stichting.
2.12.

Aan de Vereniging heeft de belastingdienst over de jaren 2009 tot en met 2013 naheffingsaanslagen opgelegd voor een bedrag van in totaal € 124.096, bestaande uit loonbelasting en premies SVW. Daarnaast is aan de Vereniging een vergrijpboete opgelegd van 10% van de verschuldigde belasting.
2.13.

Aan de Stichting zijn aanvankelijk over de jaren 2010 tot en met 2013 naheffingsaanslagen opgelegd voor een bedrag van in totaal € 84.281, bestaande uit loonbelasting en premies SVW. Daarnaast is aan de Stichting aanvankelijk een vergrijpboete opgelegd van 10% van de verschuldigde belasting, en een verzuimboete voor de omzetbelasting van € 287,50.
2.14.

Aan de Vereniging is op 20 november 2015 surseance van betaling verleend. Op
24 december 2015 is de Vereniging failliet verklaard. De Stichting is op 19 januari 2016 failliet verklaard.

2.15.

De belastingdienst heeft de aan de Stichting opgelegde vergrijpboete naar aanleiding van haar faillissement vernietigd. Naar aanleiding van een door de Stichting ingediend bezwaarschrift heeft de belastingdienst de naheffing voor de Stichting over 2010 tot en met 2012 verlaagd, met als gevolg dat het totaal van naheffingsaanslagen € 63.884 (+ de verzuimboete van € 287,50) bedraagt.

3Het geschil

3.1.

De curator vordert – samengevat – na wijziging van eis en na rectificatie van de eis, dat de rechtbank:
primair:

1. [verweerder] veroordeelt tot betaling aan de curator van een bedrag ter hoogte van het faillissementstekort van de Stichting, begroot op € 364.960,06 + pro memorie, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 6 december 2016, althans vanaf de dag van de procesinleiding
2) [verweerder] veroordeelt tot betaling aan de curator van een bedrag ter hoogte van het faillissementstekort van de Vereniging, begroot op € 904.631,13 + pro memorie, vermeerderd met de wettelijke rente daarover 3 november 2015, althans vanaf 31 maart 2017, althans vanaf de dag van de procesinleiding
subsidiair:

3) [verweerder] veroordeelt tot vergoeding van de schade van de Stichting, door middel van betaling aan de curator van: (i) de door de belastingdienst opgelegde naheffingsaanslagen van in totaal € 63.884 + de door de belastingdienst opgelegde boete, (ii) de vorderingen van de preferente crediteuren van in totaal € 124.096 (rechtbank: gelet op een door de curator tijdens de mondelinge behandeling overgelegd overzicht moet bedoeld zijn € 50.779,76), en (iii) de boedelschulden (pro memorie), althans een door de rechtbank toewijsbaar geacht bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 6 december 2016, althans vanaf de dag van de procesinleiding
4) [verweerder] veroordeelt tot vergoeding van de schade van de Vereniging, door middel van betaling aan de curator van: (i) de door de belastingdienst opgelegde naheffingsaanslagen van in totaal € 318.056 (rechtbank: bedoeld moet zijn € 124.096) + de door de belastingdienst opgelegde boete, en (ii) de boedelschulden (pro memorie), althans een door de rechtbank toewijsbaar geacht bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 3 november 2015, althans vanaf 31 maart 2017, althans vanaf de dag van de procesinleiding
meer subsidiair:

5) te verklaren voor recht dat [verweerder] aansprakelijk is voor de schade van de Stichting, nader op te maken bij staat, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 6 december 2016, althans vanaf de dag van de procesinleiding
6) te verklaren voor recht dat [verweerder] aansprakelijk is voor de schade van de Vereniging, nader op te maken bij staat, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 3 november 2015, althans vanaf 31 maart 2017, althans vanaf de dag van de procesinleiding
uiterst subsidiair:

7) te verklaren voor recht dat [verweerder] aansprakelijk is voor de schade van de gezamenlijke schuldeisers van de Stichting, nader op te maken bij staat, vermeerderd met de wettelijke rente door daarover vanaf 6 december 2016, althans vanaf de dag van de procesinleiding
8) te verklaren voor recht dat [verweerder] aansprakelijk is voor de schade van de gezamenlijke schuldeisers van de Vereniging, nader op te maken bij staat, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 3 november 2015, althans vanaf 31 maart 2017, althans vanaf de dag van de procesinleiding.
in alle gevallen:

9) [verweerder] veroordeelt tot vergoeding van de kosten van deze procedure, daaronder begrepen de kosten van de gelegde conservatoire beslagen en de nakosten, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de 15e dag van de datum van dit vonnis.
3.2.

Aan haar primaire vordering onder 1) legt de curator in de eerste plaats artikel 2:300a BW in verbinding met 2:138 BW ten grondslag, en in de tweede plaats artikel 2:9 BW of artikel 6:162 BW. Aan haar primaire vordering onder 2) en aan haar subsidiaire tot en met uiterst subsidiaire vorderingen legt de curator (uitsluitend) artikel 2:9 BW of artikel 6:162 BW ten grondslag.
3.3.

De curator betoogt – samengevat – het volgende. Zowel bij de Stichting als bij de Vereniging heeft [verweerder] zijn taak onbehoorlijk vervuld. Zijn (persoonlijk) ernstig verwijtbaar handelen heeft geleid tot de faillissementen. De schade van de Stichting en de Vereniging bestaat primair uit hun respectieve faillissementstekorten. Subsidiair bestaat de schade uit de posten die zijn genoemd in de vorderingen onder 3) en 4).
Wat betreft de Stichting is artikel 2:138 BW op [verweerder] van toepassing, omdat de Stichting verplicht was om vennootschapsbelasting af te dragen.
Zowel bij de Stichting als de bij Vereniging heeft [verweerder] artikel 2:10 BW geschonden. Meer in het bijzonder heeft [verweerder] loonadministratieverplichtingen geschonden doordat fiscale regels niet zijn nageleefd. Dat heeft geleid tot naheffingsaanslagen van een zo wezenlijke omvang, dat de Stichting respectievelijk de Vereniging die niet kon betalen.
Daarnaast heeft [verweerder] als bestuurder van de Stichting op de volgende onderdelen verwijtbaar gehandeld:
– [verweerder] heeft werknemers in dienst laten nemen zonder dat daar inkomsten of een uit de administratie kenbare geldstroom tegenover stond.
– [verweerder] heeft verzuimd om maatregelen te treffen op het moment dat duidelijk was dat de Stichting op korte termijn haar verplichtingen niet kon voldoen. De Stichting had sinds januari 2015 geen inkomsten meer. [verweerder] had toen de werknemers van de Stichting (de spelers en de hoofdtrainer van de Vereniging) moeten ontslaan. In de zomer van 2015 had hij geen contracten moeten sluiten voor het seizoen 2015/2016.
– [verweerder] is op 30 september 2015 afgetreden als bestuurder en heeft het zinkende schip verlaten, zonder nog enige verantwoordelijkheid te nemen. Dit terwijl [verweerder] wist dat de Stichting geen banktegoeden meer had en sinds 1 januari 2015 geen geld meer had ontvangen.
3.4.

[verweerder] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van de curator tot vergoeding van zijn proceskosten.
3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4De beoordeling

[verweerder] als bestuurder van de Stichting

Artikel 2:138 BW

4.1.

Op grond van artikel 2:138 BW is een bestuurder van een failliete rechtspersoon onder bepaalde voorwaarden aansprakelijk voor het faillissementstekort. In het geval van een failliete stichting kan de curator alleen een beroep doen op artikel 2:138 BW als die stichting aan de heffing van vennootschapsbelasting is onderworpen (zie artikel 2:300a BW). Aan dat vereiste is in dit geval niet voldaan. In de eerste plaats is relevant dat de belastingdienst de Stichting nooit heeft aangemerkt als een rechtspersoon die was onderworpen aan de heffing van de vennootschapsbelasting. Belangrijker nog is dat de Stichting geen winstoogmerk had. Dit wordt hierna toegelicht.
4.2.

[verweerder] had grote (sportieve) ambities, die hij wilde verwezenlijken door middel van de Vereniging. Zijn doel was namelijk dat de Vereniging in de toekomst van de KNVB een licentie zou krijgen voor het spelen van betaald voetbal. Om dat doel te kunnen bereiken moest het eerste elftal van de Vereniging steeds naar een hogere amateurklasse promoveren. Daarvoor waren goede voetballers en een goede trainer nodig. [verweerder] wilde het voor goede voetballers en trainers financieel aantrekkelijk maken om uit te komen voor het eerste elftal van de Vereniging. Op grond van regelgeving van de KNVB mag een amateurvoetballer voor zijn deelname aan wedstrijden en trainingen echter alleen een reële vergoeding ontvangen voor daadwerkelijk gemaakte kosten. Om deze regels te omzeilen heeft [verweerder] de Stichting in het leven geroepen. De Stichting was namelijk geen lid van de KNVB en was dus niet aan haar regels gebonden. De Stichting heeft de spelers en de hoofdtrainer van het eerste elftal van de Vereniging in dienst genomen en heeft hen hogere vergoedingen betaald dan is toegestaan op grond van de regels van de KNVB.
4.3.

De Stichting was dus een vehikel om het eerste elftal van de Vereniging steeds verder te laten opklimmen. De Stichting verrichtte geen enkele commerciële activiteit en haar inkomsten bestonden volledig uit gelden die grotendeels aan haar werden verstrekt door [verweerder] en (voor een klein deel) door derden. Andere inkomsten had de Stichting niet. Vrijwel alle inkomsten werden door de Stichting gebruikt om de salarissen van de spelers en de trainer van het eerste elftal van de Vereniging te betalen. Wat resteerde werd gebruikt voor andere kosten. Daarnaast is niet gesteld of gebleken dat de Stichting zicht had op toekomstige inkomsten, die zouden kunnen voortvloeiden uit het bereiken van het beoogde doel (een licentie voor de Vereniging om betaald voetbal te kunnen spelen), laat staan dat dergelijke inkomsten voor de Stichting een winstkarakter hadden. De Stichting had dus geen winstoogmerk en maakte ook geen winst. Daarom was de Stichting niet onderworpen aan de heffing van vennootschapsbelasting. Artikel 2:138 BW is dus niet van toepassing op [verweerder] .
Artikel 2:9 BW

4.4.

De curator beroept zich ook op artikel 2:9 BW. Voor aansprakelijkheid van een bestuurder van een rechtspersoon voor de schade van die rechtspersoon op grond van deze bepaling is vereist dat hij in de uitoefening van zijn taak als bestuurder ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Of dat het geval is moet worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval (zie Hoge Raad 10 januari 1997, NJ 1997, 360, [naam] / [naam] ).
4.5.

De rechtbank is van oordeel dat [verweerder] zijn taak als bestuurder van de Stichting onbehoorlijk heeft vervuld en dat hij op grond van artikel 2:9 BW aansprakelijk is voor de schade die de Stichting daardoor lijdt. Dit wordt hieronder toegelicht.
4.6.

Met ingang van 1 januari 2015 heeft [verweerder] zijn betalingen aan de Stichting gestaakt. Ook derden die tot die datum geld aan de Stichting hadden verstrekt, hebben dat na
1 januari 2015 niet meer gedaan. Op [verweerder] rustte geen plicht om geld aan de Stichting te (blijven) verstrekken. De curator verwijt [verweerder] niet dat hij zijn taak als bestuurder van de Stichting onbehoorlijk heeft vervuld door te stoppen met het financieren van de Stichting. Dat is terecht. Wel moet het handelen van [verweerder] mede in het licht van het ontbreken van enig inkomen bij de Stichting vanaf 1 januari 2015 worden beoordeeld.

Correcte naleving van de op de Stichting toepasselijke fiscale regels

4.7.

Op grond van artikel 2:10 BW rust op het bestuur van een rechtspersoon, zoals een stichting, de plicht om op een zodanige wijze een administratie te voeren dat te allen tijde de rechten en verplichtingen van die rechtspersoon kunnen worden gekend. Onder die verplichtingen vallen de bestaande en latente belastingschulden van die rechtspersoon. Het naleven van de fiscale regels maakt daardoor onderdeel uit van de in artikel 2:10 BW neergelegde verplichting. De wetgever heeft naleving van de administratieplicht van artikel 2:10 BW opgelegd aan ‘het bestuur’. Het is dus een collectieve bestuurstaak die valt onder de ‘algemene zaken’ van het tweede lid van artikel 2:9 BW. Belastingen zijn onmisbaar voor een ordentelijk verloop van onze samenleving. Daarom is het belangrijk dat in Nederland woonachtige burgers en hier gevestigde rechtspersonen de fiscale regels naleven. Wanneer de administratie van een rechtspersoon op een zodanige manier wordt gevoerd dat een meer dan geringe kans bestaat op schending van de op haar toepasselijke fiscale regels, waardoor de overheid aanzienlijke belastingbedragen kan mislopen, rechtvaardigt dat in beginsel de kwalificatie onbehoorlijke taakvervulling van het bestuur van die rechtspersoon. Doet deze situatie zich voor dan kan een bestuurder van die rechtspersoon aansprakelijkheid ontlopen door feiten en omstandigheden te stellen (en zo nodig te bewijzen) die meebrengen dat hem, eventueel mede gelet op de aan andere bestuursleden toebedeelde taken, geen ernstig verwijt kan worden gemaakt en hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen van het onbehoorlijk bestuur af te wenden (zie eveneens het tweede lid van artikel 2:9 BW). Van belang hierbij is dat voor aansprakelijkheid op grond van artikel 2:9 BW, anders dan op grond van artikel 6:162 BW, niet is vereist dat de bestuurder moet hebben voorzien dat de rechtspersoon schade zou lijden door zijn onbehoorlijke taakvervulling1.
4.8.

Uit het rapport van de belastingdienst over de Stichting blijkt het volgende. [verweerder] hield de dagelijkse financiële administratie van de Stichting bij. Voor de verwerking van haar financiële administratie en salarisadministratie maakte de Stichting gebruik van de diensten van [naam] . Eenmaal per jaar verstrekte [verweerder] de gehele administratie aan dit kantoor.
4.9.

De belastingdienst heeft in haar boekenonderzoek het volgende vastgesteld:
  1. In 2010 is aan één werknemer loon uitbetaald ter hoogte van € 10.000, zonder dat dit in de salarisadministratie is verwerkt. Aan diezelfde werknemer is in 2011 loon uitbetaald ter hoogte van € 18.000, terwijl in de loonadministratie slechts een bedrag van € 2.400 voor die werknemer is verantwoord. Aan een andere werknemer is in 2011 loon uitbetaald ter hoogte van € 7.250, terwijl in de loonadministratie slechts een bedrag van € 1.900 voor die werknemer is verantwoord. Voor het loon dat niet in de loonadministratie was verwerkt heeft de belastingdienst loonbelasting en premies werknemersverzekeringen nageheven, waarbij een hoger loonheffingstarief dan normaal is toegepast (het zogenoemde tabeltarief).
  2. Op grond van de wet ID moet een werkgever vanaf 1 juni 1994 de identiteit van haar werknemers vaststellen en een kopie van een geldig identiteitsbewijs bewaren tot vijf jaar na het einde van het kalenderjaar waarin de dienstbetrekking is geëindigd. Voor 14 werknemers ontbrak een kopie van een geldig identiteitsbewijs. Voor 12 van hen geldt dat zij aangifte hebben gedaan voor de inkomstenbelasting. Daarom heeft de belastingdienst over de jaren 2010 tot en met 2012 voor het ontbreken van kopieën van geldige identiteitsbewijzen (alleen) voor de overige 2 werknemers loonheffing nageheven tegen het maximale tabeltarief van 108,3%.
  3. Een nieuwe werknemer moet voordat hij gaat werken zelf schriftelijk een aantal gegevens voor de loonheffingen aan zijn werkgever overhandigen, waaronder een verzoek tot het toepassen van de loonheffingskorting. De belastingdienst heeft geen schriftelijke verklaringen in de administratie aangetroffen waarbij de werknemers hebben verzocht om toepassing van de loonheffingskorting. Daarom heeft de Stichting bij 11 werknemers ten onrechte de loonheffingskorting toegepast. De belastingdienst heeft vastgesteld dat 7 van die werknemers aangifte inkomstenbelasting hebben gedaan. Voor 2 van de 11 werknemers had de belastingdienst al een correctie toegepast wegens het ontbreken van een kopie van een geldig identiteitsbewijs. Daarom heeft de belastingdienst alleen voor de andere 2 van de 11 werknemers in de jaren 2012 en 2013 het loon voor de loonheffing gecorrigeerd (met het bedrag van de ten onrechte toegepaste loonheffingskorting) en over die correctie loonheffing nageheven.
  4. De Stichting heeft in de jaren 2010 tot en met 2013 aan haar werknemers bedragen uitbetaald die zij in de loonadministratie heeft verwerkt als onbelaste kostenvergoedingen. Onder een bepaald bedrag mag dat zonder nader bewijs. Boven een bepaald bedrag mag dat alleen als door middel van stukken in de administratie kan worden aangetoond dat dit is gebeurd ter dekking van daadwerkelijk gemaakte zakelijke kosten. De belastingdienst heeft vastgesteld dat de Stichting te hoge bedragen heeft betaald, zodat die vergoedingen niet kunnen worden beschouwd als onbelaste kostenvergoedingen. Daarom heeft de belastingdienst over deze bedragen alsnog loonheffing nageheven, tegen hogere loonheffingstarieven dan normaal.
4.10.

Het bovenstaande heeft geleid tot een definitieve naheffingsaanslag van € 63.884. Daarnaast heeft de belastingdienst vastgesteld dat de Stichting in het vierde kwartaal 2012 ten onrechte € 2.875 aan voorbelasting (omzetbelasting) heeft geclaimd. In verband daarmee heeft de belastingdienst aan de Stichting een verzuimboete opgelegd van
€ 287,50 (10% van de correctie).

4.11.

Uit de hierboven vermelde bevindingen van de belastingdienst blijkt dat het bestuur van de Stichting de administratieplicht van artikel 2:10 BW in de jaren 2010 tot en met 2013 heeft geschonden. [verweerder] is daarvoor als bestuurder van de Stichting verantwoordelijk.
4.12.

Uit het rapport van de belastingdienst blijkt dat [verweerder] degene was die de dagelijkse financiële administratie van de Stichting heeft bijgehouden. [verweerder] neemt het standpunt in dat hem voor het niet naleven van de fiscale regels door de Stichting geen ernstig verwijt kan worden gemaakt omdat hij een (loon-)administratiekantoor had ingeschakeld. Dat kantoor moest er volgens [verweerder] voor zorgen dat de stukken, zoals kopieën van geldige identiteitsbewijzen en loonheffingsverklaringen, compleet waren. Daarnaast voert [verweerder] aan dat hij voor de toepassing van de onbelaste kostenvergoedingen was aangewezen op het administratiekantoor; hij ging ervan uit dat als die te hoog waren, dat kantoor daar melding van zou maken.
4.13.

Dit betoog van [verweerder] slaagt niet. De rechtbank stelt in de eerste plaats vast dat [verweerder] in zijn verweer niet is ingegaan op de vaststelling van de belastingdienst dat de Stichting in 2010 en 2011 voor twee van haar werknemers veel te lage lonen aan de belastingdienst heeft opgegeven. Omdat [verweerder] zelf de dagelijkse financiële administratie van de Stichting deed, moet hij zich bewust zijn geweest van deze ‘zwarte’ betalingen. Sterker nog, dit handelen van [verweerder] was gericht op opzettelijke belastingontduiking en dat is ernstig verwijtbaar, zelfs als hij er vanuit is gegaan dat deze ontduiking voor de belastingdienst onopgemerkt zou blijven en de Stichting niet zou worden geconfronteerd met een naheffingsaanslag.
4.14.

Wat betreft de andere bevindingen van de belastingdienst (zie 4.9 onder b tot en met d) geldt het volgende. Uit de bevindingen van de belastingdienst, in combinatie met de omstandigheid dat [verweerder] de verantwoordelijkheid legt bij het administratiekantoor, kan worden afgeleid dat de Stichting zelf, dat wil zeggen [verweerder] als degene die de dagelijkse financiële administratie van de Stichting bijhield, niet goed op de hoogte was van de op de Stichting toepasselijke fiscale regels. [verweerder] kan zich hiervoor echter niet achter het administratiekantoor ‘verschuilen’. Toen daar tijdens de mondelinge behandeling naar is gevraagd, is namens [verweerder] geantwoord dat [naam] de loonadministratie deed en daarbij wel eens fiscaal advies gaf, maar dat zij geen opdracht had om de fiscale belangen van de Stichting die daarbij speelden, te behartigen. Hoewel bij dat kantoor ook belastingadviseurs werken stelt [verweerder] dus niet dat hij met het administratiekantoor heeft besproken dat de voor de Stichting relevante fiscale regels moesten worden nageleefd, en ook niet dat hij dat kantoor heeft gevraagd om hem over de fiscale regels en daarmee samenhangende verplichtingen van de Stichting te adviseren. Het is ook niet aannemelijk dat [verweerder] dat heeft besproken/gevraagd. In de eerste plaats niet gezien de aard en omvang van de schending van de fiscale regels. In de tweede plaats vanwege het volgende. Hoewel de curator [verweerder] diverse malen heeft gevraagd om de complete administratie van de Stichting af te geven, zijn onder andere de volgende stukken niet door hem aan de curator ter beschikking gesteld:
  • jaaropgaven 2013 en 2015
  • overzicht loonheffing en premies 2013 en 2015
  • balansen over de boekjaren 2013 en 2014
  • staten van baten en lasten over de boekjaren 2013 en 2014
  • grootboek 2013 en 2014
  • journaal 2013 en 2014
  • bankafschriften van de spaarrekening over de jaren 2013 tot en met 2015
  • jaarstukken 2013 tot en met 2015
  • aangiften en aanslagen loonbelasting 2013 tot en met 2015
  • aangiften en aanslagen omzetbelasting 2013 tot en met 2015
  • achterliggende stukken debiteuren
  • achterliggende stukken crediteuren
  • achterliggende stukken memoriaalboekingen.
[verweerder] heeft geen enkele verklaring gegeven voor het feit dat hij deze stukken niet aan de curator heeft verstrekt. Dit kan tot geen andere conclusie leiden dan dat hij het voeren van een deugdelijke administratie van de Stichting, waaronder het naleven van de fiscale regels, met een korrel zout heeft genomen.

4.15.

De Stichting had ieder jaar tientallen werknemers in dienst. Gelet op alle omstandigheden kan worden geconcludeerd dat de administratie van de Stichting op een zodanige manier is gevoerd dat een meer dan geringe kans bestond op schending van de op haar toepasselijke fiscale regels, waardoor de overheid aanzienlijke belastingbedragen kon mislopen. [verweerder] heeft niets gedaan om dit risico te vermijden of tot aanvaardbare proporties te verkleinen. Daarom kan hem van deze schending van artikel 2:10 BW een ernstig verwijt worden gemaakt, ook als hij niet heeft stilgestaan bij de mogelijkheid van schade voor de Stichting in de vorm van een naheffingsaanslag met hogere dan normale loonheffingstarieven.
Het contracteren van spelers en trainer voor de seizoenen 2010/2011 tot en met 2014/2015

4.16.

De curator neemt het standpunt in dat [verweerder] zijn taak als bestuurder van de Stichting ook onbehoorlijk heeft vervuld door namens de Stichting spelers en een trainer in dienst te nemen terwijl de Stichting niet beschikte over structurele financiering waarmee de salarissen konden worden betaald. Dit betoog slaagt niet, voor zover het ziet op de periode van [2010] (de datum van oprichting van de Stichting) tot en met 2014. [verweerder] heeft er tot en met december 2014 altijd voor gezorgd dat de salarissen van de spelers en de hoofdtrainer betaald werden uit de gelden die hij daarvoor aan de Stichting verstrekte. In de zomer van 2014 heeft [verweerder] namens de Stichting de jaarcontracten gesloten met het oog op het seizoen 2014/2015. De curator heeft niets aangevoerd op grond waarvan moet worden aangenomen dat [verweerder] in de periode van [2010] tot en met de zomer van 2014 ernstig rekening moest houden met gebeurtenissen die hem zouden doen besluiten de geldkraan naar de Stichting dicht te draaien.
Het handelen van [verweerder] in 2015

4.17.

De Stichting had geen spaarpot en had sinds 1 januari 2015 ook geen inkomsten. Volgens de curator had [verweerder] daarom a) in januari 2015 de werknemers van de Stichting moeten ontslaan en b) had hij geen spelers moeten contracteren voor het seizoen 2015/2016. Onderdeel a) van dit betoog slaagt niet, onderdeel b) wel.
4.18.

Uit het door de curator tijdens de mondelinge behandeling verstrekte overzicht van de schulden van de Stichting blijkt een preferente schuld van in totaal € 50.779,76 aan vier spelers en aan het UWV. De curator kon hierover tijdens de mondelinge behandeling geen duidelijkheid verschaffen maar de rechtbank gaat ervan uit dat deze schuld – in ieder geval voor een gedeelte – betrekking heeft op de niet door de Stichting betaalde salarissen in de periode van januari 2015 tot de zomer van dat jaar (het einde van het voetbalseizoen 2014/2015; zie ook 4.21). Omdat de Stichting vanaf 1 januari 2015 geen geld meer had moet het voor [verweerder] duidelijk zijn geweest dat de Stichting in de maanden daarna een forse salarisschuld zou opbouwen. Toch is de rechtbank het niet eens met de curator dat [verweerder] (kort) na 1 januari 2015 de spelers en de hoofdtrainer had moeten ontslaan. Zij hadden namelijk jaarcontracten en die kunnen normaal gesproken niet tussentijds worden beëindigd. De curator heeft niets gesteld op grond waarvan moet worden aangenomen dat het in dit geval wel mogelijk was om de werknemers van de Stichting te ontslaan.
4.19.

In reactie op verwijt van de curator dat [verweerder] namens de Stichting spelers en een trainer voor het seizoen 2015/2016 heeft gecontracteerd zegt [verweerder] dat hij dat niet heeft gedaan en dat de Vereniging de spelers heeft gecontracteerd. Dit verweer slaagt niet.
4.20.

De rechtbank stelt in de eerste plaats vast dat [verweerder] geen enkel document heeft overgelegd waaruit blijkt dat de spelers en de hoofdtrainer, in afwijking van wat gebruikelijk was, vanaf het begin van het seizoen 2015/2016 onder contract hebben gestaan bij de Vereniging. Het is ook niet aannemelijk, gelet op de slechte financiële situatie waarin de Vereniging in 2015 verkeerde en op financiële regels van de KNVB (zie 4.2). Daarnaast geldt het volgende.
4.21.

Als een curator na het uitspreken van een faillissement wordt geconfronteerd met werknemers en de arbeidsovereenkomsten met die werknemers opzegt, neemt het UWV de verplichting op zich om aan de werknemers te betalen a) het loon vanaf de datum van het faillissement tot het einde van de opzeggingstermijn (maximaal zes weken), b) achterstallig loon tot maximaal 13 weken voor de opzegdatum, en c) vakantiegeld, niet opgenomen vakantiedagen en achterstallige betaling aan derden (zoals pensioenpremie) over maximaal 1 jaar voor het einde van het dienstverband (zie de artikelen 61 en 64 van de Werkloosheidswet). De vorderingen van de werknemers op de failliete werkgever gaan over op het UWV, voor zover deze vorderingen door het UWV worden voldaan (artikel 66 Werkloosheidswet). De schuld van de failliete werkgever aan het UWV voor het door het UWV aan de werknemers betaalde loon uit categorie a) is een boedelschuld (artikel 40 lid 2 Faillissementswet). De resterende schuld van de failliete werkgever aan het UWV is een preferente schuld (artikel 3:288 onder d en e BW). Tijdens de mondelinge behandeling heeft de curator een overzicht verstrekt waarop een boedelschuld aan het UWV van € 17.451,80 is vermeld. [verweerder] heeft het bestaan van die boedelschuld niet betwist en de rechtbank heeft ook overigens geen reden om aan de juistheid van dit overzicht te twijfelen, zodat die boedelschuld vaststaat. Daaruit volgt dat het UWV na de datum van het faillissement van de Stichting (19 januari 2016) loon heeft betaald aan werknemers van de Stichting. De Stichting had dus op 19 januari 2016 werknemers in dienst. De enige werknemers van de Stichting waren de spelers en de hoofdtrainer van het eerste elftal.
4.22.

Dit blijkt ook uit een brief van 22 juli 2015 van de Stichting, die [verweerder] heeft opgesteld voor de spelers. In die brief heeft [verweerder] uitgelegd dat hij tot de conclusie was gekomen dat het niet verantwoord was om een nieuw voetbalseizoen aan te vangen. Vervolgens valt in deze brief te lezen: ‘Alles afwegende heeft dit geleid tot de zeer moeilijke (en bijzonder betreurenswaardig) beslissing om alle gemaakte afspraken voor komend seizoen 2015/’16 ongedaan te maken en in te trekken.’ Gelet op het bestaan van de boedelschuld aan het UWV hebben de spelers (of in ieder geval een aantal van hen) zich niet neergelegd bij de wens van [verweerder] om hun dienstverband met onmiddellijke ingang te beëindigen.
4.23.

Vast staat dus dat [verweerder] in de zomer van 2015, maar vóór 22 juli 2015, namens de Stichting arbeidscontracten voor de duur van een jaar afgesloten met spelers en de hoofdtrainer van het eerste elftal van de Vereniging. Bij de beoordeling van de ernst hiervan zijn de volgende omstandigheden van belang.
4.24.

[verweerder] wist dat de belastingdienst aan de Vereniging een naheffingsaanslag had opgelegd en dat de belastingdienst bezig was met haar boekenonderzoek bij de Stichting. Hij had er voor gezorgd dat de Stichting aan twee van haar werknemers relatief grote, ‘zwarte’ betalingen had gedaan en hij heeft ook het risico genomen dat de Stichting op andere onderdelen de fiscale regels niet naleefde. [verweerder] moet er in de zomer van 2015 dus ernstig rekening mee hebben gehouden dat de belastingdienst ook aan de Stichting een naheffingsaanslag zou gaan opleggen. Daarnaast wist [verweerder] dat de Stichting op 1 januari 2015 geen spaarpot had en sindsdien geen inkomsten had ontvangen, waardoor de salarissen van spelers en de trainer in de tweede helft van het seizoen 2014/2015 (januari 2015 tot de zomer van 2015) niet waren betaald.
4.25.

Tijdens de mondelinge behandeling is namens [verweerder] meegedeeld dat hij in de zomer van 2015 hoopte op een goede ‘oplossing’. Dat is in deze situatie niet genoeg. [verweerder] heeft namelijk niets aangevoerd op grond waarvan hij er toen (vóór 22 juli van dat jaar) gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat er een redelijke kans bestond dat er ‘iets’ zou gebeuren wat hem zou doen besluiten om zijn betalingen aan de Stichting te hervatten, of dat een derde bereid zou zijn om de Stichting (voldoende) te financieren. [verweerder] moest er dus ernstig rekening mee houden dat de Stichting haar schulden (waaronder met name haar achterstallige en lopende loonverplichtingen) niet zou kunnen voldoen.
4.26.

Onder deze omstandigheden kan [verweerder] van het contracteren van spelers en een trainer voor het seizoen 2015/2016 een ernstig verwijt worden gemaakt. Op dit onderdeel is dus sprake van onbehoorlijke taakvervulling.
Het aftreden door [verweerder] als bestuurder van de Stichting

4.27.

Volgens de curator heeft [verweerder] zijn taak onbehoorlijk vervuld door op 30 september 2015 af te treden als bestuurder. De rechtbank laat in het midden of [verweerder] hiervan een ernstig verwijt kan worden gemaakt. De curator stelt namelijk niet dat het faillissement van de Stichting hierdoor is veroorzaakt. Het is ook niet aannemelijk. Daarnaast voert de curator ook geen concreet bedrag aan als schade die de Stichting hierdoor kan hebben geleden.
De schade van de Stichting als gevolg van de onbehoorlijke taakvervulling

4.28.

De curator heeft niet gesteld dat de Stichting op grond van artikel 6:162 BW aanspraak kan maken op een hogere schadevergoeding dan op grond van artikel 2:9 BW. Het is ook niet waarschijnlijk. Daarom zal de rechtbank het handelen van [verweerder] niet beoordelen aan de hand van artikel 6:162 BW.
4.29.

Over de schade van de Stichting stelt de curator zich in de eerste plaats op het standpunt dat deze bestaat uit een bedrag ter hoogte van het faillissementstekort.
4.30.

De rechtbank is van oordeel dat [verweerder] niet aansprakelijk is voor een bedrag ter hoogte van het faillissementstekort. Op 1 januari 2015 had de Stichting geen geld en ook daarna is er geen geld binnengekomen. Het niet betaalde salaris van de spelers en de hoofdtrainer in de periode van januari 2015 tot de zomer van dat jaar (het einde van het voetbalseizoen 2014/2015) is dus een onderdeel van het faillissementstekort. Eerder heeft de rechtbank geoordeeld dat niet aan [verweerder] kan worden verweten dat hij de spelers en de hoofdtrainer niet begin januari 2015 heeft ontslagen. De schuld van de Stichting die daarvan het gevolg was (€ 50.779,76 of een gedeelte daarvan, zie hiervoor 4.18) kan dus niet aan [verweerder] worden toegerekend. De schade van de Stichting die het gevolg is van onbehoorlijke taakvervulling van [verweerder] is dus in ieder geval lager dan het faillissementstekort.
4.31.

De schade van de Stichting waarvoor [verweerder] wel aansprakelijk is moet worden vastgesteld door een vergelijking te maken tussen de huidige situatie en de situatie waarin de Stichting zou hebben verkeerd zonder onbehoorlijke taakvervulling van [verweerder] .
4.32.

De Stichting heeft financieel nadeel 1) door het niet naleven door [verweerder] van de voor de Stichting relevante fiscale regels en 2) doordat [verweerder] in de zomer van 2015 namens de Stichting spelers en een trainer heeft gecontracteerd voor het seizoen 2015/2016.
4.33.

Schadepost 1) bestaat uit de optelsom van a) de definitieve naheffingsaanslagen
(€ 63.884) en de boete voor de omzetbelasting (€ 287,50), in totaal € 64.171,50, verminderd met b) het totaal van de loonheffing en premies dat de Stichting verschuldigd zou zijn geweest bij correcte naleving van haar fiscale verplichtingen. De rechtbank is niet in staat om de hoogte van onderdeel b) vast te stellen. Daarvoor moeten namelijk alle loonheffingstarieven die in de hypothetische situatie van toepassing zouden zijn geweest in kaart worden gebracht. Dat geldt ook voor de premies werknemersverzekeringen. De curator heeft voor de vaststelling daarvan geen aanknopingspunten gegeven.
4.34.

Schadepost 2) bestaat uit a) de hoogte van de boedelschuld aan het UWV
(€ 17.451,80), vermeerderd met b) alle overige loonkosten van de spelers en de hoofdtrainer waaraan de stichting over het seizoen 2015/2016 gebonden was. Voor de vaststelling van de hoogte van dit onderdeel b) heeft de rechtbank ook onvoldoende aanknopingspunten.

4.35.

Omdat de hoogte van de schade niet kan worden vastgesteld en de curator subsidiair een verklaring voor recht heeft gevorderd waarvan een onderdeel is dat de hoogte van de schade wordt vastgesteld in een schadestaatprocedure, zal de rechtbank een verklaring voor recht geven. Deze luidt dat [verweerder] aansprakelijk is voor de schade van de Stichting als gevolg van a) het niet naleven van de op de Stichting toepasselijke fiscale regels in de periode van 2010 tot en met 2013 en b) het namens de Stichting contracteren van spelers en een trainer voor het seizoen 2015/2016, nader op te maken bij staat.
[verweerder] als bestuurder van de Vereniging

De periode waarin [verweerder] bestuurslid (voorzitter) was van de Vereniging

4.36.

[verweerder] is met ingang van [2012] afgetreden als bestuurslid van de Vereniging. In de registers van de Kamer van Koophandel staat echter dat hij pas op [2013] is afgetreden. Daarom neemt de curator het standpunt in dat het handelen van [verweerder] moet worden beoordeeld alsof hij tot [2013] voorzitter van het bestuur van de Vereniging is geweest. De rechtbank volgt dit standpunt niet. Het register van de Kamer van Koophandel is van belang voor derden. De Vereniging zelf wist echter dat [verweerder] vanaf [2012] geen bestuurslid meer was. Voor de beoordeling van de (interne) aansprakelijkheid van [verweerder] ten opzichte van de Vereniging is dat laatste doorslaggevend.
[verweerder] feitelijk beleidsbepaler?

4.37.

Volgens de curator was [verweerder] feitelijk beleidsbepaler van de Vereniging na zijn aftreden als bestuurslid van de Vereniging. Ter onderbouwing daarvan voert zij aan a) dat de penningmeester van de Vereniging, [penningmeester] , aan [verweerder] een exemplaar heeft verstrekt van het door [penningmeester] opgestelde Concept financieel plan van 23 juni 2015 (zie 2.9), en b) dat [verweerder] (ook) na [2012] de vrijwilligers regelde, de artiesten regelde die bij de Vereniging kwamen optreden en dat hij de jaarstukken van de Vereniging heeft opgemaakt.
4.38.

De rechtbank beschouwt [verweerder] niet als feitelijk beleidsbepaler van de Vereniging vanaf [2012] . Dat penningmeester [penningmeester] een exemplaar van zijn Concept financieel plan aan [verweerder] heeft gestuurd lag voor de hand, omdat de spelers en de hoofdtrainer van het eerste elftal van de Vereniging in dienst waren bij de Stichting en hun salaris sinds januari 2015 niet meer door de Stichting (lees: [verweerder] ) werd betaald. Ook de andere door de curator genoemde omstandigheden zijn onvoldoende om te kunnen concluderen dat [verweerder] in de periode na [2012] een stem van zodanig gewicht had in de (beleids-)beslissingen die moesten worden genomen in het kader van de collectieve bestuurstaak, dat hij als feitelijk (mede)beleidsbepaler kan worden aangemerkt.
Tussenconclusie

4.39.

[verweerder] was geen bestuurder van de Vereniging na [2012] en hij kan vanaf die datum ook niet worden beschouwd als feitelijk beleidsbepaler van de Vereniging. Of [verweerder] als bestuurder van de Vereniging zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld en, zo ja, welke schade dit tot gevolg heeft, wordt dus beoordeeld over de periode die is geëindigd op [2012] .
Artikel 2:9 BW

4.40.

De rechtbank is van oordeel dat [verweerder] zijn taak als bestuurder van de Vereniging onbehoorlijk heeft vervuld en dat hij aansprakelijk is voor de schade die de Vereniging daardoor lijdt. Dit wordt hieronder toegelicht.
4.41.

De curator verwijt [verweerder] schending van de administratieplicht (artikel 2:10 BW). Meer in het bijzonder verwijt zij hem dat de Vereniging loonadministratie-verplichtingen heeft geschonden doordat fiscale regels niet werden nageleefd.
4.42.

Het handelen van [verweerder] als bestuurder van de Vereniging moet worden beoordeeld aan de hand van het in 4.4 en 4.7 beschreven toetsingskader.
Correcte naleving van de op de Vereniging toepasselijke fiscale regels

4.43.

De belastingdienst heeft in haar boekonderzoek het volgende vastgesteld:
  1. In 2009, dus voordat de Stichting is opgericht, zijn aan vier spelers en de hoofdtrainer van de Vereniging betalingen verricht van in totaal € 49.670. Die vergoedingen zijn niet door de Vereniging betaald maar door een derde (volgens [verweerder] door hemzelf en andere personen). Dit staat niet in de weg aan de kwalificatie van dienstbetrekking. De spelers en de trainer woonden namelijk de trainingen bij, maakten deel uit van de selectie bij wedstrijden en werden voor deze prestaties betaald. Daarom zijn de betalingen ten onrechte niet in de salarisadministratie opgenomen.
  2. Door de Vereniging is gebruik gemaakt van de diensten van diverse personen die door de Vereniging zijn aangemerkt als vrijwilligers. De fiscale wetgeving kent een vrijwilligersregeling. Als die van toepassing is zijn er geen loonheffingen verschuldigd over de vergoedingen en verstrekkingen van de Vereniging aan de vrijwilligers. Een belangrijke voorwaarde voor de vrijwilligersregeling is dat de arbeid niet bij wijze van beroep mag worden verricht. Daarom mag de vergoeding niet marktconform zijn. De belastingdienst gaat ervan uit dat bij een uurvergoeding van ten hoogste € 4,50 geen sprake is van een marktconforme beloning. Een andere voorwaarde is dat de vergoedingen en verstrekkingen gezamenlijk per vrijwilliger niet hoger zijn dan € 150 per maand en ook niet hoger dan € 1.500 per jaar. Een uitzondering hierop geldt als de Vereniging kan aantonen dat de vergoeding ziet op werkelijk gemaakte kosten.
In de kasadministratie van de Vereniging is verwerkt dat zij in de periode van 2009 tot en met 2012 aan twee schoonmakers uurvergoedingen lager dan € 4,50 heeft betaald. Uit door de belastingdienst aangetroffen kwitanties blijkt echter dat de schoonmakers in werkelijkheid € 12,50 per uur hebben ontvangen. Daarom worden de schoonmakers geacht in dienstbetrekking te zijn geweest bij de Vereniging. Een naheffingsaanslag wordt opgelegd. Omdat de namen van de schoonmakers niet uit de administratie van de Vereniging blijken is het hoogste loonheffingstarief (het anoniementarief) geheven.
In de periode 2009 tot en met 2012 heeft de Vereniging aan zeven trainers vergoedingen betaald voor werkelijk gemaakte kosten, variërend van € 3.000 tot
€ 5.000 per jaar. Voor een deel van deze vergoedingen kon de Vereniging niet aantonen dat zij betrekking hadden op kosten die daadwerkelijk zijn gemaakt. Daarom volgt een naheffingsaanslag met toepassing van het tabeltarief (niet het anoniementarief), waarbij ook geen rekening wordt gehouden met de loonheffingskorting.
De belastingwet kent een zogenoemde artiestenregeling. Onder bepaalde omstandigheden moet een opdrachtgever van een artiest aangifte loonheffing doen. Bij vier gelegenheden in de periode 2010 tot en met 2012 heeft de Vereniging de artiestenregeling niet correct toegepast. Daarom heeft de belastingdienst de uitbetalingen tegen het anoniementarief belast.
Tijdens het boekenonderzoek kon de Vereniging het grootboek en de jaarrekeningen over de voetbalseizoen de 2012/2013 en 2013/2014 niet aan de belastingdienst verstrekken. Op verzoek van het bestuur van de Vereniging heeft de belastingdienst de bevindingen tot en met het boekjaar 2011/2012 geëxtrapoleerd naar het einde van de onderzoeksperiode (31 december 2013). Daarom zijn ook over 2013 loonheffingen en premies SVW nageheven.

4.44.

Naar aanleiding van deze bevindingen heeft de belastingdienst aan de Vereniging naheffingsaanslagen opgelegd van in totaal € 124.096, met een boete van 10% van de verschuldigde belasting.
4.45.

Uit het rapport van de belastingdienst blijkt dat de financiële administratie van de Vereniging bestond uit de kantine-administratie en uit de overige administratie. Beide onderdelen werden verzorgd door de penningmeester van de Vereniging. De jaarrekeningen van de Vereniging werden opgemaakt door [verweerder] .
4.46.

Wat betreft de fiscale aspecten kunnen samengevat de volgende conclusies worden getrokken. In 2009 zijn vier spelers en een trainer ten onrechte niet aangemerkt als werknemers. Voor de schoonmakers kon de Vereniging geen aanspraak maken op de vrijwilligersregeling. Gelet op de bevindingen van de belastingdienst moet de Vereniging zich van dit laatste bewust zijn geweest. De schoonmakers zijn dus ‘zwart’ betaald en dat is belastingontduiking. Daarnaast zijn de regels voor de onbelaste kostenvergoeding (betalingen aan de trainers vanaf 2010) en de artiestenregeling niet goed nageleefd.
4.47.

Op grond hiervan concludeert de rechtbank dat het bestuur van de Vereniging de administratieplicht van artikel 2:10 BW in de jaren 2009 tot en met 2013 heeft geschonden. Hiervoor is het bestuur van de Vereniging collectief verantwoordelijk. Voor de periode tot
[2012] is [verweerder] daarvoor mede-verantwoordelijk.

4.48.

[verweerder] neemt het standpunt in dat hem geen ernstig verwijt kan worden gemaakt omdat de penningmeester verantwoordelijk was voor de administratie van de Vereniging. Dit standpunt slaagt niet, ook als ervan wordt uitgegaan dat [verweerder] niet op de hoogte is geweest van de zwarte betalingen aan de schoonmakers. Van het bestuur van een vereniging, en zeker ook van de voorzitter van het bestuur van die vereniging, mag worden verwacht dat zij erop toezien dat alle op die vereniging toepasselijke fiscale regels worden nageleefd. Niet gesteld of gebleken is dat de Vereniging zelf iemand in huis had met voldoende relevante fiscale kennis. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verweerder] meegedeeld dat de Vereniging in het verleden fiscaal advies heeft ingewonnen. Een onderbouwing daarvoor ontbreekt echter en het is, gelet op de aard en omvang van de schending van de fiscale regels, ook niet aannemelijk. Daarom gaat de rechtbank ervan uit dat de Vereniging geen deskundig fiscaal advies heeft ingewonnen. Dat is onverantwoord, aangezien uit het rapport van de belastingdienst blijkt dat de Vereniging jaarlijks aan relatief veel mensen niet onaanzienlijke bedragen betaalde. De administratie van de Vereniging is dus op een zodanige manier gevoerd dat een meer dan geringe kans bestond op schending van de op haar toepasselijke fiscale regels, waardoor de overheid aanzienlijke belastingbedragen kon mislopen. [verweerder] heeft niets gedaan om dit risico te vermijden of tot aanvaardbare proporties te verkleinen. Daarom kan hem van deze schending van artikel 2:10 BW een ernstig verwijt worden gemaakt, ook als hij niet heeft stilgestaan bij de mogelijkheid van schade voor de Vereniging in de vorm van een naheffingsaanslag met hogere dan normale loonheffingstarieven.
Schade van de Vereniging

4.49.

Net als bij de Stichting gaat de rechtbank er vanuit dat de schade van de Vereniging, voor zover die het gevolg is van onrechtmatig handelen van [verweerder] , niet hoger kan zijn dan de schade op grond van artikel 2:9 BW. Daarom zal de rechtbank het handelen van [verweerder] niet beoordelen aan de hand van artikel 6:162 BW.
4.50.

Volgens de curator is de schade die het gevolg is van de onbehoorlijke taakvervulling van [verweerder] gelijk aan het faillissementstekort. Dit is onjuist. Een deel van de door de belastingdienst opgelegde naheffingsaanslag ziet op de periode van
[2012] tot en met 31 december 2013. In die periode was [verweerder] geen bestuurder van de Vereniging en was hij ook geen feitelijk beleidsbepaler. Daarnaast blijkt uit het door [penningmeester] opgestelde Concept financieel plan dat de Vereniging op 23 juni 2015 ook grote, niet-fiscale schulden had. Niet gesteld of gebleken is dat die schulden op
24 december 2015 (de datum waarop de Vereniging failliet is verklaard) waren afgelost. Voor zover de curator bedoelt dat ook die schulden een gevolg zijn van onbehoorlijke taakvervulling door [verweerder] , heeft zij dat niet onderbouwd. De schade van de Vereniging die wel het gevolg is van de onbehoorlijke taakvervulling van [verweerder] , is dus lager dan het faillissementstekort.

4.51.

De schade van de Vereniging, waarvoor [verweerder] aansprakelijk is, moet worden vastgesteld door een vergelijking te maken tussen het nadeel van de Vereniging dat het gevolg is van de onbehoorlijke taakvervulling van [verweerder] , en de financiële situatie waarin de Vereniging zou hebben verkeerd zonder die onbehoorlijke taakvervulling. Daarvoor is nodig dat wordt vastgesteld welk deel van de naheffingsaanslag (en dus ook van de opgelegde boete) betrekking heeft op de periode tot [2012] (a). Ook moet worden vastgesteld hoeveel loonheffing en premies de Vereniging over de periode van
1 januari 2009 tot [2012] verschuldigd zou zijn geweest bij naleving van haar fiscale verplichtingen (b). Daarvoor heeft de rechtbank geen aanknopingspunten. Voor de vaststelling van de hoogte van de schade moet vervolgens (a) worden verminderd met (b).

4.52.

Omdat de hoogte van de schade van de Vereniging niet kan worden vastgesteld en de curator subsidiair een verklaring voor recht heeft gevorderd waarvan een onderdeel is dat de hoogte van die schade wordt vastgesteld in een schadestaatprocedure, zal de rechtbank de gevorderde verklaring voor recht geven. Deze luidt dat [verweerder] aansprakelijk is voor de schade van de Vereniging als gevolg van het niet naleven van de op de Vereniging toepasselijke fiscale regels in de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 juli 2012, nader op te maken bij staat.
De proceskosten, waaronder de beslagkosten en de nakosten

4.53.

[verweerder] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Omdat een aanzienlijk deel van het gevorderde bedrag wordt afgewezen en de hoogte van de schade nog niet kan worden vastgesteld, begroot de rechtbank de proceskosten aan de zijde van de curator op basis van het tarief voor zaken van onbepaalde waarde op:
– betekening oproeping € 81,99
– griffierecht 1.545,00
– salaris advocaat 1.629,00 (3,0 punten × tarief € 543,00)
Totaal € 3.255,99
4.54.

De curator vordert dat [verweerder] wordt veroordeeld tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden begroot op € 1.497,05 voor de deurwaarderskosten en € 543,00 voor salaris advocaat (1 rekest x € 543,00). In totaal is dit € 2.040,05. Omdat in de deurwaardersexploten is vermeld dat de BTW een verrekenpost is voor de curator, maakt de BTW geen onderdeel uit van het bedrag van € 2.040,05.
4.55.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.
4.56.

De vordering tot vergoeding van wettelijke rente over de beslagkosten, de proceskosten en de nakosten wordt toegewezen op de wijze zoals hierna is vermeld.

5De beslissing

De rechtbank
5.1.

verklaart voor recht dat [verweerder] aansprakelijk is voor de schade van de Stichting als gevolg van a) het niet naleven van de op de Stichting toepasselijke fiscale regels in de periode van 2010 tot en met 2013, en b) het namens de Stichting contracteren van spelers en een trainer voor het seizoen 2015/2016, nader op te maken bij staat,
5.2.

verklaart voor recht dat [verweerder] aansprakelijk is voor de schade van de Vereniging als gevolg van het niet naleven van de op de Vereniging toepasselijke fiscale regels in de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 juli 2012, nader op te maken bij staat,

Het financiële beleid is een zaak is van het gehele bestuur

Een kunstenaarscollectief (een “coöperatie u.a.”) betaalt de elektriciteitsrekening niet en gaat failliet. De curator spreekt de bestuursleden aan voor het tekort op grond van artikel 2:138 BW. Ik merk meteen maar op dat dat artikel alleen geldt voor verenigingen die vennootschapsbelasting moeten betalen (art. 2:50a BW).

Belangrijk is de overweging dat het uitgangspunt is “dat artikel 2:9 BW bepaalt dat het algemene beleid van een rechtspersoon, waartoe met name ook het financiële beleid behoort, een zaak is van het gehele bestuur. Dit is slechts anders indien de aangesproken bestuurder aantoont dat hem de tekortkoming in het bestuur niet valt te verwijten en dat hij niet nalatig is gebleven in het beperken van de gevolgen ervan. Een penningmeester is belast met de financiële taken en kan zich daarom niet snel disculperen voor een tekortkoming die betrekking heeft op het financieel beleid. En ten slotte geldt dat een opdracht aan een derde tot het doen van de boekhouding/uitvoeren van administratieve taken de bestuurder niet ontslaat van zijn eigen verantwoordelijkheid.”

“Ook in de stelling dat het ging om een kunstenaarscollectief en na het vertrek van de financiële mensen in het bestuur slechts kunstenaars overbleven, kan geen aanvaardbare verklaring worden gevonden. Dat een bestuurder zijn taken onbezoldigd op zich heeft genomen en dat een bestuurder in het dagelijks leven kunstenaar is, brengt niet mee dat van hem niet het inzicht en de zorgvuldigheid mogen worden verwacht van een bestuurder die voor zijn taak berekend is en deze nauwgezet vervult.”

ECLI:NL:GHSHE:2019:3864

3De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1.

Deze zaak gaat – kort samengevat – over de vraag of [appellant 1] en [appellant 2] als bestuurders van de rechtspersoonlijkheid bezittende coöperatieve vereniging [noot: dit is een verouderde term, in het BW sinds 1992 heet de rechtsvorm ‘coöperatie’) met uitgesloten aansprakelijkheid Coöperatie Kunstcollectief Heerlen u.a. (hierna: KCH) (opgericht bij akte van 13 december 2010) hun taken als bestuurders kennelijk onbehoorlijk hebben vervuld waardoor zij aansprakelijk zijn jegens de curator en gehouden tot betaling en/of aanzuivering van de tekorten in het faillissement van KCH (uitgesproken op 10 februari 2015).
De rechtbank heeft (voor zover in deze zaak relevant) voor recht verklaard dat [appellant 1] en [appellant 2] als gewezen bestuurders van KCH hun taken in de periode van drie jaren voorafgaand aan het faillissement onbehoorlijk hebben vervuld en geoordeeld dat vermoed wordt dat dit een belangrijke oorzaak is geweest van het faillissement in de zin van artikel 2:138 lid 2 BW. Ook zijn [appellant 1] en [appellant 2] hoofdelijk veroordeeld tot betaling van het boedeltekort aan de curator, nader op te maken bij staat en zijn [appellant 1] en [appellant 2] veroordeeld om hoofdelijk een voorschot aan de curator te voldoen van € 100.000,00. Ten slotte zijn [appellant 1] en [appellant 2] hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten.

3.2.

Van dit vonnis zijn [appellant 1] en [appellant 2] in hoger beroep gekomen met in totaal dertien grieven. De curator heeft voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld. Het hof zal hierna eerst het principaal hoger beroep beoordelen.
Kennelijk onbehoorlijk bestuur?
3.3.

Allereerst ligt de vraag voor of [appellant 1] en [appellant 2] hun taken als bestuurders van KCH kennelijk onbehoorlijk hebben vervuld waardoor zij ingevolge artikel 2:138 BW (dat op grond van artikel 2:50a BW van overeenkomstige toepassing is in geval van faillissement van een vereniging waarvan de statuten zijn opgenomen in een notariële akte en die aan de heffing van vennootschapsbelasting is onderworpen, zoals het geval was bij KCH) aansprakelijk zijn jegens de curator en gehouden tot betaling en/of aanzuivering van de tekorten in het faillissement van KCH.
Maatstaven
3.4.

Uitgangspunt is dat in het geval zo’n coöperatieve vereniging in staat van faillissement is geraakt, iedere bestuurder jegens de boedel hoofdelijk aansprakelijk is voor het bedrag van de schulden voor zover deze niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan indien, zo is in artikel 2:138 lid 1 in samenhang met lid 6 BW bepaald, het bestuur in de periode van drie jaren voorafgaande aan het faillissement zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en aannemelijk is dat deze kennelijk onbehoorlijke vervulling van de bestuurstaak een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Van kennelijk onbehoorlijke vervulling van de bestuurstaak kan slechts worden gesproken als geen redelijk denkend bestuurder onder dezelfde omstandigheden aldus zou hebben gehandeld.
Heeft het bestuur de boekhoudverplichtingen uit artikel 2:10 BW en/of de verplichtingen inzake de publicatie van de jaarrekening als bedoeld in artikel 2:394 BW geschonden, waaronder de destijds geldende verplichting om de jaarrekening binnen dertien maanden na afloop van het boekjaar op de in lid 1 beschreven wijze openbaar te maken, dan staat ingevolge artikel 2:138 lid 2 BW vast dat het bestuur zijn bestuurstaak ook voor het overige niet behoorlijk heeft vervuld. Wegens het verband met lid 1 mag worden aangenomen dat ook in lid 2 een kennelijk onbehoorlijke taakvervulling wordt bedoeld. Verder wordt de aldus aangenomen niet behoorlijke vervulling van de bestuurstaak vermoed een belangrijke oorzaak van het faillissement te zijn. Dat vermoeden is voor weerlegging vatbaar. Deze bepalingen strekken tot bescherming van de belangen van de crediteuren van de failliet en tot versterking van de bewijspositie van de curator.
Vormt de niet-naleving van een verplichting uit de artikelen 2:10 of 2:394 BW een ‘onbelangrijk verzuim’ dan, zo volgt uit de slotzin van art. 2:138 lid 2 BW, wordt die niet-naleving niet in aanmerking genomen. Met dit laatste wordt bedoeld dat, wanneer de niet-naleving van een verplichting uit de artikelen 2:10 of 2:138 BW niet meer dan een onbelangrijk verzuim oplevert, de in lid 2 aan die niet-naleving verbonden rechtsgevolgen – het niet weerlegbare uitgangspunt en het weerlegbare vermoeden – niet intreden.
Van een onbelangrijk verzuim als bedoeld in de slotzin van artikel 2:138 lid 2 BW is sprake indien het niet voldoen aan de verplichtingen bedoeld in dat artikellid in de omstandigheden van het geval er niet op wijst dat het bestuur zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld. Dit is met name het geval indien voor het verzuim een aanvaardbare verklaring bestaat. Indien het gaat om een overschrijding van de termijn van artikel 2:394 lid 3 BW voor openbaarmaking van de jaarrekening, geldt dat het antwoord op de vraag of een overschrijding als een onbelangrijk verzuim kan gelden, afhangt van de omstandigheden van het geval, in het bijzonder van de redenen die tot de termijnoverschrijding hebben geleid, waarbij opmerking verdient dat hogere eisen moeten worden gesteld naarmate de termijnoverschrijding langer is en dat stelplicht en bewijslast op de aangesproken bestuurder rusten (HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ7189). In de parlementaire geschiedenis is terzake het volgende opgenomen: “In het algemeen kan men stellen dat, indien de overtuiging bestaat dat de ondernemer een bonafide instelling heeft en een redelijke verklaring kan geven voor het verzuim, de bepaling [hof: in de slotzin van lid 2 van art. 2:138 BW] kan worden toegepast om de al te scherpe kantjes van het tweede lid van de artikelen 138 en 248 Boek 2 BW, zoals in het wetsontwerp voorgesteld, weg te nemen” (Kamerstukken II, 16 631, 1983-1984, nr. 9, p. 16).

3.5.

Ten aanzien van de boekhoudplicht geldt voorts dat aan de eisen van artikel 2:10 BW is voldaan indien de boekhouding van een zodanig niveau is dat men snel inzicht kan krijgen in de debiteuren- en de crediteurenpositie op enig moment en deze posities en de stand van de liquiditeiten gezien de aard en omvang van de onderneming een redelijk inzicht geven in de vermogenspositie (Hoge Raad, 11 juni 1993, NJ 1993, 713). De wijze waarop de administratie moet worden ingericht hangt af van de aard, de omvang en de complexiteit van de onderneming.
3.6.

Voorts neemt het hof tot uitgangspunt dat artikel 2:9 BW bepaalt dat het algemene beleid van een rechtspersoon, waartoe met name ook het financiële beleid behoort, een zaak is van het gehele bestuur. Dit is slechts anders indien de aangesproken bestuurder aantoont dat hem de tekortkoming in het bestuur niet valt te verwijten en dat hij niet nalatig is gebleven in het beperken van de gevolgen ervan. Een penningmeester is belast met de financiële taken en kan zich daarom niet snel disculperen voor een tekortkoming die betrekking heeft op het financieel beleid. En ten slotte geldt dat een opdracht aan een derde tot het doen van de boekhouding/uitvoeren van administratieve taken de bestuurder niet ontslaat van zijn eigen verantwoordelijkheid.
Schending boekhoud- en publicatieplicht?
3.7.

[appellant 2] was in de periode van 28 september 2012 tot 12 december 2014 als penningmeester bestuurder van KCH. Na december 2014 heeft [appellant 2] naar eigen zeggen “op de winkel gepast” tot aan datum faillissement van KCH op 10 februari 2015. Hierdoor was [appellant 2] feitelijk vanaf 28 september 2012 tot aan datum faillissement van KCH bestuurder. [appellant 1] was voorzitter van KCH van 13 december 2010 tot 16 november 2012 en is vervolgens opnieuw toegetreden tot het bestuur van KCH op 9 januari 2013 tot 14 januari 2014.
3.8.

Vaststaat dat over de jaren 2012, 2013, 2014 en 2015 geen jaarstukken van KCH zijn opgemaakt (zie ook memorie van grieven punt 57) en dat over 2014 en 2015 iedere administratie van KCH ontbreekt. Ook staat vast dat in de periode van 10 mei 2011 tot en met 19 januari 2015 111 keer contant geld is opgenomen via een geldautomaat ten laste van de rekening van KCH. Een kasboek van KCH ontbreekt. Onbetwist is dat geen van de bestuurders heeft kunnen uitleggen waarvoor deze kasopnamen hebben plaatsgevonden (zie punt 39 inleidende dagvaarding en punt 28 en productie 42 bij memorie van antwoord). [appellant 2] heeft, zo staat ook vast, op 21 mei 2014 aan het administratiekantoor van KCH verzocht om de jaarrekeningen over 2012 en 2013 niet op te stellen (zie ook productie 24 van de curator in eerste aanleg). Voorts blijkt uit de e-mail van 2 november 2016 van D&P aan [appellant 2] (zie productie 4 bij memorie van grieven) naar aanleiding van een vraag van [appellant 2] aan D&P naar de cijfers uit 2013, dat het voor D&P niet duidelijk was of ze nu wel of niet de boekhouding voor KCH moest doen. D&P schrijft aan [appellant 2] dat zij elke keer als er stukken werden aangeleverd deze in de boekhouding verwerkte, maar dat dit uitsluitend het inboeken van stukken betrof. Controle en verdere afwerking van de boekhouding (over 2013) heeft door D&P op uitdrukkelijk verzoek van [appellant 2] niet plaatsgevonden (zie ook punt 83 memorie van antwoord). Aldus hebben [appellant 1] en [appellant 2] de boekhoudingsplicht van artikel 2:10 geschonden (hetgeen door [appellant 2] voor het jaar 2014 ook wordt erkend zie punt 45 memorie van grieven) alsmede de publicatieplicht van artikel 2:394 BW. Ten aanzien van [appellant 1] geldt dat het niet deponeren van de jaarrekening over 2012 en latere jaren hem niet kan worden tegengeworpen omdat de publicatiebalans over 2012 uiterlijk 31 januari 2014 had moeten zijn gedeponeerd en [appellant 1] sinds 14 januari 2014 geen bestuurder meer van KCH meer was (zie ook punt 120 memorie van antwoord).
3.9.

[appellant 1] en [appellant 2] worden niet gevolgd in hun betoog dat gelet op de aard en de omvang van de onderneming – een kunstcollectief waarvan de crediteuren en debiteuren op één hand te tellen zouden zijn geweest – in dit geval geen sprake zou zijn van schending van artikel 2:10 BW. Dat tot medio 2012 betalingen via bankafschriften liepen (zie memorie van grieven punt 65) maakt niet dat er geen schending is van de boekhoudplicht. Zo is er geen uitleg gekomen waaraan de vele kasopnamen zijn besteed. Bovendien is namens KCH een subsidie van een behoorlijke omvang aangevraagd en ontvangen, deels tijdens het bestuurslidmaatschap van [appellant 2] en [appellant 1] , waarvoor geen enkele rekening en verantwoording is afgelegd, terwijl het geld wel op is. Dat de boekhouding van een zodanig niveau zou zijn geweest dat snel inzicht kan worden verkregen in de vermogenspositie van KCH, is dan ook niet gebleken.
Onbelangrijk verzuim?
3.10.

Ook is onvoldoende gesteld en onderbouwd dat sprake zou zijn van een onbelangrijk verzuim als bedoeld in de slotzin van artikel 2:138 lid 2 BW. Een verklaring, laat staan een aanvaardbare verklaring, voor de schending van de boekhoudplicht (ten aanzien van zowel [appellant 1] als [appellant 2] ) of van de schending van de publicatieplicht ( [appellant 2] ) is niet gegeven. Ingevolge vaste jurisprudentie (zie HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ7189) is er geen sprake van een onbelangrijk verzuim enkel en alleen omdat de onderneming geen of weinig activiteiten (meer) uitoefent of weinig of geen relaties heeft. Dat KCH in zwaar weer verkeerde vormt evenmin een omstandigheid om een onbelangrijk verzuim aan te nemen, in tegendeel. In een dergelijk geval is er (juist) alle reden om de boekhouding op orde te brengen en te houden en financiële verantwoording te doen. Uit het feit dat er plots een substantiële vordering van Essent bleek te zijn, volgt dat een goede administratie dus afwezig was en dus noodzakelijk was. Ook in de stelling dat het ging om een kunstenaarscollectief en na het vertrek van de financiële mensen in het bestuur slechts kunstenaars overbleven, kan geen aanvaardbare verklaring worden gevonden. Dat een bestuurder zijn taken onbezoldigd op zich heeft genomen en dat een bestuurder in het dagelijks leven kunstenaar is, brengt niet mee dat van hem niet het inzicht en de zorgvuldigheid mogen worden verwacht van een bestuurder die voor zijn taak berekend is en deze nauwgezet vervult.
3.11.

Het voorgaande betekent dat op grond van artikel 2:138 lid 2 BW in verbinding met artikel 2:10 en artikel 2:394 BW ervan moet worden uitgegaan dat het bestuur, zijnde [appellant 1] en [appellant 2] , zijn taak in de drie jaren voorafgaand aan het faillissement van KCH onbehoorlijk heeft vervuld en dat dit wordt vermoed een belangrijke oorzaak van het faillissement van KCH te zijn. Dit is nog slechts anders indien [appellant 1] en [appellant 2] bewijzen dat de onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur niet aan hen te wijten is en dat zij niet nalatig zijn geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen daarvan af te wenden (2:138 lid 3 BW).
Disculpatie?
3.12.

Voor een geslaagd beroep op artikel 2:138 lid 3 BW is onvoldoende dat [appellant 1] en [appellant 2] de boekhouding aan derden of aan een van de andere bestuurders ( [beheer] Beheer) hebben uitbesteed. Zoals hiervoor onder 3.6. is overwogen ontslaat zulks een bestuurder niet van zijn eigen verantwoordelijkheid, hetgeen te meer geldt voor [appellant 2] die als penningmeester was belast met de financiële taken van KCH. Onvoldoende gesteld en onderbouwd is dat [appellant 1] en [appellant 2] de tekortkomingen in de boekhouding of de publicatieplicht (voor [appellant 2] ) niet vallen te verwijten en dat zij niet nalatig zijn gebleven in het beperken van de gevolgen ervan. Sterker nog, ten aanzien van zowel de boekhouding als de publicatieplicht geldt dat [appellant 2] actief heeft gevraagd geen controle en verdere afwerking uit te voeren (zie hiervoor onder 3.8.). Voor zover [appellant 1] en [appellant 2] stellen dat hen geen ernstig verwijt kan worden gemaakt omdat het faillissement onafwendbaar was door de plotselinge vorderingen van Essent, gaat dit gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de schending van de boekhoudplicht van zowel [appellant 1] als [appellant 2] en ten aanzien van de door [appellant 2] geschonden publicatieplicht niet op. Immers zegt dit niets over waarom de schending van de boekhoudplicht of de publicatieplicht niet aan hen te wijten zou zijn en dat zij niet nalatig zouden zijn geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen daarvan af te wenden.
3.13.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen falen de eerste vijf grieven.
Andere oorzaak faillissement?

3.14.

Het hof is niet gebleken van een van buiten komende oorzaak voor het faillissement van KCH die buiten de beïnvloedingssfeer van het bestuur heeft gelegen. Het door KCH in gebruik genomen pand is van het begin af aan energieverslindend geweest, zoals ook blijkt uit het verslag van de algemene ledenvergadering van 10 augustus 2012 waarin al wordt aangegeven dat een kostenbesparing kan worden bereikt in het energieverbruik (zie ook punt 19 memorie van grieven). Juist de omstandigheid dat het KCH financieel niet voor de wind ging, zou een reden hebben moeten vormen voor het bestuur om de administratie op orde te brengen en te houden. Alsdan zouden ook de hoge energiekosten eerder onderkend zijn door het bestuur en had het bestuur die beter kunnen beheersen. Ook het teruglopen van de cursisten had het bestuur aan moeten zetten om de financiën van KCH nauwlettend in de gaten te houden. En ten slotte is ten aanzien van de door de gemeente verstrekte subsidie vanaf het begin duidelijk geweest hoe hoog die subsidie zou zijn en dat het een eenmalige subsidie zou betreffen en dat het dus aan KCH was om andere vormen van inkomsten te genereren. Bovendien was een van de subsidievoorwaarden dat het bestuur financiële verantwoording aflegde. Aldus onderschrijft het hof hetgeen de rechtbank heeft overwogen in rechtsoverwegingen 4.24 en 4.25 zodat ook grief 6 faalt.

Bestuurslid moet betalen voor fraude medebestuurslid

Rechtbank Rotterdam 28 juni 2017
ECLI:NL:RBROT:2017:9351 (correcte ECLI, 28.11.2017)


In deze zaak wordt een bestuurslid (de secretaris, belast met jeugdactiviteiten) veroordeeld tot betaling van 50.000 vanwege fraude door de voorzitter (die er met de kas vandoor is).

In deze zaak is er in de loop van een aantal jaren in totaal € 240.000,00 overgeboekt van de vereniging naar een stichting (met als statutair doel het ontvangen van derdengelden). Daar is het geld vervolgens verdwenen. Er was geen geldige grond voor de overboekingen. De vereniging moest nog € 160.849 achterstallige contributie afdragen aan (in wezen) de bond. De Stichting voert aan dat zij, ” onder de dreiging van een executoriaal of conservatoir beslag (omdat tussen [de bond] en [de vereniging] een jarenlang geschil bestond over het verplichte lidmaatschap), heeft besloten om de gelden contant te bewaren” in de kluis van de vereniging. Daar zou het geld verdwenen zijn. De rechter gaat eraan voorbij alleen al omdat de contante opnames niet zijn aangetoond. Volgens de secretaris zelf, zouden de voorzitter en penningmeesters als initiatiefnemers van de stichting het doel hebben gehad, na eerdere fraude, om te voorkomen dat ” het bestuur van de vereniging over grote bedragen kon beschikken” .

De Stichting en de voorzitter worden veroordeeld tot (in wezen) terugbetaling van de overgemaakte bedragen. De secretaris wordt veroordeeld tot schadevergoeding op grond van (het in 2013 gewijzigde) artikel 2:9 BW. Het overmaken van de gelden zonder grond is onbehoorlijk bestuur. Daarvoor is elk bestuurslid voor het geheel aansprakelijk ” tenzij hem mede gelet op de aan anderen toebedeelde taken geen ernstig verwijt kan worden gemaakt en hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen van onbehoorlijk bestuur af te wenden.” Daarop kan de secretaris geen beroep doen,omdat zij haar kennis over het bestaan van de vereniging niet heeft gedeeld met de andere bestuursleden of de ALV: ” [d]oor dat na te laten, heeft [de secretaris] onvoldoende invulling aan haar bestuurstaak gegeven. Zij moet geacht worden de risico’s die die overboekingen meebrachten voor de vereniging te hebben onderkend en heeft geen maatregelen genomen om deze risico’s te voorkomen en de gevolgen daarvan zoveel mogelijk te beperken. Daarmee heeft zij haar taak als secretaris niet naar behoren vervuld en daarvan is haar een ernstig verwijt te maken.”

In principe is de secretaris dus aansprakelijk voor € 140.000,00 schade (gelet op haar zittingstermijn), maar dit wordt gematigd door de rechter tot 50.000. ” De rechtbank neemt in aanmerking dat [de secretaris] haar werkzaamheden voor de volkstuinvereniging onbezoldigd en op vrijwillige basis heeft verricht. Gesteld noch gebleken is dat zij op enigerlei wijze persoonlijk gewin heeft nagestreefd of verkregen. Mede in aanmerking genomen dat de ernst van de gevolgen in geen verhouding staat tot het haar te maken verwijt, is de rechtbank van oordeel dat toekenning van volledige schadevergoeding leidt tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen, niet alleen voor [de secretaris] maar ook ten opzichte van de bereidwilligheid van vrijwilligers in het verenigingsleven in het algemeen.”

Overigens had de kascommissie blijkbaar niets door, wisten ze niet van het bestaan van de stichting af, en komt de bestuursleden (in wezen) daarom geen beroep op de steeds verleende decharge toe.

Het betreft overigens de vordering van de vereniging op de secretaris. De vereniging heeft de vordering gecedeerd aan de bond. De secretaris doet kennelijk geen beroep op de klachtplicht van artikel 6:89 BW.

Vonnis van 28 juni 2017

in de zaak van

de vereniging ROTTERDAMSE BOND VAN VOLKSTUINDERS,
[]
tegen 1. de stichting STICHTING DE BEUKHOEVE,
2. [gedaagde 2],
3. [gedaagde 3],

Partijen zullen hierna RBvV, Stichting De Beukhoeve, [gedaagde 2] en [gedaagde 3] genoemd worden. Gedaagden zullen gezamenlijk ook worden aangeduid als Stichting De Beukhoeve c.s.

1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • []
  • het proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 1 mei 2017;
  • []
1.2.

Tegen [gedaagde 2] is verstek verleend.
1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.


2De feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen – voor zover van belang – het volgende vast.
2.1.

De Gemeente Rotterdam heeft een aantal volkstuincomplexen in eigendom. Deze worden door de gemeente verhuurd aan RBvV. RBvV, een vereniging die de belangen van de Rotterdamse volkstuinders behartigt, verhuurt de van die volkstuincomplexen deel uitmakende kavels als volkstuinen onder aan individuele volkstuinders. Deze individuele volkstuinders zijn lid van RBvV en betalen daarvoor contributie.
2.2.

De volkstuinders zijn per volkstuincomplex verenigd in een volkstuinvereniging. In het onderhavige geval is dat Volkstuinvereniging De Beukhoeve (verder: Vereniging De Beukhoeve). De volkstuinverenigingen innen de door de volkstuinders aan RBvV verschuldigde huurpenningen en contributies bij de volkstuinders teneinde deze eens per jaar door te storten aan RBvV.
2.3.

[gedaagde 2] is bestuurder (voorzitter) geweest van Vereniging De Beukhoeve van 19 juni 2006 tot 18 april 2015.
2.4.

[gedaagde 3] is bestuurder (secretaris) geweest van Vereniging De Beukhoeve van 1 december 2007 tot 12 april 2014.
2.5.

Op 10 januari 2011 is Stichting De Beukhoeve opgericht door [gedaagde 2] (toen ook voorzitter van Vereniging De Beukhoeve) en [persoon x] (verder: [persoon x] ). Bestuurder (voorzitter) van Stichting De Beukhoeve is [gedaagde 2] . [gedaagde 3] was bestuurder (secretaris) van Stichting De Beukhoeve van 10 januari 2011 tot 1 januari 2015. [persoon x] was bestuurder (penningmeester) van Stichting De Beukhoeve van 10 januari 2011 tot 31 juli 2012 (de datum van zijn overlijden). [persoon x] was in die periode ook bestuurder (penningmeester) van Vereniging De Beukhoeve.
2.6.

Volgens het Handelsregister zijn de activiteiten van Stichting De Beukhoeve:
A. Het ontvangen van Derdengelden en andere vermogensbestanddelen, ten behoeve van rechthebbende[n]/van degene[n] die zal/zullen blijken rechthebbende[n] te zijn; B. Het tijdelijk beheren van wat de Stichting heeft ontvangen, een en ander voor rekening en risico van de rechthebbende[n] of degene[n] die zal/zullen blijken rechthebbende[n] te zijn.

2.7.

In de brief van [gedaagde 2] (in zijn hoedanigheid van voorzitter van Stichting De Beukhoeve) aan [gedaagde 3] van 5 maart 2011 is onder meer het volgende vermeld:
Naar aanleiding van het gesprek van hedenmorgen deel ik je, na overleg met [persoon x] , het volgende mede;

Het spijt ons zeer dat wij je, met je inschrijving als secretaris van de Stichting de Beukhoeve, overrompeld hebben. Wij zijn er van uit gegaan dat je hier niets tegen zou hebben. Vanzelfsprekend respecteren wij je houding en zullen je per omgaande als functionaris laten uitschrijven bij de Kamer van Koophandel.

2.8.

Tussen Vereniging De Beukhoeve en RBvV was meermalen discussie over opschorting van het afdragen van huurpenningen en contributies. Bij vonnis van 27 maart 2015 is Vereniging De Beukhoeve veroordeeld tot betaling aan RBvV van € 160.849,93, te vermeerderen met de wettelijke rente. Daarbij is Vereniging De Beukhoeve tevens veroordeeld in de proceskosten.
2.9.

Op 21 april 2015 heeft RBvV ten laste van Vereniging De Beukhoeve executoriaal derdenbeslag doen leggen onder ABN AMRO Bank. Bij brief van 19 mei 2015 heeft ABN AMRO Bank medegedeeld dat de saldi van de bankrekeningen van Vereniging De Beukhoeve op de beslagdatum € 7.675,93 bedroegen.
2.10.

In de verslagen van de kascontrolecommissie van Vereniging De Beukhoeve d.d. 29 maart 2013, 7 april 2014 en 13 april 2015 is – telkens – onder meer het volgende vermeld:
Door de leden van de commissie is, na controle van de activa en passiva, vastgesteld dat de kas naar behoren is gevoerd.

Tevens hebben wij de financiële administratie van de vereniging doorgenomen. Alles werd in correcte staat aangetroffen.

Wij adviseren de Algemene Ledenvergadering het bestuur van Vtv de Beukhoeve decharge te verlenen.

2.11.

Vanaf de rekening van Vereniging De Beukhoeve zijn de volgende bedragen – met een totaal van € 240.000,00 – overgeboekt naar de rekening van Stichting De Beukhoeve:
  • € 100.000,00 op 20 juli 2011 met pasnummer 0035 ten name van [persoon x] ;
  • € 50.000,00 op 1 juli 2013 met pasnummer 0071 ten name van [gedaagde 2] ;
  • € 30.000,00 op 9 april 2014 met pasnummer 0071 ten name van [gedaagde 2] ;
  • € 20.000,00 op 14 januari 2015 met pasnummer 0071 ten name van [gedaagde 2] ;
  • € 20.000,00 op 22 februari 2015 met pasnummer 0071 ten name van [gedaagde 2] ;
  • € 20.000,00 op 1 april 2015 met pasnummer 0071 ten name van [gedaagde 2] .
2.12.

In totaal is een bedrag van € 42.000,00 teruggeboekt van Stichting De Beukhoeve naar Vereniging De Beukhoeve. De overige bedragen – met een totaal van € 198.000,00 – zijn niet teruggeboekt. Bij brief van 20 juni 2015 heeft Vereniging De Beukhoeve [gedaagde 2] gesommeerd om alle zaken en goederen van de vereniging over te dragen. In de brief van Vereniging De Beukhoeve aan Stichting De Beukhoeve van 26 juni 2015 is onder meer het volgende vermeld:
Aangezien de vtv De Beukhoeve dringend behoefte heeft aan liquide middelen ten einde facturen te kunnen betalen, waarvan voor een deel reeds ruim de uiterste betalingstermijn is verstreken, en de vereniging als gevolg daarvan ook met incassokosten wordt geconfronteerd verzoeken wij u ALLE door de vtv De Beukhoeve bij uw stichting in beheer gegeven middelen per direct over te maken naar onze rekening (…).

2.13.

Op 28 juli 2015 heeft Vereniging De Beukhoeve ten laste van Stichting De Beukhoeve conservatoir derdenbeslag doen leggen onder ABN AMRO Bank. Bij brief van 25 augustus 2015 heeft ABN AMRO medegedeeld dat de saldi van de bankrekeningen van Stichting De Beukhoeve op de beslagdatum € 568,99 bedroegen.
2.14.

Op 15 december 2015 is door Vereniging De Beukhoeve als cedent en RBvV als cessionaris een akte van cessie ondertekend, waarin onder meer het volgende is vermeld:
In aanmerking nemende:

  • dat [Vereniging] De Beukhoeve een of meerdere vorderingen op de stichting Stichting “De Beukhoeve”, hierna te noemen ‘de stichting’ heeft uit onverschuldigde betaling en/of onrechtmatige daad en/of op een andere wettelijke grond;
  • dat [Vereniging] De Beukhoeve tevens vorderingen uit hoofde van (interne en/of externe) bestuurdersaansprakelijkheid en/of onverschuldigde betaling en/of een andere rechtsgrond, op [gedaagde 2] , zijnde oud bestuurder van [Vereniging] De Beukhoeve en bestuurder van de stichting en op mevrouw [gedaagde 3] , zijnde oud-bestuurder van de stichting, hierna gezamenlijk te noemen ‘ [gedaagde 2] c.s.’, heeft;
  • dat [Vereniging] De Beukhoeve en de RBvV voor het ondertekenen van deze akte van cessie een overeenkomst zijn aangegaan, waaruit voor [Vereniging] De Beukhoeve de verplichting voortvloeit om alle haar reeds toebehorende en toekomstige vorderingen op de stichting en op [gedaagde 2] c.s. over te dragen aan de RBvV, waaronder de bovenstaande vorderingen;

2.15.

Bij brieven van 15 december 2015 heeft RBvV de cessie medegedeeld aan Stichting De Beukhoeve, [gedaagde 2] en [gedaagde 3] .
2.16.

Bij brief van 16 februari 2016 is [gedaagde 2] namens RBvV persoonlijk aansprakelijk gesteld voor de door RBvV en Vereniging De Beukhoeve geleden schade.

3Het geschil

3.1.

RBvV heeft gevorderd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
  1. te verklaren voor recht dat Stichting De Beukhoeve c.s. onrechtmatig hebben gehandeld jegens RBvV en Vereniging De Beukhoeve;
  2. Stichting De Beukhoeve c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 198.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 juni 2015, althans vanaf 26 juni 2015;
  3. Stichting De Beukhoeve c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 2.755,00 aan buitengerechtelijke incassokosten;
  4. Stichting De Beukhoeve c.s. hoofdelijk te veroordelen om die bescheiden te overleggen waaruit expliciet en ondubbelzinnig blijkt waar de vanuit Vereniging De Beukhoeve overgeboekte bedragen van in totaal € 240.000,00 naartoe zijn geboekt, binnen vijf dagen na het te wijzen vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom;
  5. Stichting De Beukhoeve c.s. hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente en met de nakosten.
3.2.

Stichting De Beukhoeve heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vorderingen en geconcludeerd tot afwijzing ervan, met veroordeling van RBvV in de kosten van de procedure.
3.3.

Ook [gedaagde 3] heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vorderingen en geconcludeerd tot afwijzing ervan, met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van RBvV in de kosten van de procedure, te vermeerderen met de nakosten en met de wettelijke rente over de proces- en nakosten.
3.4.

Op de stellingen van partijen zal, voor zover van belang, hierna worden ingegaan.

4De beoordeling

4.1.

Ter comparitie is namens RBvV verklaard dat de vordering zoals hiervoor onder 3.1 sub d) weergegeven is ingesteld voor het geval op RBvV bewijslast zou komen te rusten. De rechtbank zal deze vordering daarom als een in die zin voorwaardelijke vordering opvatten.
In de zaak tegen [gedaagde 2]

4.2.

Tegen [gedaagde 2] is verstek verleend. Nu door Stichting De Beukhoeve en [gedaagde 3] is voortgeprocedeerd, wordt op grond van artikel 140 Rv één vonnis tussen alle partijen gewezen, dat als een vonnis op tegenspraak wordt beschouwd.
4.3.

De vordering tegen [gedaagde 2] komt niet ongegrond of onrechtmatig voor en zal dan ook worden toegewezen, behoudens voor zover hierna anders blijkt.
4.4.

RBvV heeft niet gesteld welk (afzonderlijk) belang zij, gelet op de overige vorderingen, heeft bij de gevorderde verklaring voor recht, zoals hiervoor onder 3.1 sub a) weergegeven. Voor toewijzing van die vordering is daarom geen plaats.
4.5.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal [gedaagde 2] worden veroordeeld in de kosten van de procedure.
In de zaak tegen Stichting De Beukhoeve

4.6.

RBvV heeft zich primair op het standpunt gesteld dat Vereniging De Beukhoeve een bedrag van € 198.000,00 onverschuldigd heeft betaald aan Stichting De Beukhoeve. Op grond van artikel 6:203 BW is Stichting De Beukhoeve verplicht om dit bedrag aan Vereniging De Beukhoeve terug te betalen, aldus RBvV. Vereniging De Beukhoeve heeft haar vordering op Stichting De Beukhoeve overgedragen aan RBvV (zie hiervoor onder 2.14).
4.7.

Stichting De Beukhoeve heeft de rechtsgeldigheid van de cessie betwist. Zij heeft daartoe aangevoerd dat vereist is dat de vordering voldoende expliciet in de cessieovereenkomst wordt benoemd en omschreven en dat daarvan in het onderhavige geval geen sprake is. Er worden geen bedragen en data genoemd, maar het gaat enkel in algemene bewoordingen over een of meerdere vorderingen, aldus Stichting De Beukhoeve.
4.8.

Ingevolge artikel 3:94 juncto artikel 3:84 lid 2 BW moet de over te dragen vordering in voldoende mate worden bepaald door de akte van cessie. Dit vereiste moet niet strikt worden uitgelegd. Het houdt niet in dat de vordering in de akte zelf moet zijn geïndividualiseerd; voldoende is dat de akte zodanige gegevens bevat dat, eventueel achteraf, aan de hand daarvan kan worden vastgesteld om welke vordering het gaat. Aan dat vereiste is in het onderhavige geval voldaan. Het lijdt immers geen twijfel dat de cessie betrekking heeft op de hiervoor onder 2.11 weergegeven overboekingen. Dat in de akte van cessie geen bedragen en data zijn genoemd, doet daar niet aan af. Het verweer van Stichting De Beukhoeve kan in zoverre dan ook niet slagen.
4.9.

Vervolgens komt de vraag aan de orde of de betalingen van Vereniging De Beukhoeve aan Stichting De Beukhoeve, zoals hiervoor onder 2.11 weergegeven, zonder rechtsgrond en dus onverschuldigd zijn verricht. Stichting De Beukhoeve heeft betwist dat sprake is van onverschuldigde betalingen. Zij heeft aangevoerd dat zij is opgericht met toestemming van de algemene ledenvergadering van Vereniging De Beukhoeve en dat de vereniging wetenschap had van de overboekingen van de gelden naar de stichting. Volgens Stichting De Beukhoeve beheerde zij deze gelden. De kascontrolecommissie van Vereniging De Beukhoeve was op de hoogte van de overboekingen en heeft geadviseerd decharge te verlenen, wat ook daadwerkelijk is gebeurd, aldus Stichting De Beukhoeve.
4.10.

Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken van een rechtsverhouding die het verrichten van de betalingen van Vereniging De Beukhoeve naar Stichting De Beukhoeve rechtvaardigt. Dat (de algemene ledenvergadering van) Vereniging De Beukhoeve weet had van de oprichting van Stichting De Beukhoeve en daarvoor zelfs toestemming heeft gegeven is door RBvV betwist en Stichting De Beukhoeve heeft die stelling in het geheel niet onderbouwd. Evenmin is onderbouwd op grond waarvan de stichting de gelden van de vereniging zou beheren. Stichting De Beukhoeve verwijst naar de brief van Vereniging de Beukhoeve van 26 juni 2015 (zie hiervoor onder 2.12), waarin de vereniging verzoekt alle bij de stichting “in beheer gegeven” middelen per direct over te maken naar haar rekening, maar daaruit kan – gelet ook op de betwisting door RBvV – niet worden opgemaakt dat sprake is (geweest) van een rechtsgrond die de betalingen aan de stichting rechtvaardigt. De brief heeft immers de strekking om – nadat was gebleken dat gelden van de vereniging naar de stichting waren overgeboekt – terugbetaling van die gelden te bewerkstelligen. Dat met de brief is bedoeld een juridische grondslag aan de overboekingen te verbinden, blijkt daaruit niet. De rechtbank volgt Stichting de Beukhoeve ook niet in haar (veronder)stelling dat de kascontrolecommissie van Vereniging De Beukhoeve op de hoogte was van de overboekingen. Volgens Stichting De Beukhoeve blijkt dat uit de hiervoor onder 2.10 bedoelde verslagen, maar de leden van de kascontrolecommissie hebben op 18 april 2017 verklaard dat hen nooit is opgevallen dat er (grote) bedragen zijn overgemaakt naar de stichting en dat zij, als duidelijk zou zijn geworden dat verenigingsgelden naar een stichting zouden zijn overgemaakt om ze buiten bereik van de vereniging of haar schuldeisers te houden, de algemene ledenvergadering niet zouden hebben geadviseerd om decharge te verlenen en zij de vergadering daarover zouden hebben geïnformeerd (zie productie 16 van RBvV). Nu door Stichting De Beukhoeve ook na dit verweer niet (voldoende) is gesteld en onderbouwd op grond waarvan zij meent dat de leden van de kascontrolecommissie op de hoogte waren van de overboekingen en daarmee, door het verlenen van decharge, zouden hebben ingestemd, zal haar bewijsaanbod op dit punt worden gepasseerd.
4.11.

Conclusie van het voorgaande is dat sprake is van onverschuldigde betalingen van Vereniging De Beukhoeve aan Stichting De Beukhoeve. Artikel 6:203 lid 2 BW bepaalt dat, wanneer de onverschuldigde betaling een geldsom betreft, de vordering strekt tot teruggave van een gelijk bedrag. Stichting De Beukhoeve heeft in dit kader aangevoerd dat zij, onder de dreiging van een executoriaal of conservatoir beslag (omdat tussen RBvV en Vereniging De Beukhoeve een jarenlang geschil bestond over het verplichte lidmaatschap), heeft besloten om de gelden contant te bewaren. Deze contante gelden werden volgens de stichting opgeslagen in de kluis van de vereniging. Toen [gedaagde 2] zijn functie als voorzitter van de vereniging op 18 april 2015 heeft neergelegd, heeft Stichting De Beukhoeve de volledige administratie achtergelaten op het kantoor van de vereniging. Alle sleutels, ook van de kluis, zijn overgedragen aan de toenmalige secretaris van de vereniging, aldus Stichting De Beukhoeve. [gedaagde 2] heeft vernomen dat de toenmalige secretaris deze heeft overgedragen aan de opvolgend voorzitter van de vereniging. Deze opvolgend voorzitter zou lichtzinnig met de sleutels en codes zijn omgegaan en heeft iedereen die dat wilde toegang tot het kantoor verschaft. Volgens Stichting De Beukhoeve kan zij niet anders dan constateren dat in de consternatie die na de vergadering op 18 april 2015 is ontstaan, een derde kans heeft gezien om de gelden uit de kluis te halen.
4.12.

Voor zover Stichting De Beukhoeve heeft bedoeld te betogen dat de gelden reeds in contanten aan Vereniging De Beukhoeve zijn teruggegeven/-betaald, kan haar verweer niet slagen. RBvV heeft betwist dat de gelden aan de vereniging zijn terugbetaald en enige onderbouwing door Stichting De Beukhoeve op dit punt ontbreekt. Dat aan [gedaagde 2] op 1 juli 2015 een sms-bericht zou zijn verzonden waaruit zou volgen dat de code van de kluis bekend was (productie 3 van Stichting De Beukhoeve), is niet voldoende. Het had op de weg van Stichting De Beukhoeve gelegen om nader te onderbouwen dat de overgeboekte bedragen contant zijn opgenomen en aan Vereniging De Beukhoeve zijn overgedragen. Nu die onderbouwing ontbreekt, kan aan bewijslevering niet worden toegekomen. Mocht Stichting De Beukhoeve bedoeld hebben als verweer te voeren dat zij door diefstal niet meer over de gelden beschikt, merkt de rechtbank op dat dit verweer niet kan afdoen aan haar (terug)betalingsverplichting jegens RBvV.
4.13.

Het door RBvV gevorderde bedrag van € 198.000,00, dat qua hoogte niet door Stichting De Beukhoeve is weersproken, zal dan ook worden toegewezen. De gevorderde wettelijke rente over dat bedrag zal als op de wet gegrond en onvoldoende gemotiveerd betwist worden toegewezen.
4.14.

Stichting De Beukhoeve heeft de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten betwist. Nu niet voldoende door RBvV is gesteld en onderbouwd dat ten aanzien van Stichting De Beukhoeve buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht die vergoeding rechtvaardigen, is de vordering in zoverre niet toewijsbaar.
4.15.

De gevorderde verklaring voor recht, als hiervoor onder 3.1 sub a) weergegeven, is bij gebreke van een belang evenmin toewijsbaar (zie onder 4.4).
4.16.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal Stichting De Beukhoeve worden veroordeeld in de kosten van de procedure.
In de zaak tegen [gedaagde 3]

4.17.

RBvV heeft zich in de zaak tegen [gedaagde 3] primair op het standpunt gesteld dat zij uit hoofde van de cessie een vordering op [gedaagde 3] (en [gedaagde 2] ) in privé heeft op grond van interne bestuurdersaansprakelijkheid (artikel 2:9 BW).
4.18.

Voor zover [gedaagde 3] de rechtsgeldigheid van de cessie heeft betwist en daartoe heeft aangevoerd dat de cessieakte niet zodanige gegevens bevat dat (eventueel achteraf) aan de hand van de inhoud van de akte vastgesteld kan worden om welke vordering het gaat, verwijst de rechtbank naar hetgeen hiervoor onder 4.8 is overwogen. Het verweer faalt mitsdien.
4.19.

[gedaagde 3] heeft zich ter zake van de cessie voorts op het standpunt gesteld dat enkel enige vermeende vordering van Vereniging De Beukhoeve op [gedaagde 3] in haar hoedanigheid van bestuurder van Stichting De Beukhoeve kan zijn overgedragen. In de akte van cessie is in de tweede bullet (zie hiervoor onder 2.14) immers niet bepaald dat enige vordering op [gedaagde 3] als oud-bestuurder van Vereniging De Beukhoeve wordt overgedragen, zoals wel is vermeld ten aanzien van [gedaagde 2] . Volgens RBvV blijkt uit de derde bullet dat “alle (…) vorderingen op de stichting en op [gedaagde 2] c.s.” zijn overgedragen, terwijl in de tweede bullet is vermeld dat [gedaagde 2] en [gedaagde 3] gezamenlijk “ [gedaagde 2] c.s.” zullen worden genoemd. De aanduiding “zijnde oud-bestuurder” is volgens RBvV niet limitatief bedoeld, maar slechts opgenomen ter aanduiding van de bedoelde persoon.
4.20.

Voor de bepaling van de inhoud van de akte van cessie is niet slechts van belang hetgeen uit de akte zelf blijkt. Het komt aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Nu [gedaagde 3] zowel bestuurder van Vereniging De Beukhoeve als van Stichting De Beukhoeve is geweest en in de tweede bullet (onder meer) is vermeld dat Vereniging De Beukhoeve vorderingen “uit hoofde van (interne en/of externe) bestuurdersaansprakelijkheid” heeft op ( [gedaagde 2] en) [gedaagde 3] , kan de akte naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid niet anders worden opgevat dan dat daarin is bedoeld ook de vordering op [gedaagde 3] in haar hoedanigheid van oud-bestuurder van Vereniging De Beukhoeve over te dragen aan RBvV. Dat die hoedanigheid niet expliciet in de akte is benoemd, acht de rechtbank niet van doorslaggevende betekenis. Er is geen enkele aanwijzing dat bedoeld is de vordering op [gedaagde 3] op grond van interne bestuurdersaansprakelijkheid niet over te dragen aan RBvV. Ook in zoverre kan het verweer van [gedaagde 3] dus niet slagen.
4.21.

Hiermee komt aan de orde de vraag of de vordering tegen [gedaagde 3] toewijsbaar is op grond van artikel 2:9 BW. Dat artikel bepaalt in het eerste lid dat elke bestuurder tegenover de rechtspersoon gehouden is tot een behoorlijke vervulling van zijn taak. Tot de taak van de bestuurder behoren alle bestuurstaken die niet bij of krachtens de wet of de statuten aan een of meer andere bestuurders zijn toebedeeld. Ingevolge artikel 2:9 lid 2 BW draagt elke bestuurder verantwoordelijkheid voor de algemene gang van zaken. Hij is voor het geheel aansprakelijk ter zake van onbehoorlijk bestuur, tenzij hem mede gelet op de aan anderen toebedeelde taken geen ernstig verwijt kan worden gemaakt en hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen van onbehoorlijk bestuur af te wenden.
4.22.

RBvV heeft aangevoerd dat [gedaagde 3] haar taak onbehoorlijk heeft vervuld door het overboeken van de gelden naar Stichting De Beukhoeve zonder enige rechtsgrond, al dan niet in combinatie met het oprichten van de stichting en het plaatsnemen in het bestuur en met de wetenschap als bestuurder van de stichting dat de stichting deze gelden zou wegsluizen. Daarnaast is haar, aldus RBvV, nalatigheid te verwijten: [gedaagde 3] heeft nooit iets gedaan om de gevolgen van onbehoorlijk bestuur af te wenden. Ze is vier jaar lang bestuurslid van Stichting De Beukhoeve geweest en heeft in die tijd nooit Vereniging De Beukhoeve, waar ze gelijktijdig in het bestuur zat, op de hoogte gebracht van het bestaan van de stichting. Stichting De Beukhoeve heeft al die tijd kunnen functioneren en ook achteraf heeft [gedaagde 3] nooit op de rem getrapt, aldus RBvV.
4.23.

[gedaagde 3] heeft betwist dat zij haar taak onbehoorlijk zou hebben vervuld. Zij heeft aangevoerd dat zij zich als bestuurder van Vereniging De Beukhoeve feitelijk uitsluitend heeft gericht op het organiseren van jeugdactiviteiten. [gedaagde 3] heeft nooit bestuurlijke of secretariële werkzaamheden verricht. Zij had geen toegang tot gelden, wachtwoorden, inlogcodes enzovoorts. Ook had zij geen bankpas van de vereniging of op andere wijze toegang tot de administratie. Het bestuur van de vereniging werd feitelijk door [gedaagde 2] en [persoon x] verricht, aldus [gedaagde 3] . Zij hebben [gedaagde 3] op enig moment gevraagd of zij tevens bestuurder van Stichting De Beukhoeve zou willen zijn. [gedaagde 3] was overrompeld door dit verzoek, maar heeft ingestemd. Al snel heeft zij echter aangegeven dat zij uitgeschreven wilde worden, waarna haar is toegezegd dat zij uitgeschreven zou zijn (zie hiervoor onder 2.7). Hier blijkt echter iets mis te zijn gegaan, waardoor [gedaagde 3] pas op 1 januari 2015 is uitgeschreven. Zij heeft echter nimmer enige bemoeienis met Stichting De Beukhoeve gehad. [gedaagde 3] had geen kennis van, laat staan enige bemoeienis met, de overboekingen van de vereniging naar de stichting. De overschrijvingen die zijn gedaan in de periode nadat [gedaagde 3] als bestuurder van Vereniging De Beukhoeve is uitgeschreven, kunnen haar in ieder geval niet worden verweten, aldus [gedaagde 3] .
4.24.

Uitgangspunt van artikel 2:9 BW is dat het algemene beleid van een rechtspersoon, waartoe met name ook het financiële beleid behoort, een taak is van het gehele bestuur. De rechtbank is van oordeel dat het overboeken van gelden van Vereniging De Beukhoeve naar Stichting De Beukhoeve door één of meerdere bestuursleden van de vereniging, zonder dat daaraan een rechtsgrond ten grondslag ligt en zonder dat de algemene ledenvergadering en/of alle andere bestuurders van de vereniging daarvan op de hoogte zijn (zie hiervoor onder 4.10), aan te merken is als een tekortkoming in de behoorlijke vervulling van de bestuurstaak. Daarbij is voldaan aan het vereiste dat ernstig verwijtbaar is gehandeld. De overboekingen, die bewust zijn gedaan om de gelden bij de vereniging weg te halen, leidden er immers toe dat de vereniging niet meer aan haar betalingsverplichtingen kon voldoen en waren daarmee onmiskenbaar niet in het belang van de vereniging. Dit brengt mee dat sprake is van onbehoorlijk bestuur en dat de bestuurders van Vereniging De Beukhoeve, waaronder [gedaagde 3] , daarvoor in beginsel ieder voor zich aansprakelijk zijn. Dit is slechts anders indien [gedaagde 3] aantoont dat haar de tekortkoming in het bestuur niet valt te verwijten en dat zij niet nalatig is gebleven in het beperken van de gevolgen ervan.
4.25.

Tussen partijen is niet in geschil dat de overboekingen van de gelden zijn uitgevoerd door en op initiatief van [gedaagde 2] (en [persoon x] ). RBvV heeft ook niet betwist dat [gedaagde 3] zich niet bezighield met financiële aangelegenheden en dat zij niet beschikte over een bankpas van de vereniging. De rechtbank gaat echter voorbij aan het verweer van [gedaagde 3] dat zij geen kennis had van de overboekingen. Uit haar stellingen volgt immers dat zij wist, of in ieder geval had moeten weten, dat (grote) bedragen werden of zouden worden overgeboekt naar de stichting. Zo heeft [gedaagde 3] ter comparitie verklaard dat zij bij de oprichting van de stichting papieren heeft gekregen en destijds uit de inschrijving in het Handelsregister heeft begrepen dat er maar één doel was. Ook was [gedaagde 3] – zoals is vermeld in de conclusie van antwoord – ervan op de hoogte dat [gedaagde 2] met RBvV was gebrouilleerd in verband met het geschil over de aan RBvV af te dragen contributies. Ter comparitie heeft [gedaagde 3] verklaard dat [gedaagde 2] en [persoon x] door de vereniging waren gevraagd om uit te zoeken hoe het mogelijk was dat er € 20.000,00 was verdwenen en dat bleek dat door de voormalige secretaris gelden van de vereniging waren ontvreemd. Het leek [gedaagde 2] en [persoon x] toen beter om een stichting op te richten, zodat het bestuur van de vereniging niet over grote bedragen kon beschikken, aldus [gedaagde 3] . Desgevraagd heeft [gedaagde 3] verklaard dat zij niet meer weet of zij deze kennis heeft gedeeld met de andere bestuurders van de vereniging. Dat zij de overige bestuursleden en de algemene ledenvergadering van de vereniging wel op de hoogte heeft gesteld van de oprichting van de stichting en de (voorgenomen) onverplichte overboekingen van grote bedragen naar deze stichting, is niet gebleken. Door dat na te laten, heeft [gedaagde 3] onvoldoende invulling aan haar bestuurstaak gegeven. Zij moet geacht worden de risico’s die die overboekingen meebrachten voor de vereniging te hebben onderkend en heeft geen maatregelen genomen om deze risico’s te voorkomen en de gevolgen daarvan zoveel mogelijk te beperken. Daarmee heeft zij haar taak als secretaris niet naar behoren vervuld en daarvan is haar een ernstig verwijt te maken.
4.26.

Dat [gedaagde 3] kort na oprichting van de stichting heeft aangegeven uitgeschreven te willen worden als bestuurder van de stichting kan aan het voorgaande niet afdoen, nu dat onverlet laat dat zij door te zwijgen er medeverantwoordelijk voor is dat ook nadien, toen zij nog bestuurder van de vereniging was, onverplicht bedragen vanuit de vereniging zijn overgeboekt naar de stichting. Voor zover [gedaagde 3] heeft gewezen op de goedkeurende verklaringen van de kascontrolecommissie van Vereniging De Beukhoeve en de door de algemene ledenvergadering van die vereniging verleende decharge, verwijst de rechtbank naar hetgeen hiervoor onder 4.10 is overwogen. Dat de leden van de kascontrolecommissie op de hoogte waren van de overboekingen is niet vast komen te staan, zodat evenmin vast staat dat de kascontrolecommissie deze goedkeurde en nog minder dat deze overboekingen met de door de algemene ledenvergadering verleende decharge zijn goedgekeurd. De rechtbank gaat er, zoals hiervoor is overwogen, van uit dat [gedaagde 3] van die overboekingen juist wel op de hoogte was.
4.27.

[gedaagde 3] is aldus aansprakelijk voor de door de vereniging geleden schade. Met [gedaagde 3] is de rechtbank van oordeel dat er geen althans onvoldoende reden is haar aansprakelijk te houden voor de overboekingen die zijn gedaan nadat zij als bestuurder van de vereniging is uitgeschreven (op 12 april 2014). Aldus resteren de overboekingen van € 100.000,00 op 20 juli 2011, van € 50.000,00 op 1 juli 2013 en van € 30.000,00 op 9 april 2014. De rechtbank ziet aanleiding om daarop een bedrag van € 40.000,00 in mindering te laten strekken, nu dat bedrag door de stichting is teruggeboekt in de periode dat [gedaagde 3] bestuurder van de vereniging was. Aldus resteert een bedrag van € 140.000,00.
4.28.

Op grond van artikel 6:109 BW heeft de rechtbank de discretionaire bevoegdheid de schadevergoeding te matigen, indien toekenning van volledige schadevergoeding in de gegeven omstandigheden waaronder de aard van de aansprakelijkheid, de tussen partijen bestaande rechtsverhouding en hun beider draagkracht, tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen zou leiden. Door [gedaagde 3] zijn voor een beroep op matiging geëigende feiten en omstandigheden aangevoerd. De rechtbank neemt in aanmerking dat [gedaagde 3] haar werkzaamheden voor de volkstuinvereniging onbezoldigd en op vrijwillige basis heeft verricht. Gesteld noch gebleken is dat zij op enigerlei wijze persoonlijk gewin heeft nagestreefd of verkregen. Mede in aanmerking genomen dat de ernst van de gevolgen in geen verhouding staat tot het haar te maken verwijt, is de rechtbank van oordeel dat toekenning van volledige schadevergoeding leidt tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen, niet alleen voor [gedaagde 3] maar ook ten opzichte van de bereidwilligheid van vrijwilligers in het verenigingsleven in het algemeen. De rechtbank matigt, gelet op alle omstandigheden van het geval, de schadevergoeding tot € 50.000,00 en zal [gedaagde 3] veroordelen dit bedrag aan RBvV te betalen. De gevorderde wettelijke rente over dat bedrag zal worden toegewezen vanaf de dag van dagvaarding, nu niet gesteld en evenmin gebleken is dat [gedaagde 3] eerder door RBvV is verzocht om tot betaling over te gaan.
4.29.

De subsidiaire en meer subsidiaire grondslagen van de vordering tegen [gedaagde 3] kunnen niet leiden tot toewijzing van een hoger bedrag en zullen daarom onbesproken blijven.
4.30.

De gevorderde verklaring voor recht (zie hiervoor onder 3.1 sub a)) zal bij gebreke van belang worden afgewezen (zie hiervoor onder 4.4).
4.31.

[gedaagde 3] heeft de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten betwist. Nu niet voldoende door RBvV is gesteld en onderbouwd dat ten aanzien van [gedaagde 3] buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht die vergoeding rechtvaardigen, is de vordering in zoverre niet toewijsbaar.
4.32.

Als de in overwegende mate in het ongelijk gestelde partij zal [gedaagde 3] worden veroordeeld in de kosten van de procedure.
In alle zaken

4.33.

RBvV heeft hoofdelijke veroordeling van Stichting De Beukhoeve c.s. gevorderd. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zullen Stichting De Beukhoeve c.s. hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van € 50.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de dag van dagvaarding (21 oktober 2016) tot aan de dag van algehele voldoening. [gedaagde 2] en Stichting De Beukhoeve zullen daarnaast hoofdelijk worden veroordeeld in de wettelijke rente over € 50.000,00 vanaf 20 juni 2015 tot 21 oktober 2016. [gedaagde 2] en Stichting De Beukhoeve zullen voorts hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van het restant van de hoofdsom ad € 148.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 juni 2015 tot aan de dag van algehele voldoening. [gedaagde 2] zal ten slotte worden veroordeeld tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten ad € 2.755,00.
4.34.

De proceskostenveroordeling zal eveneens hoofdelijk worden toegewezen. De kosten aan de zijde van RBvV worden – tot en met de eerstdienende dag – vastgesteld op:
– dagvaarding € 172,28
– griffierecht € 3.903,00
– salaris advocaat € 2.000,00 (1 punt × tarief € 2.000,00)
Totaal € 6.075,28
Stichting De Beukhoeve en [gedaagde 3] , die hebben voortgeprocedeerd, zullen daarnaast worden veroordeeld in de proceskosten die na de eerstdienende dag zijn gemaakt. Aan de zijde van RBvV worden die kosten vastgesteld op € 2.000,00 aan salaris advocaat (1 punt × tarief € 2.000,00).

4.35.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen op de wijze als in de beslissing vermeld.
4.36.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

5De beslissing

De rechtbank
5.1.

veroordeelt Stichting De Beukhoeve, [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan RBvV te betalen een bedrag van € 50.000,00 (vijftig duizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag met ingang van 21 oktober 2016 tot de dag van volledige betaling,
5.2.

veroordeelt Stichting De Beukhoeve en [gedaagde 2] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan RBvV te betalen de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over € 50.000,00 met ingang van 20 juni 2015 tot 21 oktober 2016,
5.3.

veroordeelt Stichting De Beukhoeve en [gedaagde 2] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan RBvV te betalen een bedrag van € 148.000,00 (honderdachtenveertig duizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag met ingang van 20 juni 2015 tot aan de dag van volledige betaling,
5.4.

veroordeelt [gedaagde 2] om aan RBvV te betalen een bedrag van € 2.755,00 (tweeduizend zevenhonderd vijfenvijftig euro) aan buitengerechtelijke incassokosten,
5.5.

veroordeelt Stichting De Beukhoeve, [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten, aan de zijde van RBvV tot en met de eerstdienende dag vastgesteld op € 6.075,28, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,
5.6.

veroordeelt Stichting De Beukhoeve en [gedaagde 3] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten die na de eerstdienende dag zijn gemaakt, aan de zijde van RBvV tot op heden vastgesteld op € 2.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,
5.7.

veroordeelt Stichting De Beukhoeve, [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Stichting De Beukhoeve c.s. niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis hebben voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,
5.8.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.9.

wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.M.E. van der Hoeven en in het openbaar uitgesproken door mr. C. Bouwman op 28 juni 2017.