Het verrast niet dat het Nederlandse rechtspersonenrecht, en daarmee ook het in Boek 2 BW vervatte verenigingsrecht, zo functioneert. Immers, de mogelijkheid voor een rechtspersoon om via een orgaan en aanwending van stemrechten daarbinnen besluiten te nemen, geeft een ‘in beginsel’ vrijheid daartoe. Een vrijheid die mede begrensd wordt door de eisen van redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 BW en de bescherming die betrokkenen bij de organisatie van de rechtspersoon als bedoeld in art. 2:8 BW daaraan kunnen ontlenen, zo nodig in rechte en bijvoorbeeld via art. 2:15 lid 1 sub b BW (waarbij ook een bepaling als art. 3:53 lid 2 BW kan spelen die verder maatwerk mogelijk maakt, waarover de behandeling van subonderdeel 1.3).
72 Zie o.a. HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ9145, NJ 2013/461 (VEB/KLM), rov. 3.4.2, verwijzend naar HR 1 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9857, NJ 2002/296 (Zwagerman). Zie voor meer rechtspraak o.a. Asser/Kroeze (2015), t.a.p., nr. 227.
73 Zie o.a. Asser/Kroeze (2015), t.a.p., nr. 224 en J.B. Huizink, GS Rechtspersonen, Deventer: Wolters Kluwer 2018, art. 2:8 BW, aant. 2.3.
74 Asser/Kroeze (2015), t.a.p., nr. 227. Zie verder o.a. Dijk/Van der Ploeg (2013), t.a.p., p. 111, mede wijzend op de belangrijke rol van “de belangen van de betrokken personen”. Dit strookt met art. 3:12 BW, waarover hierna.
75 Zie voor leden o.a. Kollen (2007), t.a.p., p. 184-185; Dijk/Van der Ploeg (2013), t.a.p., p. 111-113, 135; Asser/Kroeze (2015), t.a.p., nr. 224; en Asser/Rensen (2017), t.a.p., nr.59. Zie voor aandeelhouders o.a. Asser/Kroeze (2015), t.a.p., nr. 224 en Asser/G. van Solinge & M.W. Nieuwe Weme, NV en BV – Corporate Governance (2-IIb), Deventer: Wolters Kluwer 2019, nrs. 1, 30, 102, 124.
76 Deze eis geldt, blijkens Kamerstukken II 1984/85, 17725, 7, p. 17 en in navolging van art. 2:11 lid 2 BW (oud), ook voor bijvoorbeeld “leden, aandeelhouders en bestuurders die op een grond tot vernietiging een beroep doen”. Voor de goede orde: niet ter discussie staat dat het wijzigingsbesluit VD een rechtshandeling van de VD is (in de vorm van een besluit van de VD) waarop het besluitbegrip in art. 2:15 BW betrekking heeft. Daarvan ga ook ik uit.
77 Kamerstukken II 1984/85, 17725, 7, p. 17.
78 Kamerstukken II 1984/85, 17725, 7, p. 16, verwijzend naar HR 1 april 1949, ECLI:NL:HR:1949:126, NJ 1949/465 (Doetinchemse IJzergieterij). De cursivering komt uit het origineel.
79 Zie o.a. HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ9145, NJ 2013/461 (VEB/KLM), rov. 3.4.2 en Asser/Kroeze (2015), t.a.p., nr. 308. De mate van de hier door de rechter in acht te nemen terughoudendheid zal afhangen van de omstandigheden van het geval.
80 [verweerder] heeft art. 3:12 BW in deze zaak ook betrokken. Zie o.a. rov. 2.32 tussenarrest. De VD gaat daaraan voorbij in sub c op p. 2.
81 De casus die voorlag in HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ9145, NJ 2013/461 (VEB/KLM) is illustratief blijkens rov. 3.3.3 (totstandkoming) en rov. 3.4.1-3.4.5 (belangenafweging), waarover ook Van Schilfgaarde (2016), t.a.p., p. 243-244. Zie onder het regime van art. 2:11 BW (oud) al o.a. HR 18 juni 1982, ECLI:NL:HR:1982:AG4407, NJ 1983/200 (De Vries/BTE), rov. 3.1-3.4 over “de wijze van totstandkoming” van het besluit en “de inhoud” van het besluit. Zie verder o.a. De Monchy/Timmerman (1991), t.a.p., p. 85-86; M. Koelemeijer, Redelijkheid en billijkheid in kapitaalvennootschappen (diss.), Deventer: Kluwer 1999, p. 42-45, 333-336; H.J. de Kluiver, Goede trouw en rechtspersonenrecht, in: A-T-D, Deventer: Kluwer 2000, p. 236-239; A.J.M. Klein Wassink, Toetsing van besluiten in het rechtspersonenrecht (diss.), Deventer: Kluwer 2012, nr. 5.4; Dijk/Van der Ploeg (2013), t.a.p., p. 113; Asser/Kroeze (2015), t.a.p., nrs. 307-308, 311; en Kamerstukken II 2016/17, 29752, 9, p. 11: “Aandeelhouders met een redelijk belang kunnen ook vernietiging van een besluit van een orgaan vorderen, bijvoorbeeld indien dat besluit in strijd is met de redelijkheid en billijkheid”.
82 Zie o.a. Koelemeijer (1999), t.a.p., p. 147-152, 168, 335; De Kluiver (2000), t.a.p., p. 236-237, 239; L. Timmerman & M.J. van Ginneken, De betekenis van het evenredigheidsbeginsel in het ondernemingsrecht, Ondernemingsrecht 2011/123; en A-G Timmerman in nr. 3.9 voor HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ9145, NJ 2013/461 (VEB/KLM).
83 Dit een en ander ligt in lijn met o.a. HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ9145, NJ 2013/461 (VEB/KLM), rov. 3.4.1-3.4.5. Dat de Hoge Raad in rov. 3.4.2 doelt op art. 2:8 lid 1 BW sluit aan bij o.a. HR 16 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ0419, NJ 2007/256 (Tuin Beheer/X.), rov. 3.6, 3.10 en HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0976, NJ 2010/544 (ASMI), rov. 4.5.1. Zie verder o.a. A-G Timmerman in nrs. 3.9-3.10, 4.5, 4.12, 4.14 voor HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ9145, NJ 2013/461 (VEB/KLM); P. van Schilfgaarde in nrs. 8-9 bij dit arrest (o.a. opmerkend over art. 2:15 lid 1 sub b BW en art. 2:8 lid 1 BW dat “die terughoudendheid niet zo ver [hoeft] te gaan als in het algemeen bij de toepassing van art. 8 lid 2 is vereist”, dat “de vraag niet [is] of de betrokkenen tot een ‘onaanvaardbaar’ besluit zijn gekomen maar of zij zich – tout court – naar redelijkheid en billijkheid hebben gedragen” en dat “[d]e mate van de in deze context door de rechter in acht te nemen terughoudendheid dan weer afhankelijk [is] van de omstandigheden van het geval (en uiteraard het te dier zake door partijen aangevoerde)”); Van Schilfgaarde (2016), t.a.p., p. 113, 233-234, 243-244; P. van Schilfgaarde, bewerkt door J.W. Winter, J.B. Wezeman & J.D.M. Schoonbrood, Van de BV en de NV, Deventer: Wolters Kluwer 2017, nr. 8; Huizink (2018), t.a.p., art. 2:8 BW, aant. 3; en noot 91 hierna. P. van Schilfgaarde wijst in nr. 9 bij het voornoemde arrest mede op de zelfstandige betekenis van art. 2:8 lid 2 BW naast art. 2:15 lid 1 sub b BW, ook ten aanzien van een regel die uit een genomen besluit voortvloeit: “Het kan zijn dat een besluit bijzonder onbillijk werkt tegenover een bepaalde betrokkene maar dat er toch niet voldoende aanleiding is – mede gelet op de werking erga omnes van art. 2:16, eerste lid – om tot vernietiging te komen. Daarnaast geldt dat aan een beroep op art. 2:8 lid 2 BW niet in de weg kan staan dat de in art. 2:15 lid 5 BW genoemde vervaltermijn van een jaar is verstreken”. Aan deze – kennelijk door Kamerstukken II 1982/83, 17725, 1-3, p. 56-57, 60-62 geïnspireerde – observaties valt toe te voegen dat een beroep op art. 2:8 lid 2 BW bij wege van verweer kan worden gedaan, anders dan een vernietigingsvordering op grond van art. 2:15 BW.
84 Door uitspraken als HR 1 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9857, NJ 2002/296 (Zwagerman) en die genoemd in HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:797, NJ 2014/286 (Cancun), rov. 4.2.2. Zie ook A-G Timmerman in nrs. 3.8-3.10 voor HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ9145, NJ 2013/461 (VEB/KLM) over toetsing aan art. 2:8 lid 1 BW in het kader van art. 2:15 lid 1 sub b BW of van het enquêterecht.
85 Zo’n schorsing is ook mogelijk op de voet van art. 2:349a lid 2-3 BW als aan de voorwaarden ter zake is voldaan.
86 Zie o.a. HR 11 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2574, NJ 2017/75 (Cordial), rov. 5.4.2.
87 Zie o.a. HR 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1061, NJ 2016/357 (IMG/NVT), rov. 4.1.2, waarover o.a. Van Schilfgaarde (2016), t.a.p., p. 259-260. Deze zaak hield verband met de opzegging door een vereniging van het lidmaatschap van een lid van die vereniging. Ook in deze zaak zegt de Hoge Raad nergens dat een lid van een vereniging geen beroep kan doen op art. 2:15 lid 1 sub b BW om een bepaald besluit van de vereniging in rechte te laten vernietigen wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid die art. 2:8 BW eist.
88 Te meer indien een betrokkene geen lid is van een vereniging en geen rechten (zoals stemrecht) heeft die aan het lidmaatschap verbonden zijn. In dit geval geldt dat voor [verweerder], nu hij ten tijde van dat besluit geen lid was van de VD. Zie de behandeling van subonderdeel 1.2.
89 Zie o.a. L. Timmerman, ‘Wat wil deze advocaat-generaal?’, WPNR 2017, p. 193.
90 Illustratief zijn HR 18 juni 1982, ECLI:NL:HR:1982:AG4407, NJ 1983/200 (De Vries/BTE) inzake besluiten tot schorsing en ontzetting van een lid een vereniging, HR 9 januari 1987, ECLI:NL:HR:1987:AG5502, NJ 1987/959 (Vecolac/Juliana) inzake een besluit tot statutenwijziging bij een coöperatieve vereniging en HR 17 mei 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0242, NJ 1991/645 (Lampe/Tonnema) inzake een besluit tot statutenwijziging bij een BV. Zie o.a. Koelemeijer (1999), t.a.p., p. 43-45 en De Kluiver (2000), t.a.p., p. 237-238.
91 Kamerstukken II 1982/83, 17725, 1-3, p. 61. Met dien verstande dat de term ‘goede trouw’ uit art. 2:11 lid 1 sub c BW (oud) in art. 2:15 lid 1 sub b BW is vervangen door de term ‘redelijkheid en billijkheid’, waarnaar art. 2:7 BW (oud) al verwees (welk artikel niet een met art. 2:8 lid 2 BW vergelijkbare bepaling kende). Zoals volgt uit HR 17 mei 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0242, NJ 1991/645 (Lampe/Tonnema), rov. 3.2 “is de vraag of het besluit tot statutenwijziging in strijd is met de goede trouw als bedoeld in art. 2:11, geen ‘andere en engere’ dan de vraag of het handelen van de algemene vergadering van aandeelhouders in strijd is met de in art. 2:7 bedoelde redelijkheid en billijkheid”, waarover ook A-G Mok in nr. 3.2.4 voor dit arrest en J.M.M. Maeijer in nrs. 1-2 bij dit arrest.