Ontzetting en hoor en wederhoor

“Kern van het geschil is of het besluit van 20 mei 2026 van IFKS om [eiser] te ontzetten uit zijn lidmaatschap in stand kan blijven dan wel dat dit besluit nietig of vernietigbaar is. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de ontzetting een zwaar middel is om een lidmaatschap van een vereniging te beëindigen. Ontzetting uit het lidmaatschap is een bestraffende vorm van opzegging en kan volgens artikel 2:35 lid 3 BW alleen worden uitgesproken wanneer een lid in strijd met de statuten, reglementen of besluiten van de vereniging handelt, of wanneer een lid de vereniging op onredelijke wijze benadeelt.

5.7. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zijn de redenen waarom en de wijze waarop tot ontzetting is overgegaan niet heel duidelijk en met voldoende waarborgen omkleed zodat ernstig moet worden afgevraagd of dit geen disproportionele actie is. Dat wordt hierna toegelicht.”

Omdat ontzetting uit het lidmaatschap van een vereniging een ingrijpend besluit is mag van het orgaan dat die beslissing neemt worden verwacht dat dat het daartoe niet overgaat zonder de zienswijze van het lid waar het om gaat in de besluitvorming te betrekken (Hof Amsterdam 8 juni 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:1749). Niet gebleken is dat er hoor en wederhoor is toegepast. In ieder geval wat betreft de gemaakte verwijten van de mislukte arbitrage en intimidatie is niet gebleken dat [eiser] daarover door het bestuur is gehoord. Nadat de arbitrage is mislukt is direct overgegaan tot ontzetting uit het lidmaatschap. Wat betreft de verwijten omtrent het in strijd handelen met de Omschrijving Scheepsuitrusting kan de mogelijkheid van [eiser] om tijdens de ALV op 27 maart 2026 het woord te voeren over het toegevoegde agendapunt met betrekking tot de door een aantal leden gewenste ontzetting uit zijn lidmaatschap niet worden aangemerkt als een deugdelijke mogelijkheid tot hoor en wederhoor, te meer nu IFKS heeft geweigerd de door [eiser] opgestelde reactie op het verzoek om zijn ontzetting uit het lidmaatschap voor de ALV onder de leden te verspreiden.”

“Uit het besluit tot ontzetting blijkt niet duidelijk met welke bepalingen in de statuten, reglement of besluiten van IFKS [eiser] in strijd heeft gehandeld of de IFKS op onredelijke wijze heeft benadeeld. Onduidelijk is wat wordt bedoeld met het handelen in strijd met de cultuur historie. Wat betreft het verwijt dat [eiser] zich bij de verbouwing van de [skûtsje 1] niet heeft gehouden aan de Omschrijving Scheepsuitrusting overweegt de voorzieningenrechter dat [eiser] mocht vertrouwen op de uitlatingen van de voorzitter van de CTZ. Het had op de weg van de voorzitter van de CTZ gelegen om (voorafgaand aan het besluit tot ontzetting) aan te geven dat [eiser] meer informatie diende te verstrekken over de werkzaamheden en de planning indien de door hem verstrekte informatie niet voldoende was. Voor zover [eiser] met de verbouwing van het skûtsje [skûtsje 1] al in strijd heeft gehandeld met de Omschrijving Scheepsuitrusting, is niet gebleken dat met [eiser] is besproken wat hij moest doen om daaraan alsnog te kunnen voldoen en evenmin dat zijn handelen tot ontzetting van het lidmaatschap zou kunnen leiden. Daarbij bestaat er onduidelijkheid over de vraag welke werkzaamheden [eiser] in strijd met de met [voorzitter CTZ] gemaakte afspraken heeft verricht.”

Rechtbank Noord-Nederland 17 juli 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:2934

Omzetting vereniging in stichting

In deze zaak krijgt een vereniging toestemming om zich om te zetten in een stichting. Daarvoor is toestemming van de rechter nodig (artikel 2:18 lid 4 BW: “Voor de omzetting van of in een stichting … is bovendien rechterlijke machtiging vereist”).

De uitspraak geeft geen inzicht in de redenen waarom de vereniging dat wil. Het betreft een sportvereniging. Mogelijk wil de vereniging na de omzetting fuseren met een (andere) stichting, zie art. 2:310 lid 1 BW.

Rechtbank Overijssel 15 juli 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:4580

Het vermogen verdelen over de leden

Artikel 2:23b lid 1 BW bepaalt dat, indien een rechtspersoon wordt ontbonden, het batig saldo wordt verdeeld “in verhouding tot ieders recht over aan hen die krachtens de statuten daartoe zijn gerechtigd, of anders aan de leden of aandeelhouders. ”

Deze bepaling kan van groot financieel belang zijn bij een rijke maar inactieve vereniging met nog maar weinig leden. Zie ook: https://www.verenigingsrechtblog.nl/2024/02/de-verkoopopbrengst-van-het-pand-verdelen-onder-de-resterende-leden.html

In onderhavige zaak ging het om een stichting met één aangesloten vereniging. De stichting was actief (geweest) op het gebied van de duivensport. Daarvoor zijn steeds minder belangstellenden. De vereniging heeft nog maar 12 leden. De stichting had een perceel grond verkocht en er bleef EUR 400k over. De stichting wilde dat bedrag verdelen over de resterende twaalf leden van de vereniging. Op grond van de statuten van de stichting is daarvoor toestemming van de rechter nodig – een dubieuze bepaling die suggereert dat daarmee het ‘uitkeringsverbod’ voor stichtingen (artikel 2:285 lid 3 BW) kan worden doorbroken. De rechter oordeelt dan ook dat de voorgenomen uitkering in strijd is met dat verbod en geeft de toestemming niet.

De stichting kan wellicht haar doel wijzigen, voor zover vereist met rechterlijke machtiging (zie art. 2:294 BW), in het bevorderen van dierenwelzijn of het bevorderen van het culturele en sociale leven in haar vestigingsplaats en daarna het saldo uitkeren aan organisaties werkzaam op het gebied van dat gewijzigde doel.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21 juli 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:4748

Een onmogelijk hoog quorum

Normaal gesproken behandel ik geen VVE-zaken, maar dit is een uitzondering. Het betreft namelijk geen echte Boek 5 BW-VVE, maar een coöperatieve vereniging voor de gemeenschappelijke delen van een bungalowpark. Het betreft verder een punt dat ook op “gewone” verenigingen van belang is.

De vereniging wil de statuten wijzigen. “Gelet op de voorgestelde wijziging van de statuten geldt op grond van artikel 25 [lees: 29] lid 4 en 5 van de huidige statuten dat alle 500 leden van de CVE voor de wijziging moeten stemmen.”

Artikel 29 lid 4: “Een besluit tot wijziging van deze statuten kan onverminderd het hierna in lid 5 van dit artikel bepaalde slechts worden genomen in een algemene vergadering waarin alle leden aanwezig of vertegenwoordigd zijn en mits met een meerderheid van tenminste drie/vierde van de in die vergadering geldig uitgebrachte stemmen. In een algemene vergadering als bedoeld in de vorige zin, waarin niet alle leden aanwezig of vertegenwoordigd zijn, kan geen besluit als aldaar bedoeld geldig worden genomen. […]” (geen idee waarom dit zo in de statuten is opgenomen)

Een wijziging van artikel 29 vereist een eenstemmig besluit van alle leden.

“De CVE baseert haar verzoek aan de rechtbank [op] artikel 2:8 lid 2 BW.

Op grond van artikel 2:8 lid 2 BW is een tussen hen (een rechtspersoon en degenen die krachtens wet of statuten bij de organisatie betrokken zijn) krachtens wet, gewoonte, statuten, reglementen of besluit geldende regel niet van toepassing voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.”

“Uit hetgeen de CVE in het verzoek en tijdens de zitting naar voren heeft gebracht begrijpt de rechtbank dat er belang is bij het wijzigen van de statuten en dat een meerderheid van de leden het daar mee eens is. De rechtbank is het met de CVE eens dat het niet realistisch is dat alle 500 leden tijdens een stemming aanwezig of vertegenwoordigd zullen zijn en dat zij vervolgens alle 500 zullen instemmen.

“Op grond van wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat ongewijzigde handhaving van de statuten van de CVE in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De rechtbank zal daarom de verzochte ontheffing van het in artikel 29 lid 4 en 5 van de statuten van de CVE vereiste quorum voor de volgende ledenvergadering verlenen, zodat in die vergadering, ongeacht het aantal aanwezige leden rechtsgeldig over het in het verzoekschrift vermelde voorstel tot wijziging van de statuten kan worden besloten met een meerderheid van tenminste twee derden van het aantal geldig uitgebrachte stemmen.”

Zie echter artikel 2:43 BW lid 2 (“Voor zover de bevoegdheid tot wijziging bij de statuten mocht zijn uitgesloten, is wijziging niettemin mogelijk met algemene stemmen in een vergadering, waarin alle leden of afgevaardigden aanwezig of vertegenwoordigd zijn.”), zie ook lid 3.