Redelijkheid en billijkheid

Hoge Raad 17 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1300

Dit is het arrest in kort geding van de Hoge Raad in de Vitesse-zaak. De vraag is of een bepaald besluit van de Beroepscommissie vernietigbaar is (door de rechter) op grond van artikel 2:15 lid 1 sub b BW, “strijd met de redelijkheid en billijkheid die door [artikel 2:8 lid 1 BW] worden geëist”

“Uitgangspunt bij de toepassing van art. 2:15 lid 1 BW is dat de rechter terughoudendheid past bij de beoordeling of een orgaan van een rechtspersoon bij het nemen van een besluit alle in aanmerking komende belangen naar redelijkheid en billijkheid heeft afgewogen en daarbij de nodige zorgvuldigheid in acht heeft genomen.3 Verder geldt dat de mate van beleids- en beoordelingsruimte die toekomt aan een orgaan van een rechtspersoon bij het nemen van een besluit … afhankelijk is van de omstandigheden van het geval. “

    • De HR geeft helaas niet aan wat de relevante omstandigheden van het geval zijn. De HR geeft slechts aan dat onjuist zijn: “de opvatting dat aan organen van rechtspersonen steeds een grote beleids- en beoordelingsruimte toekomt bij hun besluitvorming” en “de opvatting dat de rechter zich in het algemeen bij de beoordeling van de vernietigbaarheid van een besluit van een orgaan met een rechtsprekende taak binnen de rechtspersoon terughoudender moet opstellen dan bij de beoordeling van een besluit van een andersoortig (niet-rechtsprekend) orgaan.”

“Het hof heeft met het noemen van “de aan Vitesse verbonden bredere maatschappelijke belangen” kennelijk tot uitdrukking gebracht dat het belang van Vitesse, waarmee de Licentiecommissie en de Beroepscommissie op de voet van art. 2:8 BW rekening dienden te houden, mede wordt ingekleurd door de economische en maatschappelijke functie die Vitesse vervult. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.”

    • Dit betreft de volgende passage in ’s hofs arrest:  “4.78 De beoordeling door de Beroepscommissie moet volgens het Licentiereglement (artikel 13 leden 7 onder c. en 11 onder c.) geschieden naar de stand van zaken ten tijde van behandeling van het beroep. Bij de beslissing van de Licentiecommissie en de Beroepscommissie over de toe te passen sanctie spelen aan de ene kant het karakter en de ernst van de overtreding(en), aan de andere kant het mogelijk ingrijpende karakter en de al dan niet onomkeerbaarheid van de sanctie, met afweging van de aan Vitesse verbonden bredere maatschappelijke belangen.”
  • Dit volgt op rov. 4.7 van het hof:  “Van vernietigbaarheid op grond van [artikel 2:15 lid 1 sub b BW, “strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW worden geëist”]  is sprake als een besluit naar inhoud of totstandkoming in strijd is met de gedragsregel van artikel 2:8 BW. Artikel 2:8 BW houdt in dat een rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken, zich ten opzichte van elkaar moeten gedragen naar wat door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd. Toetsingsmaatstaf is de vraag of het orgaan bij afweging van alle bij het besluit betrokken belangen van de in artikel 2:8 BW bedoelde personen in redelijkheid en naar billijkheid tot het besluit heeft kunnen komen.
  • N.b.artikel 2:8 BW bepaalt niet zelf dat het gaat om (slechts) de belangen van “de in artikel 2:8 BW bedoelde personen”, d.w.z. “de rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken”.
  • Een invulling van de term  “wat door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd” wordt gegeven in artikel 3:12 BW: “Bij de vaststelling van wat redelijkheid en billijkheid eisen, moet rekening worden gehouden met algemeen erkende rechtsbeginselen, met de in Nederland levende rechtsovertuigingen en met de maatschappelijke en persoonlijke belangen, die bij het gegeven geval zijn betrokken.”  (onderstreping toegevoegd) Artikel 3:12 is (indirect) van toepassing op Boek 2 BW (artikel 3:15 BW; zie aldaar ook de mogelijke beperking van die toepassing).
  • Al met al lijkt mij de door het hof geformuleerde toetsingsmaatstaf niet zonder meer juist, omdat zij niet alle in artikel 3:12 BW dwingend voorgeschreven gezichtspunten in acht neemt. Art.3:12 BW laat het rekening houden met de betrokken maatschappelijke belangen niet alleen toe, maar schrijft dat zelfs voor. 
  • Zie ook de interessante conclusie van de A-G, met als kernoverweging (die overigens wel een andere insteek heeft dan mijn bovenstaande punt over artikel 3:12): “Het gaat hier dan ook niet om het mede betrekken in de afweging van bepaalde (aan Vitesse externe) bredere maatschappelijke belangen als zodanig, wel om het mede betrekken in die afweging, met daarbij wat betreft Vitesse haar belang als centrale punt, van die maatschappelijke context en gerelateerde, onlosmakelijk met haar verbonden belangen.171 M.i. laat het bepaalde in art. 2:8 lid 1 BW in verbinding met art. 3:12 BW (en art. 3:15 BW) het hof inderdaad de ruimte dit zo te doen” (par. 4.184.1 concl. A-G)
  • Voor de goede orde: in deze zaak is de KNVB de rechtspersoon in de zin van artikel 2:8 en behoort Vitesse als lid van de KNVB tot “degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn [de KNVB’s] organisatie zijn betrokken”. De Beroepscommissie is een onderdeel van de KNVB. 

Ontzetting en hoor en wederhoor

“Kern van het geschil is of het besluit van 20 mei 2026 van IFKS om [eiser] te ontzetten uit zijn lidmaatschap in stand kan blijven dan wel dat dit besluit nietig of vernietigbaar is. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de ontzetting een zwaar middel is om een lidmaatschap van een vereniging te beëindigen. Ontzetting uit het lidmaatschap is een bestraffende vorm van opzegging en kan volgens artikel 2:35 lid 3 BW alleen worden uitgesproken wanneer een lid in strijd met de statuten, reglementen of besluiten van de vereniging handelt, of wanneer een lid de vereniging op onredelijke wijze benadeelt.

5.7. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zijn de redenen waarom en de wijze waarop tot ontzetting is overgegaan niet heel duidelijk en met voldoende waarborgen omkleed zodat ernstig moet worden afgevraagd of dit geen disproportionele actie is. Dat wordt hierna toegelicht.”

Omdat ontzetting uit het lidmaatschap van een vereniging een ingrijpend besluit is mag van het orgaan dat die beslissing neemt worden verwacht dat dat het daartoe niet overgaat zonder de zienswijze van het lid waar het om gaat in de besluitvorming te betrekken (Hof Amsterdam 8 juni 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:1749). Niet gebleken is dat er hoor en wederhoor is toegepast. In ieder geval wat betreft de gemaakte verwijten van de mislukte arbitrage en intimidatie is niet gebleken dat [eiser] daarover door het bestuur is gehoord. Nadat de arbitrage is mislukt is direct overgegaan tot ontzetting uit het lidmaatschap. Wat betreft de verwijten omtrent het in strijd handelen met de Omschrijving Scheepsuitrusting kan de mogelijkheid van [eiser] om tijdens de ALV op 27 maart 2026 het woord te voeren over het toegevoegde agendapunt met betrekking tot de door een aantal leden gewenste ontzetting uit zijn lidmaatschap niet worden aangemerkt als een deugdelijke mogelijkheid tot hoor en wederhoor, te meer nu IFKS heeft geweigerd de door [eiser] opgestelde reactie op het verzoek om zijn ontzetting uit het lidmaatschap voor de ALV onder de leden te verspreiden.”

“Uit het besluit tot ontzetting blijkt niet duidelijk met welke bepalingen in de statuten, reglement of besluiten van IFKS [eiser] in strijd heeft gehandeld of de IFKS op onredelijke wijze heeft benadeeld. Onduidelijk is wat wordt bedoeld met het handelen in strijd met de cultuur historie. Wat betreft het verwijt dat [eiser] zich bij de verbouwing van de [skûtsje 1] niet heeft gehouden aan de Omschrijving Scheepsuitrusting overweegt de voorzieningenrechter dat [eiser] mocht vertrouwen op de uitlatingen van de voorzitter van de CTZ. Het had op de weg van de voorzitter van de CTZ gelegen om (voorafgaand aan het besluit tot ontzetting) aan te geven dat [eiser] meer informatie diende te verstrekken over de werkzaamheden en de planning indien de door hem verstrekte informatie niet voldoende was. Voor zover [eiser] met de verbouwing van het skûtsje [skûtsje 1] al in strijd heeft gehandeld met de Omschrijving Scheepsuitrusting, is niet gebleken dat met [eiser] is besproken wat hij moest doen om daaraan alsnog te kunnen voldoen en evenmin dat zijn handelen tot ontzetting van het lidmaatschap zou kunnen leiden. Daarbij bestaat er onduidelijkheid over de vraag welke werkzaamheden [eiser] in strijd met de met [voorzitter CTZ] gemaakte afspraken heeft verricht.”

Rechtbank Noord-Nederland 17 juli 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:2934

Omzetting vereniging in stichting

In deze zaak krijgt een vereniging toestemming om zich om te zetten in een stichting. Daarvoor is toestemming van de rechter nodig (artikel 2:18 lid 4 BW: “Voor de omzetting van of in een stichting … is bovendien rechterlijke machtiging vereist”).

De uitspraak geeft geen inzicht in de redenen waarom de vereniging dat wil. Het betreft een sportvereniging. Mogelijk wil de vereniging na de omzetting fuseren met een (andere) stichting, zie art. 2:310 lid 1 BW.

Rechtbank Overijssel 15 juli 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:4580

Het vermogen verdelen over de leden

Artikel 2:23b lid 1 BW bepaalt dat, indien een rechtspersoon wordt ontbonden, het batig saldo wordt verdeeld “in verhouding tot ieders recht over aan hen die krachtens de statuten daartoe zijn gerechtigd, of anders aan de leden of aandeelhouders. ”

Deze bepaling kan van groot financieel belang zijn bij een rijke maar inactieve vereniging met nog maar weinig leden. Zie ook: https://www.verenigingsrechtblog.nl/2024/02/de-verkoopopbrengst-van-het-pand-verdelen-onder-de-resterende-leden.html

In onderhavige zaak ging het om een stichting met één aangesloten vereniging. De stichting was actief (geweest) op het gebied van de duivensport. Daarvoor zijn steeds minder belangstellenden. De vereniging heeft nog maar 12 leden. De stichting had een perceel grond verkocht en er bleef EUR 400k over. De stichting wilde dat bedrag verdelen over de resterende twaalf leden van de vereniging. Op grond van de statuten van de stichting is daarvoor toestemming van de rechter nodig – een dubieuze bepaling die suggereert dat daarmee het ‘uitkeringsverbod’ voor stichtingen (artikel 2:285 lid 3 BW) kan worden doorbroken. De rechter oordeelt dan ook dat de voorgenomen uitkering in strijd is met dat verbod en geeft de toestemming niet.

De stichting kan wellicht haar doel wijzigen, voor zover vereist met rechterlijke machtiging (zie art. 2:294 BW), in het bevorderen van dierenwelzijn of het bevorderen van het culturele en sociale leven in haar vestigingsplaats en daarna het saldo uitkeren aan organisaties werkzaam op het gebied van dat gewijzigde doel.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21 juli 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:4748